GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

van de rechtvaardigmaking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

van de rechtvaardigmaking.

17 minuten leestijd

ZöiVDAGSAFDEBLIMG XXiir.

V.

Want God was in Christus de wereld met zich zelveu ver zoenende, hunne zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. 2 Cor. 5 : 19.

Ge staat dus onder het recht Gods en moet naar eisch van dat recht door God als uw Rechter geoordeeld worden. Luidt nu het oordeel van God in zijn rechtspraak, dat ge bevonden zijt aan dat recht «ÏV^ te hebben voldaan, zoo blijkt ge een ongerechtig man te zijn en kan u niet anders wachten dan eeuwige verdoemenis. Maar ook luidt dit oordeel Gods in zijn] rechtspraak, dat ge bevonden zijt aan dat recht volkomen voldaan te hebben, zoo blijkt ge een rechtvaardige te zijn en kan u niet anders wachten dan eeuwige heerlijkheid.

Wanneer velt God nu dit oordeel.' Ten ïïnale natuurlijk eerst in den dag des oordeels. Op dien oordeelsdag loopt heel het leven dezer wereld uit, en het is die oordeelsdag, die het leven dezer wereld afscheidt van het leven der eeuwigheid, dat dan staat te komen. Maar, en dit mag nooit vergeten, God de Heere verkeert hierbij niet gelijk een rechter op aarde. De rechter op aarde weet niet wat de uitspraak van zijn vonnis zal zijn, eer de dag aanbreekt waarop hij dit vonnis moet vellen. Tot op dien dag is hij bezig met het onderzoek van de processtukken, het hooren van de getuigen en het nazien van de artikelen van zijn boek van strafrecht. Maar bij God den Heere is dit niet alzoo. Hem_ zijn alle dingen van eeuwigheid bekend. Zijn wetenschap rust niet op onderzoek en het hooren van getuigen, maar is een onmiddellijke wetenschap, waarmee zijn alziend oog het wezen en den stand aller dingen van eeuwigheid af doorziet. Sterker nog, heel het verloop der wereld en van haar geschiedenis lag van eeuwigheid in den Raad des Heeren besloten, en in dien Raad des Heeren lag dus ook besloten de einduitspraak van zijn recht, die eerst in den dag des oordeels volgen zal.

Al komt die einduitspraak van Gods oordeel over ons dus eerst aan het einde der dagen, voor God ligt ze van den aanbeginne gereed. Hij kent ieders wezen en lot en toekomst, en van een iegelijk menschenkind op aarde weet Hij, onze God, nog eer we geboren waren, wat de einduitspraak over een iegelijk onzer in dien dag des oordeels zijn zal.

God weet dus nu reeds wie van ons in den dag des oordeels blijken zal voor eeuwig verloren te zijn, maar Hij weet ook nu reeds, wie van ons in den d^ des oordeels blijken zal voor eeuwig behouden te zijn. Hij gist dus niet, maar weet nog eer ge geboren wierdt, of gij in den dag des oordeels een rechtvaardige zult gekeurd worden, dan wel een onrechtvaardige. Weet Hij nu van u, dat gij in dien dag een rechtvaardige zult bevonden worden, dan spreekt het vanzelf, dat Hij u dan ook niet anders dan als een rechtvaardige kent; dat gij nu reeds een rechtvaardige voor Hem zijt, en dat Hij met u als met een rechtvaardige handelt.

Stel nu dat een rechter op aarde weet: die van moord aangeklaagde persoon zal, als over drie maanden het vonnis gewezen wordt, blijken dien moord «ïVa? te hebben bedreven, en dus vrij uitgaan, en het spreekt immers vanzelf, dat hij hem terstond als een «ïVZ-schuldige zou beschouwen, en hem terstond vrij zou laten uitgaan. Een rechter, die voorat weet, die en die aangeklaagde is vast en zeker onschuldig, en die hem nochtans als een schuldige behandelen bleef, zou als rechter zijn rechtsbesef geschonden hebben.

En dit geval nu is bij een rechter op aarde wel ondenkbaar, maar het is feitelijk zoo bij God den Heere. Hij weet niet pas in den dag des oordeels, maar reeds nu, als hoedanig ge in den dag des oordeels zult blijken. Weet Hij dus van u, dat gij alsdan blijken zult: een gerechtig man te zijn, dan kan Hij

u ook niet anders dan als een gerechtig man aanzien, en reeds nu als zoodanig bejegenen, Er kan dus nooit sprake van zijn, dat de kinderen Gods eerst op zekeren leeftijd, als ze tot geloof komen, rechtvaardig voor God zouden worden; al wie een rechtvaardige voor God in den dag des oordeels zal blijken, dien kent Hij als een rechtvaardige van eeuwig. Vandaar, dat onze beste godgeleerden er steeds zulk een nadruk op legden, dat de daad der rechtvaardigmaking, niet eerst bij het doorbreken van ons geloof plaats grijpt, maar reeds eer we geboren wierden, bij God plaats heeft. En dat wel in dien zin, dat niet de oorzaak van onze rechtvaardigmaking in ons geloof schuilt, maar dat omgekeerd de gave des geloofs ons uit

we recht­ genade geschonken wierd, omdat vaardig voor God zijn.

)i. Op dit punt wordt later teruggekomen, maar toch moest nu reeds elke voorstelling afgesneden, alsof onze rechtvaardigmaking eerst ontstaan zou op het oogenblik dat we gelooven. Neen, ook onze rechtvaardigmaking ligt, gelijk heel de beschikking des heils over onzen persoon, van eeuwigheid in Gods Raad,

Is dit zoo, dan ligt hierin vanzelf opgesloten, dat gij zelf aan uwe rechtvaardigmaking ook niets kondt toebrengen, en is elke poging van den zondaar afgesneden om zelf in het werk der rechtvaardigma king werkzaam op te treden. Val ik in de valsche leer, om de daad der rechtvaardigmaking eerst op het oogenblik te stellen dat mijn geloof doorbreekt, dan kom ik er licht toe, om in dit geloof min of meer de bewerkende oorzaak van mijn rechtvaardigheid voor God te zoeken. Maar staat het vast, dat mijn rechtvaardigmaking reeds bij God gereed lag, eer ik nog zelfs geboren was, dan is het hiermee ook uitgemaakt, dat ik er zelf niet het allergeringste aan toebracht; want iets te Iverken eer men geboren is, is ongerijmd.

Deze wondere zaak, dat een overtreder van Gods wet en een schender van zijn recht, in de vierschaar Gods toch een rechtvaardige wordt bevonden, moet dus buiten mij om tot stand zijn gekomen. j> God was het, die in Christus de wereld met zichzelven verzoende, haar zonden haar niet toerekenende."

Waarin ligt nu voor deze wondere rechtvaardigverklaring van een ongerechtig man de grond.?

Is er meê bedoeld, dat God u wel als Rechter veroordeelt, maar nu alsSouverein Koning gratie verleent van de straf die over u was uitgesproken.' Zoo heeft men het wel voorgesteld, en metterdaad gaat het zoo bij aardsche vorsten toe. Er is een schuldige. De rechter veroordeelt hem en spreekt zijn straf uit. Maar de macht van den souverein gaat boven deze rechterlijke uitspraak uit, en nu ontvangt hij gratie. Dit nu op God toepassende, heeft men ook in God scheiding gemaakt tusschen den Rechter, die naar stipt en strikt recht vonnissen moest, en r* nmeêlijdendcn Koning, die uit goede gunste gratie schonk.

Toch m? )et deze gansche voorstelling met tak en wortel uitgeroeid. Ziehier waarom. Dat een vorst op aarde gratie van een gewezen vonnis verleent, gaat uit van de onderstelling, dat de aardsche rechtspraak tot op zekere hoogte buiten staat is, om wezenlijk recht te doen; dat het hierdoor gebeuren kan, dat ean aardsche rechter verplicht is iemand te veroordeelen die bij hooger rechtspraak niet op die wijs zou veroordeeld zijn; en dat alsnu de souvereine vorst, deze gebrekkigheid van de aardsche rechtspraak te hulpe komende, door het verleenen van gratie het recht herstelt. Dit kan ook niet anders, want de rechter en de souverein zijn niet twee personen maar één. Een rechter spreekt op aarde recht in naam des konin^s, en het is dus zoogoed alsof de koning zelf in eigen persoon in elke rechtbank vonnis sloeg. David en Salomo zaten daarom ook zelf als rechter. En al komt dit thans niet meer voor, toch blijf t het beginsel hetzelfde. Als er recht gesproken en vonnis geslagen wordt, doet dit de koning zelf. Die gratie verleent is dus dezelfde als die vonnis sloeg, en zoo ziet ge, hoe het verleenen van gratie nooit ten doel kan hebben, om den loop van het rechtte stuiten, maar juist strekt om een onzuiveren loop van het recht weer recht te buigen.

Doch hieruit blijkt dan ook tevens, waarom heel deze voorstelling nooit op God den Heere kan worden toegepast. De „genade" Gods in dien zin als „gratie" op te vatten onderstelt toch, dat er in de rechtspraak van God een gehrek zou zijn, en dat Hij dit gehrek in zijn oordeel door zijn besluit van §r«ftV zou willen goedmaken. Daar nu Gods oordeelen volmaakt zijn als al zijn werk, en er dus geen gebrek in kan zijn, zoo volgt hieruit, dat God de Heere ook nooit »gratie" kan verleenen op de manier van een aardsch koning.

Wil het dus zeggen, dat God de Heere in zijn oordeel de schuld door de vingers ziet.' Vindt Hij den zondaar wel schuldig, ^aar zet Hij, door ontferming bewogen, dit schuldig in onschuldig om.' Beteekent rechtvaardigmaking, dat God van »ongerechtig" zoo maar »rechtvaardig" maakt .'

Ook dit kan niet. Immers dat zou zijn duisternis licht noemen, het kwade goed heeten, en het ongcrechtige gerechtigheid keuren. Dus juist datgene wat de profeet Jesaja als de diepste onzedelijkheid brandmerkt.

Zoo kan God niet doen. Dit ware in God zelf ongerechtig worden, en zijneeretitel als „rechtvaardig Rechter" van zich werpen.

Ging het zoo toe, dan zou God zelf de zedelijke wereldorde loswrikken; alle vastheid van het recht losmaken; en leugen voor waarheid doen gelden.

Van alle poging om de goedheid en vriendelijkheid en de liefde Gods tegen zijn heilig recht uit te spelen, moet dus eens voorgoed worden afgezien. Een liefde, die het recht krom buigt, is geen liefde. Want zoo God zelf door zijn daad de zedelijke wereldorde verbrak, ware daarmee ook aan ons menschenvoor eeuwig geroofd wat de adel van ons leven moet zijn.

Meer nog, ging God zóó te werk, dan hield Hij daarmee op de Heilige en Onveranderlijke in zichzelf te zijn; en zulk een liefde zou er dus op neerkomen, dat God ons van zichzelf beroofde, onzen God aan ons hart ontstal en ons daarmee van ons hoogste goed en ons eeuwig deel beroofde. Immers, een God, die de zedelijke wereldorde ophief, en zelf brak, kan onze God niet meer zijn.

, Neen, zal God in den dag des oordeels u Rechtvaardig keuren, dan moet ge in den dag des oordeels ook als een rechtvaardige voor zijn vierschaar staan. En dit is dan ook de leer der Heilige Schrift, dat metterdaad al Gods kinderen in den dag des oordeels feitelijk zonder smet of vlek van eigen zonde in zijn vierschaar verschijnen zullen. Ze zijn aan alle zonde afgestorven; ze zijn der volkomen heiligheid deelachtig; en ze staan voor God als lichtende starren. De rechtvaardigspreking in den dag des oordeels zal dus zijn het vrij laten uitgaan van personen die op dat oogenblik ook metterdaad heilig zijn.

Houd hier streng aan vast, want zoo eerst voelt ge hoe er in de rechtvaardigmaking geen fictie, maar wezenlijke waarheid is. Elk kind van God, dat in den dag des oordeels vrij uitgaat, staat in Gods vierschaar als een gewezen zondaar, maar die nu geen zondaar meer is. Hij verschijnt in het fijne lijnwaad der heiligen. Hij staat er zonder vlek of rimpel. Reden waarom de Heere Jezus het zelfs zóó uitdrukt, dat zulk een niet meer in het oordeel komt. Wat niet zeggen wil, dat hij niet in Gods vierschaar verschijnt. Er staat toch duidelijk, „dat wij allen voor den rechterstoel van Christus moeten geopenbaard worden." Maar het wil zeggen, dat Gods kinderen in deze vierschaar ingaan, niet met het angstzweet van den schuldige op het gelaat, maar met den jubel der verlosten op de lippen.

Dusver heeft men bij de uitlegging der „rechtvaardigmaking" veel te weinig op dit verband van de „rechtvaardigmaking" met het laatste oordeel gelet, en heeft daarom steun in allerlei fictie gezocht. Doch herstelt men dit verband, en ziet men in, hoe de rechtvaardigmaking van eeuwig rust op de voorkennisse Gods van het eindoordeel, en houdt men in het oog, dat in dit eindoordeel alle kind van God ook wezenlijk heilig en rechtvaardig zal bevonden worden, dan kunt ge alle fictie opzij zetten en inzien hoe alles recht loopt.

De vraag waar alles op aankomt is dus maar: Door welk wonder van zijn genade heeft God, onze Ontfermer, het te weeg gebracht, dat ik, overtreder van al Gods geboden en schender van zijn recht, nochtans in zijn heilige vierschaar op den dag des oordeels, zonder schuld en zonder smet van zonde zal verschijnen?

En hierop nu luidt het antwoord: Dit bewerkte Gods genade door de gifte van den Middelaar en door de gifte aan u persoonlijk van wedergeboorte en geloof,

Hoe is dit te verstaan? ; C Wil dit zeggen, dat God de Heere onze straf op een ander heeft gelegd, en ons nu, omdat een ander persoon gestraft is, vrijspreekt?

Het is niet zelde; n zoo voorgesteld, maar altoos is de conscientie tegen deze voorstelling in verzet gekomen. Men zag in, dit kon geen recht zijn.

Maar dit is dan ook niet de voorstelling der Heilige Schrift. De Heilige Schrift stelt het heel anders voor.

De Heilige Schrift leert ons: i", dat wij menschen geen losse individuen zijn, maar dat we saam tot één geslacht behooren, en in .dit menschelijk geslacht allen organisch saamhangen, zoodat de ééne zonde van Adam aller zonde was, en zijn verderf ons allen in het verderf meesleepte. Adam was niet als onzer één, maar was aller hoofd. Hij rekende voor allen, en allen zijn in hem gerekend, gelijk nu nog door een buitenlandsch vijand elk onderdaan in den koning gerekend wordt, en in een leger elk soldaat het lot deelt van den veldheer. Wij menschen zijn dus ook als zedelijke wezens, niet gelijk losse zandkorrels naast elkaar neergelegd, maar als de twijgen en bladen van eenzelfden boom in organisch verband geschapen. Adam was onzer aller wortel, en als de wortel van een boom verkankert, kankert heel de boom met al zijn takken.

Zoolang dus Adam ons hoofd en onze wortel blijft, blijven wij deelen in al de bittere gevolgen van zijn geestelijken dood. En redding kan en zal er niet zijn, tenzij het mogelijk blijkt, om ons een nieuw Hoofd en een nieuwen Wortel te geven, en ons uit dit Hoofd en op dien nieuwen Wortel te laten bestaan en te laten leven.

Ware dit niet mogelijk geweest, zoo waren we voor eeuwig reddeloos weg geweest. En alleen daarin dat dit wet mogelijk bleek en metterdaad geschied is, ligt al onze behoudenis.

Dit toch is het heerlijk Evangelie der Heilige Schrift, dat God de Heere ons menschen schiep, als een zedelijk organisme, dat onder één hoofd bloeide, en dat toen ons oorspronkelijk hoofd, in stee van te bloeien, verdorde en daardoor ons allen verdorren deed. God Almachtig door een daad zijner genade, dit zedelijk organisme der menschheid zóó omschiep, dat Adam als hoofd wegviel en Christus als Hoofd in zijn plaats kwam, en dus niet meer Adam, maar Christus de Wortel wierd, waarop dit nieuwe organisme van ons geslacht bloeien kon„ Dit herschapen menschelijk geslacht is de kerk, het Lichaam van Christus, of de vergadering der volmaakt rechtvaardigen. In dit nieuwe organisme gaat het oude op. En gelijk het oude in Adam was saamgevat en door Adam als hoofd en wortel beheerscht wierd, zoo staat nu dit nieuwe organisme onder Christus als het Hoofd en wordt in heel zijn leven en bestaan door Christus als Wortel beheerscht.

Gelijk nu Adam door zijn verkankering ons aller leven verkankerde, zoo ook spreekt het vanzelf dat Christus door zijn leven te heiligen, ons allen geheiligd heeft. Gelijk Adam voor ons allen rekende, zoo rekent ook Christus voor ons allen. We kunnen nooit een eigen rekening hebben. We rekenen altoos naar ons Hoofd. Zoolang we nog in Adam zijn naar Adam, maar ook zoodra we in Christus zijn ingeplant naar Christus.

Indien Christus, gelijk zoovelen thans door dwaling leeren, een mensch naast andere menschen, een persoon onder andere personen ware geweest, dan is de aanklacht van „bloedtheologie", die men ons naar het hoofd slingert, volkomen in haar recht. Ware toch Christus een persoon naast andere en onder andere personen, dan kon Christus nooit voor u de wet volbracht hebben, maar kon hij die alleen volbrengen voor zich zelf, en ware het dus ondenkbaar geweest, dat hij voor u gestorven ware, want het dooden van een onschuldig persoon in de plaats van een schuldige is nooit recht, maar stuitend onrecht.

Maar juist daarom heeft de Gereformeerde kerk er dan ook steeds zoo op gestaan, dat we nooit zouden zeggen: „Gods Zoon heeft een menschelijken persoon, neen, maar hij heeft de menschelijke natuur aangenomen." De persoon in hem bleef de Persoon des Zoons, en wat hij aannam, was niet één menschelijk individu, maar onzer alter menschelijke natuur. Zoo alleen kon hij ons Hoofd en onze Wortel zijn.

Deze nieuwe wortel nu van het herschapen en herboren menschelijk geslacht was volkomen gaaf en heilig. Daarom is hij ontvangen van den Heiligen Geest, Wat uit

Maria geboren wierd was heüiq. En omdat dit kindeke van Maria Gods eigen Zoon was, kon deze Wortel nooit ongaaf worden noch verkankeren. Hij was heilig en bezat den goddelijken waarborg van eeuwig heilig te zullen blijven. En overmits hetgeen op een heiligen wortel bloeit zelf niet anders dan heilig zijn kan, zoo lag in dezen heiligen wortel tevens de waarborg, dat al wie hem zou zijn ingeplant, heilig, als hij zelf heilig was, zou opwassen. De wetsvolbrenging spreekt dus vanzelf. Christus kon niet anders dan naar het recht Gods leven. De volbrenging der wet was in zijn heilig wezen gegeven.

Slechts op tweeërlei kwam het dus aan.

Vooreerst hierop, dat de schending van Gods recht in Adam geboet zou worden, en ten tweede dat de geroepen kinderen Gods in dien nieuwen wortel zouden worden ingeplant.

Ter wiUe van het eerste kon het niet anders, of de Middelaar moest, toen hij onze natuur had aangenomen, door den dood, dien wij in Adam over ons hadden ingeroepen, overkomen worden. Hij stierf om onzer zonde wil. En toen is het, niet een bijzaak, maar de doorbreking van almachtige genade geweest, dat God zijn Middelaar niet in dien dood gelaten, maar hem door de grootheid der sterkte zijner kracht uit dien dood ten leven verwekt heeft.

Anders ware de Wortel van ons leven weg geweest. Door die opstanding uit de dooden wierd de Wortel van ons leven behouden.

rechtvaar-Zoo is hij opgewekt om onze digmaking.

En voorts ten tweede, naardien nu die Wortel van ons leven in de verrijzenis van Christus behouden was, komt nu de derde daad van almogende genade en plant elkeen van Gods uitverkorene in dien nieuwen Wortel in.

De eerste genadedaad is dus, dat God zijn Zoon aan de wereld geeft, d. w. z. het Hoofd Adam door het Hoofd Christus vervangt.

De tweede genadedaad is, dat toen deze nieuwe Wortel van ons geslacht in den dood lag, God hem het leven herschonk door zijn verrijzenis.

En AQ derde genadedaad is, dat Godalsnu zijn kinderen in dezen nieuwen Wortel inplant.

1) Een inzender vraagt ons. of bet onze bedoeling was te zeggen, dat in lieel Hebr. ii uitsluitend van het algemeen geloof, en niet ook van het zaligmaken zondaarsgeloof wierd gehandeld. Stellig niet. Reeds Hebr. ii: ii en 12 in verband met Rom 4 bewijst, dat hier wel terdege van het zondaarsgeloof word gehandeld. Wat we aantoonden was alleen dat de heilige Apostel, om tot het zondaarsgeloof te komen, van het algemeene geloofsbegrip uitgaat en dit alge raeene begrip oek in het zaligmakend geloof vasthoudt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1889

De Heraut | 4 Pagina's

van de rechtvaardigmaking.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1889

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken