Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ons artikel over de Bediening

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ons artikel over de Bediening

7 minuten leestijd

Ons artikel over de Bediening des Woords in vele vacante kerken heeft de aandacht getrokken.

Althans we ontvingen naar aanleiding van dit artikel allerlei aanzoek, om toch het onderscheid tusschen een Dienaar des Woords en een Oefenaar nog nader toe te lichten.

Hiertoe zijn we bereid, en zoodra onze opstellen over het Collegiale stelsel voltooid zijn, hopen we ruimte te vinden, om over den Dienst des Woords in een afzonderlijke reeks te handelen; terwijl bovendien, te zijner plaatse, bij de toelichting van de 31ste Zondagsafdeeiing, ditzelfde punt ook van leerstellige zijde ter sprake komt.

Toch vergen we niet, dat onze belangstellende vragers tot zoolang geduld oefenen, en zij er daarom reeds nu dit weinige van gezegd.

Gelijk er de laatste vijftig jaren door velen gepredikt is, en nog door niet weinigen gepredikt wordt, bestaat er tusschen het stuk dat een predikant en het stuk dat een oefenaar voortbrengt, niet zelden alleen dit verschil, dat menig oefenaar meer tot stichting-der gemeente Gods bijdraagt, dan de geordende predikant.

Jarenlang is de prediking in onze vaderlandsche kerken geen prediking des Woords meer geweest. Het was voor een deel het Woord wegpreeken, in plaats van aanpreeken. Kwansuis wierd er nog een tekst bij opgegeven, maar die tekst deed slechts dienst, om den spreker gelegenheid te bieden ter uitstalling van zijn eigen ideeën. De tekst hing er bij als een bef-etiketje aan een flesch caatemerie, waarin geen drop zat, die uit bezien in Cantemerle geplukt, was uitgedrukt.

Er werden zekere oude verroeste rails gelegd in den vorm van afgezaagde en versletene indeelingen, zonder eenig denkbeeld van coördinatie, en tusschen die verroeste en knarsende rails liep het woordentreintje dan op en neer. En voegt men daarbij, dat menige predicatie de duidelijkste sporen droeg van schier geheel ongepraepareerd te zijn; door geen stille gebedsoefening te zijn ingeleid; en dat ze bovendien slordig wierd geïmproviseerd en slordig voorgedragen; ja, wat nog het ergste was, buiten het geestelijk worstelen der gemeente omging, — dan behoeft wel nauwlijks meer gezegd, hoe diep deze prediking gezonken was.

Nu stond jaren lang tegenover deze diep gezonkene prediking een „Evangelisatie" zooals men het Methodistisch noemde, ofte wel een „0? fening" gelijk het nu weer in Gereformeerden term heet, die in haar soort veelszins uitstekend was. Mannen uit het volk traden op, die soms een niet geringe gave van eenvoudige, hartelijke welsprekenheid hadden, en die optraden minder om eigen geleerdheid uit te stallen, dan wel om de gemeente over haar heiligste aangelegenheden op innige, teedere wijze toe té spreken. Niet dat alle „Evangelisten" of „Oefenaars" zoo gelukkig waren. Er waren ook brekebeenen onder. Maar in den regel was dit soort mannen een tijdlang zeer wel voor de aangegeven taak berekend. Dat de vele oefenaars die thans allerwegen opkwamen, volstrekt niet altoos op één lijn staan met dete oude keurbende, behoeft nauwlijks herinnering. Ook nu zijn er uitstekende oefenaars opgetreden, maar er traden er ook op, over wier aanmatiging dat ze dorsten optreden, elk kind van God zich verbaasde.

Dit laatste er nu afgerekend, is het zeer goed te verklaren, dat bij een deel der geloovigen allengs de overtuiging rijpte, dat eigenlijk een goed oefenaar nog wel zooveel voor de ziel gaf, als een geordend prediker, en dat als gevolg van deze overtuiging het rechte inzicht van wat de prediking des Woords was, geheel teloor ging.

Tot dit laatste droeg niet minder bij, dat onze oefenaars lang niet altoos hun roeping begrepen, en, zoo goed zoo kwaad het ging, zich aanstelden, als bedienden ook zij het Woord, En daar nu deze mannen bij hun voorbereiding meest goede oude degelijke theologanten gebruikten, terwijl de dienaren des Woords vaak al hun wijsheid uit het Bibelwerk van Lange putt'en, kwam de gemeente almeer onder den indruk, niet alleen dat de oefenaar vaak beter stichtte, maar dat hij niet zelden den bedienaar des Woords ook in de bediening des Woords den loef afstak.

Zoo daalden de papieren der geordende predikers, en de papieren der ongeordende gingen naar boven.

En dat te meer, toen ook aan dat ongeordende allengs een einde kwam. Want wel waren de eerste oefenaars mannen, die zoo maar optraden en in een lokaal of schuur spraken, en ontvingen ze nog niet veel anders dan den lastbrief van een particuliere vereeniging. Maar sinds de orthodoxie ook kerkelijk weer machtig wierd, zag men deze oefenaars al meer het radicaal van «godsdienstonderwijzer" zoeken.

Ze wierden geëxamineerd evenals een „dominee" geëxamineerd wierd. Ze wierden toegelaten, zooals een „dominee" wierd toegelaten. En naardien het begrip van het ambt in de kerk geheel was uitgesleten, ging men toen allengs deze geordende oefenaars als een soort van Gereformeerde kapelaans beschouwen; wel in rang en graad lager, maar overigens van gelijke geestelijke autoriteit.

Het verbaast ons dan ook volstrekt niet, als men in sommige streken de gulle bekentenis verneemt, dat men het best met zulk een oefenaar doen kan. Zulk een „oefenaar" is bovendien meer uit de kringen waar het volk toe hoort; hij leeft op lager voet; verteert minder en heeft minder geld noodig; en als de kerkeraad zulk een „oefenaar" heefc aangesteld, vindt die kerkeraad het vaak wel zoo aangenaam, om met een oefenaar als met een predikant te doen te hebben. Die heeren predikanten zijn vaak zoo lastig en de „oefenaar" is zulk een schappelijk man.

Men merkt dus wel, dat we er volstrekt niet op uit zijn, om de oefenaars te declineeren, noch om te hunnen koste de predikanten te verheffen. Eer integendeel gaan we ditmaal juist uit van de onderstelling, dat de oefenaar veel voorheeft en veelszins van betere conditie is. Ja, om het sterk te zeggen, we willen nu eens een Oefenaar nemen op zijn best, en een Bedienaar des Woords op zijn slechtst.

En nu is de vraag, indien dan nu de Oefenaar voortreffelijk en de Bedienaar des Woords hoogst gebrekkig is, gaat dan toch nog het onderscheid door, dat alleen deze predikant het Woord bedient, en de oefenaar dit niet doen kan?

Hierop nu antwoorden we zonder aarzelen in stellig bevestigenden zin, en zullen dit nader breeder toelichten.

Voorshands zeggen we er slechts dit van: Een vermaning is heel iets anders dan een boodschap.

Stel een jong man staat op het punt om zich met een sluw persoon te verbinden voor een verkeerde zaak. Gij zijt een goed vriend van zijn vader en hebt dien jongen lief, en nu ge er van hoort, gaat ge dadelijk naar hem toe, en vermaant hem om toch van zijn boos opzet af te laten, houdt hem voor hoeveel verdriet dat zijn vader zal doen, en wat booze gevolgen dit voor tijd en eeuwigheid voor hem zelf zal hebben. Welnu, dan hebt ge bij dien jongman geoefend.

Maar nu komt de vader zelf het te hooren, en daar hij zelf ziek te bed ligt, roept hij zijn knecht, en zegt hem: „Ga terstond tot mijn zoon en zeg hem in mijn naam dat ik het hem verbied en toon hem ten bewijze dit stuk papier, waar mijn naam onder staat." Die knecht is lang niet zoo vroom en ernstig als gij, en heeft lang niet die liefde die u bezielt, maar hij gehoorzaamt, en gaat naar dien jongen man en brengt hem de boo^fischap over. Die knecht nu heeft het woord van dien vader aan dien zoon bediend.

Doet nu die jonge man het toch, niettegenstaande gij hem vermaand hebt; dan is dit zeer slecht, maar het is nog geen rechtstreeksche moedwil en opstand. Doet hij het daarentegen nadat die knecht met de boodschap tot hem kwam, dan is hij in veel erger zin schuldig; dan toch is hij een muiter tegen zijn vader die hem dat bevel en verbod zond.

Bij deze vingerwijzing laten v; e het voor ditmaal.

Wie dit goed indenkt, zal de zaak wel terstond tot in haar wortel doorzien.

Wie dit niet ziet, die wachte tot later.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Ons artikel over de Bediening

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1889

De Heraut | 4 Pagina's