Eerlang zal door heel ons land een nieuwe volkstelling plaats hebben.
Daartoe zal aan elk hoofd van een gezin het vereischte biljet ter invulling worden toegezonden, en op dit biljet zal moeten worden aangegeven wat naam de zijnen dragen, welk beroep hij uitoefent, van welken leeftijd zijn huisgenooten zijn enz.
Maar op dit biljet zal ook gevraagd worden, hoe het staat met zijn godsdienstige gezindheid.
Dit nu wordt een teeder punt.
Er is toch zeer veel aan gelegen, dat men heel het land door te dezen opzichte eenparig handele; anders verliest de opneming alle beteekenis en wordt de statistiek vervalscht.
Wat is nu het best.' Zal men eenvoudig zetten: „Gereformeerde gezindheid? " Misschien moet het daarheen, maar dan moesten eigenlijk de leden van het „Nederlandsch Hervormde Genootschap" en van het „Christelijk Gereformeerd Genootschap, " en van de Vrije kerken, eveneens handelen.
Het is toch heel iets anders, of ik u vraag: „Van welk genootschap zijt ge.? "of dat ik vraag: > Tot welke gezindheid behoort ge.? " Met alle Gsreformeerden van belijdenis, behoort ge tot de ééne „Gereformeerde gezindheid"; maar de één is lid van dit, de ander van dat genootschap; en een derde keurt het denkbeeld van „genootschap" in beginsel af.
Toch is het te vreezen, dat men hierin niet eenparig zou zijn, en de resultaten dus alle beteekenis zouden missen.
Had men de tabel goed ingericht, dan had men er twee kolommen voor moeten nemen, en onderscheidenlijk in de ééne kolom moeten vragen: „Behoort gij tot eenig kerkgenootschap, en zoo ja, tot welk.'", en in de tweede kolom: „Van welke godsdienstige gezindheid zijt gij!"
Dan toch had in de eerste kolom door alle leden van het Ned. Herv. en Christ.
Geref. genootschap kunnen geantwoord worden: „Ik behoor tot dit of dat genootschap, " en hadden de Ned. Gereformeerden moeten antwoorden: „Ik behoor tot geen kerkgenootschap." Terwijl dan in de tweede kolom alle Gereformeerde belijders hadden kunnen antwoorden: „Ik behoor tot de Gereformeerde gezindheid"; en alleen de I „ongeloovige" zou geantwoord hebben : „Ik behoor tot geen godsdienstige gezindheid."
Nu dit echter niet geschied is, mag er na een definitieve beslissing wel een deugdelijk onderzoek voorafgaan. Het is toch niet genoeg, om te weten, hoe de Tabellen zijn ingericht, men moet ook weten, hoe de verzamelstaten zijn aangelegd, om een advies te kunnen geven met volledige kennis van zaken.
Misschien was de Hoop dan ook wel eenigszins voorbarig.
Wij althans zouden ons in dit stadium der quaestie nog aan geen advies durven wagen.
We wachten daarom tot het nader onderzoek, dat in Den Haag zal worden ingesteld, zij afgeloopen.
Eerst daarna zal beraad mogelijk zijn over de beste wijze van invulling; en is eenmaal de rechte en juiste methode van invulling gevonden, dan is de publiciteit groot genoeg, om, mits de kerkeraden actief en onze broeders bij de pinken zijn, de zaak door heel het land op eenparigen voet en naar ieders wensch te doen loopen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1889
De Heraut | 4 Pagina's