Met de bespreking van de zaak der
volkstelling hebben we gewacht tot het onderzoek was afgeloopen, dat door den kerkeraad van Amsterdam zou worden ingesteld.
Dit onderzoek leerde, dat de zaak minder gevaarlijk staat, dan men aanvankelijk dacht.
Op grond namelijk van een stukje in de Gremeentestetn dachten velen, dat de burgemeesters de biljetten van hun gemeentenaren zouden sorteeren, en dan alleen de totalen naar Den Haag opzenden. En ware dit het geval geweest, dan begrijpt men wat er gebeurd zou zijn. De Gemeentestem gaf reeds het wachtwoord. Men zou doodleuk alle Doleerenden bij het Nederlandsch Hervormd kerkgenootschap gerekend hebben.
Thans echter is gebleken, dat dit niet zoo zijn zal.
De burgemeesters maken geen verzamelstaten op, en alle biljetten gaan naar Deji Haag, om in Dan Haag op de ministeriecle bureelen gesorteerd en behandeld te worden. En daar nu van een Minister niet ondersteld kan noch mag, dat het ooit zijn bedoeling zou zijn, om vooral bij een volkstelling den staat van zaken anders voor te stellen dan die is, mag men er vrij zeker op rekenen, dat goed ingevulde biljetten ook gelden zuilen voor wat er op staat.
Alles komt er dus maar op aan, om de biljetten qoed ingevuld te krijgen; en dat is verre van gemakkelijk.
Vrij stellig kan men dan ook zeggen, dat minstens 30 pCt. verkeerd zullen ingevuld worden.
Vooreerst, omdat enkele personen, die in zeer afhankelijken staat zijn, vreeze zullen koesteren, om er met naam en toenaam, zwart op wit, voor uit te komen, dat ze tot „deze gehate secte" behooren.
Ten tweede, omdat op de duizenden personen, die voor deze volkstelling zullen rondgaan, stellig een paar duizend de lafheid zullen hebben, om de menschen bang te maken en in de war te helpen; en er van achteren, o, 200'n schik in zullen hebben, dat ze toch dezen en dien „Doleerende" op het Synodaal genootschap hebben geboekt.
En ten derde, omdat er altoos menschen zijn, die van niets hooren, niets lezen, noch weten wat ze doen moeten, en die dan bij slot van rekening iets neerzetten, waar ze van achteren spijt van hebben.
Rekent men nu voor elk van deze drie categorieén 10 pCt., dan is 30 pCt. naar [ onze gissing bet getal „Doleerenden", dat toch Synodaal te boek komt.
Meer dan 70 pCt. komt stellig niet terecht.
En deze 70 pCt. komt nog dan alleen terecht, zoo de kerkeraden, de pers, met name tSe Kerkboden, en voorts corporatieleden, en wie maar helpen kan, kortom ieder zijn kracht inïpanT, om tijdig voor te lichten.
Uit deze kaart nu ziet men, dat van kerkelijke zaken gesproken wordt in rubriek 8 en 9. Men ziet ook, dat men deze kaart zelf onderteekenen moet. En links staat er expresselijk bij, dat men door weerspannig te handelen, veertien dagen hechtenis ol honderd gulden boete kan beloopen.
Oppassen is dus de boodschap.
Nu staat het geval zóó, dat de Overheid de Doleerenden eenvoudig ignoreert.
Zij kent alleen personen, die tot een kerkgenootschap behooren, en dat er in Nederland een breede kring van burgers leeft, wier bewering juist is, dat een kerk van Christus als landskerk geen genootschap kan noch mag vormen, was tot onze ministeriecle bureaux niet doorgedrongen.
Dit is geen onwil noch kwaad opzet.
Men heefc er eenvoudig niet van geweten, noch op gedacht.
Op zulk een bureau gaat alle.s naar sleur. Men kent een religie niet dan onder den vor.Ti van een „kerkgenootschap." En er verloopen stellig nog tien andere jaren, eer men ook in Den Haag weet, dat er ook nog niet-genootschappeiijke kerken in Nederland bestaan.
Maar dit helpt niet. De vraag staat er nu eenmaal zóó en niet anders, en we moeten die vraag beantwoorden.
Hieruit nu vloeit o. i. voort, dat men deze vraag te beantwoorden heelt naar volle waarheid; en toch zoo, dat misverstand voorkomen worde.
Daarom kan men niet invullen: Nederd.
Geref. kerk.
Immers doet men dat, dan loopt men er in.
Zie maar eens, hoe ook de „Nederd uitsch-Hervormden" als 'Hsètrduiisch woiden opgegeven. En bovendien, als ik op de vraag: „Van welk kerkgenootschap zijt ge ? ", zeg: „Van de Ned. Geref. kerk", dan kan de invuller dit niet anders opvatten, dan alsof ik bedoel: „Ik behoor tot een nieuw opgericht kerkgenootschap, genaamd de Ned.
Ger. kerk."
Het was dus o. i. goed gezien van den Amsterdamschen kerkeraad, dat hij adviseerde om in rubriek 8 in te vullen: „Behoort
Geschiedt dit niet, dan loopt alles in de war Dan vult de een zus en de ander zoo |!n|; ontbreekt alle eenparigheid van handelec; en is het einde, dat 70 pCt. in het water valt, en 30 pCt. hoogstens op het droge komt.
Volledigheidshalve drukken we daarom de tabel, het biljet of de kaart, die zal worden aangeboden, hier in haar geheel af. tot geen kerkgenootschap, maar is van de Gereformeerde gezindheid."
D t is duidelijk.
Van geen kerkgenootschap. Dat is uw principieel breken met de Synodale orga nisatie en heel het Collegiale stelsel. Want Wel kan men zijn plaatselijke kerk, bij wijze van behulp als genootschap aangeven; maar dat bedoelt rubriek 8 van de volkstelling niet. Bij z'jlk een volkstelling gaat het niet om plaatselijke gegevens, maar om gegevens die voor heel het land gelden, en dus voor heel het volk kunnen worden saamgeteld. „Kerkgenootschap" in rubriek 8 bedoelt dus uitsluitend; Kerkgenootschappen, die als zoodanig voor heel het land strekken.
Toch zou het niet genoeg zijn, om in te vullen : „Tot qeen kerkgenootschap."
Dit toch is de wij«e waarop de Dageraadsmannen en Sociaal-democraten invullen; en zoo invullen mogen wij niet.
We moeten niet alleen zeggen wat v/e niet, maar ook wat wel zijn.
En daarom nu is het roodig er bij te zetten : Van de Gereformeerde gezindheid.
Dat toch is het eigen woord, dat de Grondwet behalve het woord kerkgenootschap kent.
In Art. 171 toch staat: De traktementen, pensioenen en andere in komsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.
Dit woord is dus staatsrechtelijk geijkt.
Allen die niet van de Staatskerk zijn noemde men eertijds gezinden, en sprak zoo van Doopsgezinden, Roomschgezinden, Remonstrantschgezinden, Lutherschgezinden.
Welnu, wij die het denkbeeld van een Staatskerk in onze reformatie principieel bestrijden, drukken dus met gezindheid juist uit wat we bedoelen.
„Gezindheid" toch beduidt dien kring van burgers, die saam een gemeenschappelijke belijdenis zijn toegedaan.
„Gereformeerde gezindheid" beteekent derhalve dien kring van burgers, die de Gereformeerde belijdenis zijti toegedaan, gelijk die historisch in de drie Formulieren van eenigheid is neergelegd.
En tot dien kriag hooren we.
Alles is dus in den haak, zoo we op de vraag van rubriek 8 antwoorden: T> Behoort tot qeen kerkgenootschap, maar is van de (Gereformeerde gezindheid."
Ea als we nu op die wijs over heel het land invullen, beantwoorden we aan het dotl der volksteiücg ; spreken volle waarheid en niets dan de waarheid; en begaan geen enkele fout.
Want denk er wel aan, als ge op andere uijs invult en er uw Baam onder zet, dan koa bij een proces over den kerkelijken l; oofdelijken omsl: \g in de Synodale kerk, i uw onderteekei.iug wel eens ais bewijs tegen ' u gelden.
En omgekeeid, als ge inteekent, zooals we aanraden, staat ge tegen dien hoofdelijken omslag sterk.
Wat nu de 9 de rubriek aangaat, zoo komt ook ona voor, dat hier alleen het : ambl of de bediening is te noemen, en dat men dus wel zal doen met eenvoudig in te vullen: Bedienaar des Wuords, Catechiseermeester, Catechiseerptffrouw, Oefenaar, Koster, enz. zonder meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1889
De Heraut | 4 Pagina's