De Memorie van Antwoord door den
Amsterdam, 29 Nov. 1889.
Minister van Binnenlandsche Zaken bij de Tweede Kamer ingezonden, viel ons op het stuk van het Hooger onderwijs niet mee.
Er wordt in deze Memorie ons niet alleen geen enkele concessie gedaan; maar het hoog belang dat bij het universitair onderwijs voor de toekomst van ons volk op het spel staat, wordt zelfs met geen woord aangeroerd.
De leiders der tegenpartij ontvangen wat ze wenschen. al
Hun wordt betuigd, dat volstrekt niet bedoeld is, om voor het Hooger ond'erwijs eenige concessie aan bijzondere scholen te doen.
Hun wordt verzekerd, dat aan een ontslaan van Amsterdams Gemeenteraad van de verplichting om een theologische faculteit te onderhouden, niet gedacht wordt; als om zoo duidelijk mogelijk aan de heeren Heineken c. s. te doen gevoelen, dat Amsterdams Gemeenteraad c. q. op geen den minsten steun te rekenen - heeft.
Het getal van drie of eigenlijk vier universiteiten van Os^erheidswege wordt in bescherming genomen.
Op wijziging van de wet van 1876 wordt geen het minste uitzicht geopend.
En inmiddels wordt te verstaan gegeven, dat de uitgaven voor Hooger onderwijs aldoor klimmen moeten. Er moeten altoos meer professoren aangesteld, altjos nieuwe localiteiten gebouwd, altoos nieuwe hulp verschaft.
Dit nu doet ons leed.
Onredelijk zijn we met onze wenschen nooit geweest, en geen onzer heeft van dit Kabinet het onmogelijke gevergd.
We konden er ook vrede mee nemen, dat het Gouvernement zegt: Niet alles tegelijk. We konden het zegt: De gevoerd. er ons bij neerleggen, dat wet die er ligt, moet uit-
Zelfs konden we verstaan^ dat het Ministerie de positie innam om te zeggen: „Zoolang het blijft zooals het is, moet er niet beknibbeld op een enkelen katheder 1" Mits, en dit beding zal niemand onredelijk kunnen noemen, mits er over zoo gewichtig vraagstuk niet worde heengegleden, alsof het ternauwernood bestond.
De strijd tusschen het Christelijk en niet-Christelijk element in den boezem der natie heeft een keer in de politiek te weeg gebracht, en bij zijn optreden heeft het Kabinet volmondig erkend, dat voortaan met het „Christelijk bewustzijn" rekening diende te worden gehouden.
Welnu, dit „Christelijk bewustzijn", een term, die min gelukkig gekozen, toch duidelijk de tegenstelling aanduidt tusschen het Evangelie en de Revolutie, heeft ook zijn eischen tegenover het Hooger onderwijs, en stelt ook voor de Universiteitsquaestie een hoogst gewichtig probleem.
Op dit probleem is van Antirevolutionaire zijde, zoolang Groen van Prinsterer in de Kamer was, steeds gewezen.
Sinds 1869 is het tamelijk principieel in de pers behandeld.
Het kan das niet meer geïgnoreerd.
Men kan niet doen alsof het niet bestaat.
En al erkennen we volgaarne, dat deze quaestie op verre na nog niet rijp voor oplossing is, en dat ze nog ernstiger moeilijkheden oplevert dan de quaestie van het Lager onderwijs, toch deed het ons leed, dat de Memorie van Antwoord in vier en een halve bladzijde, op zeldzaam uitvoerige wijze, schier uitsluitend juist het Hooger onderwijs bespreekt, en toch van het bestaan eener Universiteits-quaestie zelfs het zwakste schijnsel niet laat doorschemeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1889
De Heraut | 4 Pagina's