Het optreden van den hoogleeraar Gun
ning te Leiden heeft aanleiding gegeven tot drieërlei min aangename polemiek, die ons wat het eerste punt betreft leed doet.
Ze liep eenerzijds over zijn traktement, anderzijds over zijn oratie, en ten derde over zijn aanneming.
Gelijk heel het land weet, is de benoeming van Prof Gunning te Leiden geheel en al het rechtstreeksch gevolg van de overwinning die in Maart 1888 door de antirevolutionaire partij bij de politieke stembus is behaald.
Ware toen Baron Mackay geen minister geworden, dan zou Dr. Gunning te Leiden niet benoemd zijn.
Doch nu schijnt de minister Mackay de welwillendheid ten opzichte van Dr. Gunning (die de antirevolutionaire partij zeer uit de hoogte veroordeelt) zoover te hebben gedreven, dat hij hem een buitengewoon hoog traktement heeft toegekend, en hiertegen is nu van meer dan één kant in de section der Tweede Kamer opgekomen.
Misschien komt dit punt, als er tijd is, nog bij het openbaar debat in behandeling.
De tweede polemiek liep over Dr. Gunnings oratie.
Men was bijna in geen enkelen kring met die oratie ingenomen. Niet van Confessieneele, niet van Gereformeerde, niet van Moderne zijde. Men achtte ze halfslachtig en zonder beginsel. Een geven en nemen.
Echte proeve van Vermittelun^s-theologïe.
Te Leiden had men óf een Moderne óf een beslist Orthodoxe gewenscht. Er waren dan ook stemmen voor Dr. Bavinck opgegaan.
Een heele, zoo zegt men, hadden we begeerd, en zie men gaf ons een halve.
Een ongenoemde gaf in de Gids aan dit gevoel van teleurstelling lucht en oordeelde over Dr. Gunnings oratie verre van malsch.
Tegen deze critiek kwam een vriend van Dr. Gunning, de Utrechtsche Prof. Valeton, op.
En in de Hervorming wordt de polemiek hierover voortgezet. Een ver van aangename polemiek, waarbij het alleropmerkelijkst was, dat de redactie van het Handelsblad het voor Prof. Gunning opnam.
En bij deze beide voegde zich nog een derde polemiek over de aanneming zelve.
De Amsterdammer toch herinnerde er aan, hoe Dr. Gunning bij zijn optreden te Amsterdam verklaard bad, hoe het leeraarschap z. i. nog hooger stond dan het hoogleeraarschap, en hoe hij slechts daarom zich te Amsterdiim thuis gevoelde, omdat hij ook zoo toch nog kerkelijk hoogleeraar bleef, en dus leeraar der kerk.
Doch zie, nauwelijks komt er een benoeming, om als hoogleeraar, geheel buiten de kerk en in het Moderne kader der Rijksfaculteit te Leiden een plaats in te nemen, of Dr. Gunning geeft zijn kerkelijk leeraarschap en hoogleeraarschap prijs en wordt staatsambtenaar.
Er is, helaas, van dat alles veel waar.
Er ontbreekt aan heel dit optreden de fierheid en de hoogheid van zin, die men bij het weeroptreden van een belijder van den Christus in Leiden zoo gaarne gewenscht had.
Wat_ zou een held als Bilderdijk, die met zijn snijdend woord: „Teelt wolven in de kooi, " heel de theologische staatsfaculteit veroordeelde, v/el van zulk een halfslachtige houding gezegd hebben? Hij ware er door geërgerd 1
Toch vergete men niet, dat dit alles bij Dr. Gunning geen opzettelijke houding, maar goed bedoeld uitvloeisel van heel zijn standpunt is.
En natuurlijk de naweeën van een onjuist gekozen standpunt vervolgen u tot op uw dood!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 december 1889
De Heraut | 4 Pagina's