Reeds voor weken drong
Amsterdam, 3 Jan. 1890.
Reeds voor weken drong de Heraut er op aan, dat men ons Christelijk onderwijs uit zijn diaspora mocht opheffen tot een krachtige organisatie.
Thans vormen onze Vrije scholen een soort archipel; een groote eilandengroep. Ze liggen gezaaid en gestrooid, meest als ongesiepen diamantjes heel het land over.
En hierin lag aanvankelijk niets onnatuurlijks.
Toen ze er nog niet waren, en nog komen moesten, konden ze niet anders opschieten dan elk uit heur eigen kiem.
De aanvangen moesten klein en soms zeer gering zijn. Meer aan de kribbe en windselen van Bethlehem dan aan de pracht onzer Staatsscholen herinnerend.
Onder den druk hebben ze het'hoofd opgebeurd.
Want derwijs krenkend en afmattend was die druk, dat ons Christenvolk, waar het dorp voor dorp, als op de Veluwe, de zaak van het onderwijs in zijn macht had gehad, toch zonder hope bleef neerzitten, en tegen de Vrije school als tegen een onbegonnen werk opzag.
Da trots en laatdunkenheid der Staatsschoolmannen was in die eerste tijden zoo moedbenemend, vooral voor onze Christelijke onderwijzers.
Aan de Staatsschool geöerd en gevierd, daalden ze op eenmaal tot den rang van maatschappelijke pariahs, zoodra ze voor het Vrije onderwijs kozen.
Heel de beweging voor de Vrije school moest deswege in den eersten tijd wel van boven af komen, en schier een uitsluitend philanthropisch en ^(7/? V«> /è karakter dragen. Een sociaal en paedagogisch element kon in den beginne niet op den voorgrond treden.
Het kwam allereerst aan o'^ der quaestie. bestudeering
Want wel was van meet af de begeerte bij oiis volk, om een school met den Bijbel voor het opkomend geslacht te bezitten, algemeen; maar eer aan die begeerte voldaan kon worden, behoorde onderzocht, naar welk staatsrechtelijk stelsel dit doel het best kon worden bereikt.
Men had de keus tusschen drieërlei stelsel: dat van Staatsscholen naar de confession gesplitst; het stelsel der Vrije school als evenknie naast de Staatsschool; of wel het stelsel van gemengden aard, waaraan men in Engeland voorkeur gaf.
Elk dezer drie stelsels had iets waardoor het zich aanbeval, en het is dan ook geen wonder, dat onze eerste strijders beurtelings met het ééne en beurtelings met het andere stelsel den strijd beproefd hebben.
Dit was geen inconsequentie, maar noodzakelijk gevolg van de telkens wisselende omstandigheden.
Zoowel de lotgevallen van den Staat als van de Kerk oefenden op die keuze hun invloed.
Ware de Gereformeerde gezindheid erin geslaagd, in het groote lichaam der „Nederlandsche Hervormde kerk" zulk een actie te weeg te brengen, dat de Organisatie van i8i6 opzij ware gezet en de belijdenis dezer kerk tot eere herrezen; of ook ware het in den boezem dezer Organisatie tot een confessioneele splitsing gekomen, dan had het stelsel van Staatsscholen, met splitsing naar de confessie, ons veel inspanning uitgespaard.
Nu daarentegen deze Organisatie stand hield en machtig bleek, om de leervrijheid te handhaven, d. w. z, elk confessioneel karakter aan haar optreden te rooven, nu zou een confessioneel gesplitste Staatsschool alleen aan de Roomsch-Katholieken en Joden ten goede zijn gekomen, en voor ons onbruikbaar zijn bevonden.
En evenzoo viel te rekenen met de gebeurtenissen op politiek gebied.
Het sprak nu eenmaal vanzelf, dat alleen de politieke stembus tot verandering van de Scherpe Resolutie van 1878 kon leiden.
Ware nu al het volk, dat zegt den Christus te belijden, getrouw gebleven aan zijn beginsel, en had men alzoo door overmacht van stemmen een revisie Van art. 194 kunnen doorzetten, zoo zou het mogelijk zijn gebleven een nog veel beter stelsel in de wet te brengen.
Maar nu hoogwijze mannen als Dr. Bronsveld c. s., die het altoos beter wisten dan Groen van Prinsterer, op het oogenblik, dat de buit kon ingehaald, verraad pleegden en naar den vijand overliepen, kon de triomf niet zoo volstrekt zijn, of we moesten rekenen met de tegenpartij.
En toen veel Antirevolutionaire kiezers bij de jongste stembus voor de Staten-Provinciaal in Zoetermeer, Nieuwer-Amstel en waar niet al, zich door de tegenpartij in slaap lieten sussen, en aldus de overmacht der liberale partij in de Eerste Kamer bleven verzekeren, kon het niet anders, of door hun schuld moesten we nog-\ maals heel wat van onze eischen laten vallen.
Vandaar dat hetgeen we wonnen in zco menig opzicht teleur stelde, en dat thans enkele onzer geestverwanten zelfs zoover gaan, van Mackay hard te vallen over zijn toegeeflijkheid.
En toch, dat verwijt treft niet Mackay, maar wel de partij der verraders, die tot den vijand oversloeg, en de onvaste kiezers, die zich allerlei op den mouw lieten spelden.
Z'y hebben Macka> s kracht voor een goed deel gebroken, en de vraag, waarvoor hun schuld het Kabinet plaatste, was maar, of het raadzaam scheen, nu reeds: te innen wat te innen viel; of wel dat men, om de kleinheid der winste, hst resultaat nogmaals in de waagschaal zou stellen.
Mackay koos toen het eerste, en terecht; want juist de stembus voor de Provinciale Staten had hem geleerd, dat er op den kring onzer kiezers, zoodra de vogelaar aan het fluiten gaat, niet zoo muurvast valt te rekenen.
En waar ons Christelijk onderwijs toch in de eerste plaats hard behoefte aan had, dat was, eindelijk tot de wetenschap te komen waaraan we toe waren, en op welken staatsrechtelij ken bodem het voortaan den strijd voor den Christus zou te voeren hebben.
Maar die vraag is dan nu ook beantwoord. Er is zekerheid voor onzekerheid in de plaats getreden. We weten nu, hoe de strijd moet voortgezet.
Verworven is thans, dat het Vrije onderwijs zich een plaats der eere in ons Staatsrecht veroverd heefr, en door de Rijksoverheid beschouwd wordt, niet meer als een lastig concurrent, dien zij heeit tegen te werken, maar als een zeer beduidende factor in de volksopvoeding, waarmee ze rekent, dien ze met welwillendheid te gemoet treedt, en dien ze steunt.
Gelijkheid is er nog op verre na niet verworven.
De Scaatschool blijft nog altoos de machtige, die in elke stad en elk dorp geheel de burgerij aan zich cijnsbaar maakt; en het onrecht houdt stand, dat de voorstanders der Vrije school voor 70 percent de kosten van de Staatsschool gelijk op met haar pleitbezorgers zullen moeten dragen.
Stel dat in een dorp 3Ó00 voorstanders der Vrije en 3000 der Staatsschool wonen, en dat de kosten voor het onderwijs per kind door elkaar / 30 zijn, dan geelt dit op p.m. 600 kinderen een totaal-uitgave van ƒ 18, 000,
Welnu, van deze uitgave komt p, m. / 10, 000 op de 300 kinderen der Openbare school en f 8.000 op de 300 kinderen der Vrije school.
Hiervan betaalt nu het Rijk aan beiden gelijk p.m 30 pCt, Blijft dus plaatselijk voor de Openbare school te vergoeden circa / 7.000 en voor de Vrije school omstreeks f 6.000. En de uitkomst is derhalve, dat de 3000 liberale inwoners plaat ) selijk te betalen hebben, niets dan de helft van f 7.000, d i, ƒ 3.500, terwijl hun 3000 »ïV/-liberale medeburgers moeten betalen, vooreerst gelijke som van f 3, 500 voor de Staatsschool, en bovendien nog de heele som van / 6.000 voor de Vrije school, d, i. ruim f 9.000.
Een premie dus op het liberalisme van de ééae helft der burgerij ten bedrage van f 5.000 k f 6.000, en een boete voor de andere helft op de belijdenis van den Christus in de opvoeding tot een bedrag van gelijke hoogte.
Gelijk staan we nog in het minste niet. Niet financieel, en evenmin paedagogisch. Want nog altoos wordt de bijzondere onderwijzer genoodzaakt, zijn acte bij een examen-commissie te halen, die geheel op de leest der Staatsschool geschoeid is.
Geen quaestie dus, of er blijlt in de toekomst nog een bange strijd over. Immers we kunne.i niet rusten, eer het recht voor alle burgers, van wat belijdenis ze ook zijn, gelijk sta, en de paedagogische druk van ons worde weggenomen.
Dit neemt echter niet weg, dat thans de kans schoon staat, om ons Christelijk onderwijs innerlijk te versterken, en bedacht te worden op die sociale en paedagogische zijde der quaestie, die dusver in menig opzicht wel moest verwaarloosd worden.
Aan die zaak zijn we dan thans toegegekomen, en de vraag is nu maar, of de voorstanders der Vrije school uit de nieuwe wet zullen weten te halen, wat er in zit.
Gelukt het 'Jians, het Christelijk onderwijs een nieuwe en hoogere vlucht te doen nemen; aan zijn inrichting vastheid van organisatie te geven; de ofifervaardigheid nog milder te doen vloeien; en paedagogisch ons Christelijk onderwijs te sterken, — dan gaan we een toekomst tegen, gelijk zelfs Groen van Prinsterer zich die nooit gedroomd had.
Doch dan moet bij het Onderwijs ook dat Onderwijs hoofdzaak blijven, en moet te keer gegaan elk pogen, om de school als middel te gebruiken, om kerkelijke doeleinden te bereiken.
En juist tegen dat gevaar nu ligt het hoofdverweermiddel in degelijke organisatie.
_ Zoolang elke Vrije" school geheel op zich zelf staat, mist ze de zelfstandigheid, die ze behoeft, om naast het kerkelijk leven een ei^en belang te vertegenwoordigen, en is het geheel natuurlijk, dat haar belangen aan die van kerkelijke partijgangers ondergeschikt worden gemaakt.
Slaagt men er daarentegen in, om aan die enkele, op zichzelf staande schoolbesturen nieuwe veerkracht te schenken, zoo door onderling verband, als door vaste regeling van de verhouding tot de kerken, dan zal het paedagogisch element op den voorgrond treden, en de positie onzer onderwijzers een veel betere worden.
Thans reeds is er een poging gewaagd, om dit schoone doel te bereiken.
Onze vier generale vereenigingen, die elk op heur wijs dusver zoo uitnemenden dient bewezen, zullen door afgevaardigden uit heur midden, deze zaak ter hand nemen.
Alles hangt nu maar af van de vraag, op virat wijs ze dit zullen doen.
Strijdt elk dezer vier vereenigingen daarbij voor een eigen stokpaardje, dan komt er natuurlijk niets van. Maar verheffen zij zich tot een hooger standpunt, waarbij zij rekening houden met den geheel gewijzigden toestand; en mag er lof en dank in veler hart zijn, dat broederen die op kerkelijk gebied uiteen liggen, elkaar op schoolterrein weer met den palm des vredes en in den Naam des Heeren ontmoeten mogen; — dan is er goede hope voor de toekomst.
Zij daarom deze heilige zaak al onzen broederen op het harte gebonden.
Van den Heere kwam ons deze aanvankelijke overwinning toe. Zij van Hem dan ook de hulpe afgebeden, om in de nieuwe periode die we tegengaan, in de vreeze des Heeren het beginsel onzer wijsheid te vinden.
1878 kwam de Scherpe Resolutie, maar ook het Volkspetitionnement,
1889 gaf ons herademing.
Schenke 1890 ons het bestek, waarnaar het_ schoone gebouw der georganiseerde Vrije school moet worden opgetrokken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1890
De Heraut | 4 Pagina's