In sommige kerken
In sommige kerken blijfc men nog steeds in twijfel verkeeren omtrent de wijze waarop Art. 27 van de Kerkenordening van 1619 moet worden verstaan.
Dit artikel zegt, dat ouderlingen en diakenen twee jaren dienen zullen, en dat alle jaar het halve deel zal veranderd, en anderen in hun plaats gesteld worden; en zulks slechts met deze exceptie, dat van dezen regel kan worden afgeweken, »zoo de gelegenheid en het profïjt van eenige kerken anders vereischte."
Onzekerheid ligt hier dus niet in. Het artikel is zoo duidelijk mogelijk. Het stelt den regel, dat de broeders ouderlingen en diakenen slechts voor twee jaren in het ambt treden, om daarna voor anderen plaats te maken; en op dezen regel wordt slechts dan een exceptie toegelaten, zoo de gelegenheid en het profijt der kerken dit vordert.
„Gelegenheid" der kerken beduidt hier ken-, nelijk: i". zoo er geen genoegzaam geschikt personeel is, om tot vervanging over te gaan, en 2". zoo de toestand der kerken zekere meerdere continuïteit in het ambt wenschelijk maakt. En profijt doelt er op, dat er personen kunnen zijn, wier gaven voor het ambt zoo kennelijk en overvloedig zijn, dat de kerken schade zouden beloopen, zoo zij broeders, die zoo rijk bedeeld waren en tijd voor de bediening hadden, gaan lieten.
Nu is het onloochenbaar, dat deze ideale opvatting van de Dordtsche vaderen in de practijk is afgestuit op onoverkomelijke bezwaren, en dat allengs de exceptie en de regel van plaats gewisseld hebben. De termijn van twee jaren is veelal op drie of vier gebracht. Herkiezing van eenmaal zittende broederen is niet zelden regel geworden. En zelfs waar de herkozenen zich wenschten terug te trekken, is er veelal sterk op aangedrongen, dat zij zich nogmaals voor den dienst lieten vinden.
Dat is geenszins onverklaarbaar.
In de dagen van Dordt stonden de kerken geestelijk zeer hoog. In zeer breeden kring vond men in elke kerk toen mannen, die gekonfijt waren in de kennisse der Schrift en in de leer der waarheid. Het waren de zonen van het geslacht der martelaren, die geleerd hadden alles voor de kerk des Heeren veil te hebben. En de overtuiging dat men voorde zielen der gemeente moest zorgen, zat er nog diep in.
Dit maakte, dat én deze dienst zeer zwaar was, én dat er veelal geschikt personeel te over te vinden was. En wijl nu in de Presbyteriaansche kerken de ouderlingen en diakenen tevens golden als een soort representatie der gemeente, zoo is het zeer natuurlijk, dat onze vaderen op de Synode te Dordrecht geen verandering gebracht hebben in den regel gelijk die reeds in 1571 te Embden door onze ballingkerken en kruiskerken geleerd was.
Als het kan, en goed gaat, is het zoo nóg het beste, en niet licht zouden we tot een opgeven van dezen zetregel kunnen raden.
De regel is goed. Alleen maar „de gelegen-, heid der kerken" is thans zoodanig geworden, dat er niet aan te denken valt, om altoos naar dien regel te leven. Zelfs in steden als'. Amsterdam en, Rotterdam is het toepassen er van vooralsnog ondoenlijk. En waar
dit reeds in groote steden 'Zoo is, hoe zal men dezen regel dan doorzetten in kleine dorpskerken, waar men reeds dankbaar mag ziin zoo er personeel in goeden zin voor ééné enkele verkiezing beschikbaar is?
Slechts dit worde steeds in het oog gehouden, dat de altredende ouderlingen en diakenen, hunnerzijds, d. i. voorzooveel^ aan hen staat, nooit een vinger mogen uitsteken om zich in het ambt te handhaven, alsof hun niet-herkiezing een soort van afkeuring in zou houden, en alsof ooit van den regel van Art. 27 mocht afgeweken, om zekere persoonlijke eerzucht te bevredigen
De verhouding moet altoos deze zijn, dat de aftredende weg wil gaan, maar dat de geloovigen en hun kerkeraad „om de gelegenheid en het profijt der kerken", hem bidden om aan te blijven.
De diepere vraag, die mefl hierbij wel opwerpt, of toch eigenlijk de instelling in het ambt niet voor levenslang is, mag daarbij nimmer in het spel komen.
Immers deze vraag kan dan nog wel gedaan op de Synode, als er sprake van is, om de Kerkenordening te veranderen, maar niet in een kerkeraad, die zich onder vigeur van deze Kerkenordening met het verkiezingswerk bezig houdt.
Dat zou niet alleen mogen, maar moeten^ bijaldien er eenige uitspraak der Heilige Schrift ware aan te wijzen, waaruit bleek, dat de Heere het tegendeel verordend had. Maar hier, waar het een vraagstuk geldt, waarover de Heilige Schrift zwijgt, kan nooit aan deze stilzwijgendheid het recht ontleend om zich aan het gemeen accoord der kerken te onttrekken.
Bovendien valt er voor het denkbeeld, dat zulk een ambt levenslang zou gegeven worden, niets te zeggen.
Ambten zijn in den regel niet voor levenslang; en slechts van zeer enkele ambten is in het staatsieven bepaald dat ze ad vitam zijn, d. i. voor zoolang men leeft. Dit kan ook wel niet anders, daar verhuizing, ziekte, ouderdom of overgang tot een andere betrekking, gedurig wisseling van personeel noodig maken, en bovendien het recht van ontslag moet worden gehandhaafd.
Ook bij de broederen ouderlingen en diakenen kan er uit dien hoofde, zoolang men uit den aard der zaak redeneert, nooit van een ambt ad vitam sprake zijn. Ware dit toch zoo, dan zou een ieder, die het eenmaal was, ouderling en diaken moeten blijven tot aan zijn dood; iets wat de natuur verhindert, overmits op zekeren leeftijd, bij invallende ziekte of gebrek, de uitoefening van het ambt onmogelijk wordt.
Het kan evenzeer niet, omdat een diaken, die benoemd werd terwijl hij goed bij kas was, dan ook levenslang tot zijn dood toe diaken zou moeten blijven, ook al was hij geldelijk derwijs achteruitgegaan, dat hij ten slotte zelf op zijn ouden dag door de Diaconie moest geholpen worden.
Ware dit ambt voor levenslang, dan zou iemand, die verhuist van Urk naar Ameland, ook in Ameland dadelijk als ouderling of diaken moeten optreden.
En het kan evenmin, omdat een ouderling, die gekozen was, terwijl hij nog ruim tijd voor zijn bediening had, maar daarna in een drukker werkkring trad, die hem al zijn tijd roofde, dan een ouderling op nonactiviteit zou zijn.
En het kan eindelijk niet, omdat zulk een ouderling of diaken dan nooit uit zijn ambt konde treden, en er ook niet voor konde bedanken.
En toch dit alles ligt er in, zoodra men eenmaal stellen gaat, dat zulk een ambt, eens gegeven voorgoed gegeven is, en blijft zoolang het leven blijft.
Geheel deze voorstelling is dan ook Joodsch-ceremonieel. Een priester in Israël was en bleef priester tot zijn dood. En evenzoo een profeet.
Ook heeft Rome dit denkbeeld overgenomen, door te stellen, dat de inwijding tot het ambt door het Sacrament van de Ordening een „onuitroeibaar karakter" indrukt.
Maar onze Gereformeerde kerken wilden van deze denkbeelden nooit iets weten, en hielden zich aan den regel, dat ambtsdragers dienaren van Christus waren, om hem te dienen, zoo dikwijls en voor zoolang als deze dienst naar de ordeninge der kerken van hen zou gevergd worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1890
De Heraut | 4 Pagina's