Onder den indruk
Onder den indruk der raadselachtige epidemie, die op zoo bijna spelende wijs, haar tienduizenden in heel Europa verslagen heeft, rees in meer dan één kring de vraag, of er ook thans geen aanleiding bestond, om tot een biddag te komen.
Dan nu natuurlijk geen biddag, die van de Overheid uitging, maar een biddag door de kerken uitgeschreven, in den geest van art. 66 der Kerkenordening van 1619.
in den geest, niet naar de letter. Want letterlijk staat daar, „dat de Dienaren der kerken de Overheid bidden zullen, dat door haar autoriteit openbare vast-en biddagen mogen worden ingesteld." Woorden waaraan de gedachte ten grondslag ligt, dat i". het initiatief van de kerken uitgaat; en 2». dat de kerken beoordeelen, of er aanleiding voor zulk een biddag bestaat; maar dat 3". niet de kerken haar uitschrijven, maar de Overheid.
Dit laatste hing saam met het toenmaals bestaan der „Publieke Gereformeerde kerk", waartoe ook de Overheid als zoodanig behoorde. Thans nu zulk een Publieke kerk ten onzent niet meer bestaat, is deze zaak derhalve naar de letter van dit artikel niet meer uit te voeren.
Niet alsof het bij dezen gewijzigden toestand op zichzelf ondenkbaar ware, dat de Overheid het volk tot een dag des gebeds opriep. Het tegendeel immers blijkt in de Vereenigde Staten van Amerika, waar eveneens geen Staatskerk oestaat, en de Overheid buiten alle bemoeiing met het kerkelijk leven blijft; zoodat zelfs geen enkele kerk Staatstraktement voor haar leeraars ontvangt; en waar toch de President keer op keer een publieken biddag heeft uitgeschreven.
Gelijk men weet, hebben wij steeds de stelling verdedigd, dat ook onze Koning nog volkomen vrij en gerechtigd zou zijn, om het volk tot zulk een biddag op te roepen; mits slechts alle schijn van dwang gemeden wierd, en het bij de oproeping als zoodanig bleef.
Ook steekt er natuurlijk op zichzelf geen kwaad in, dat de Dienaren der kerken hiertoe een aanzoek bij de Overheid doen, mits men zich maar niet inbeelde, dat zulk een aanzoek hetzelfde zou zijn, als hetgeen Art. 66 van de Kerkenordening bedoelde.
Toen was het een spreken van de Publieke kerk, als aankondiging aan' de Overheid dat het houden van een biddag geraden was; terwijl het thans slechts zijn zou een gebruik maken van het recht van petitionnement, om den Koning iets te verzoeken.
Dit dient eerlijk weg erkend, en het gaat niet aan zich achter het woord „bidden, " dat in Art. 66 gebezigd is, te verschuilen. Dat „bidden" toch is in dit artikel niets dan een beleefde uitdrukking, om te kennen te geven, dat de kerken het recht hebben, om aan de Overheid aan te zeggen, of zich al dan iriet het geval voor het houden v.-an een biddag voordoet.
Vraagt men, waartoe deze inmenging der Overheid noodig was, en waarom de kerken zelve deze zaak niet konden afdoen, dan moet tweeërlei geantwoord. Ten eerste: scheen het raadzaam zulk een Biddag niet op Zondag, maar liefst op een dag in de week te houden. Immers op Zondag gehouden, wierd zulk een biddag feitelijk niets dan een gewone Zondag, alleen met een meer toepasselijke predicatie en een meer opzettelijk gebed. Vooral toen almeer het vasten wegviel, kwam daarom een biddag niet tot zijn recht, tenzij hij in de week wierd gehouden. En dit nu ging niet, tenzij de Overheid zekere maatregelen nam om de gewone beweging des levens dien dag eenigermate te laten stilstaan. Maar vooral, in de tweede plaats, zocht men die inmenging van de Overheid, opdat de verootmoediging in smeekgebeden niet slechts een daad van enkele personen, of van enkele kerken, maar een actie der natie als zoodanig zou wezen, en omdat alleen de Overheid er dit karakter aan leenen kon.
Reeds voor jaren is door ons betoogd, hoe we ook met het oog op de zake van den biddag wenschen zouden, dat de Overheid aan de onderscheidene gezindheden gelegenheid bood zich in een College van advies over zaken de religie betreffende te doen vertegenv/oordigen, opdat de Regeering, zoodra zaken van de religie in het spel kwamen, het advies van deze gedelegeerden der onderscheidene gezindheden zou kunnen inwinnen. En deden zich dan toestanden van nationalen tegenspoed voor, waarbij heel het volk als volk zich getroffen gevoelde, en adviseerde zulk een college om een biddag uit te schrijven, dan zouden we wel terdege wenschen, dat de Regeering ook nu nog tot het uitschrijven van zulk een biddag, dit college gehoord, overging
Zoolang echter zulk een college nog niet n het leven is geroepen, en de Overheid een initiatief nam, blijft thans alleen de vraag, of de kerken in de nu bestaande omtandigheden aanleiding zouden kunnen vinden, om een kerkdijken biddag uit te schrijven, die dan natuurlijk niet verder zou strekken dan de autoriteit waarover de besturen dezer kerken beschikten.
En hierop zouden we niet toestemmend durven antwoorden.
Immers een kerkelijke biddag moet niet dan in het alleruiterste geval worden uitgeschreven , om de eenvoudige reden, dat de kerken op den dag des Heeren toch in den dienst der gebeden saamkomen, er dus ook zonder eenige nadere formaliteit, week aan week gelegenheid en drang bestaat, om allen nood der Christenheid den Heere op te dragen; en dus ook, om zoodra zulk een epidemie zich vertoont, ook met het oog daarop den Troon der genade te zoeken.
Dit geschiedt dan ook. Het is ook thans geschied. En plaatst men daar nu op den Zondag een biddag bij, dan maakte dit zoo licht den indruk, alsof de gewone Dienst der gebeden niet veel zaaks ware, en alsof er in zulk een extra-biddag een bijzondere kracht school. Immers het karakter van een nationalen biddag, waarop het eertijds juist aankwam, en waarin het hoofdmotief school, bestond dan niet.
Slechts dan zouden we daarom meenen, dat zulk een kerkelijke biddag gerechtvaardigd kon «ijn, indien de nood die ons benauwde tot zulk een hoogte was geklommen, en zulk een ontzettend karakter droeg, dat de indruk er van algemeen was, en men leefde in het besef, dat we in een geheel exceptioneelen toestand verkeerden.
Deed zich zulk een geval voor, dan ja, " zou aandrang om tot zulk een biddag te komen, algemeen zijn. Niet slechts ééne groep van kerken, maar straks allegroepen van kerken zouden er de noodzakelijkheid van inzien. En tot pp zekere hoogte zou zulk een biddag dan toch nationale hz^eskenis erlangen.
In zulk een geval verkeeren we thans echter niet. Daartoe was het karakter der ziekte die heerschte te goedaardig; immers nauwelijks s pCt. der aangetasten stierven; en op zichzelf was het lijden, dat deze ziekte veroorzaakte, niet zoo aangrijpend.
Het feit is dan ook niet te loochenen, dat de schrik door deze epidemie in het hart des volks geworpen, op verre na niet te vergelijken is bij de diepe ontroering, die in dagen van cholera-epidemie waarneembaar was.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1890
De Heraut | 4 Pagina's