Ingezonden Stukken
(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).
Aan de vele vrienden van Wei^eit Habert, vau Huizen.
Het is ons niet mogelijk, aan al de persoonlijke aanvragen te voldoen, om iets te melden van de laatste dagen van W. Hubert, waarom we de redactie van dit blad verzoeken het volgende te plaatsen:
Het was ii Dec. jl. dat hij, als naar gewoonte, in Klundert kwam, om eenige weken in ons midden door te brengen. Hij kwam, als altijd, op den dag van het feest onzer Christelijke Jongelingsvereeniging, hetwelk hij sedert jaren gewend was bij te wonen.
Zoolang hij dezen winter bij ons was, was hij lijdende aan verkoudheid; toch kwam hij nog wel enkele malen uit, en ging ook geregeld ter kerk; evenwel Zaterdag 18 Januari gevoelde hij zich onwel en den volgenden dag bleef hij te bed tot des naniddags 5 uur, toen hij beneden kwam en het erg benauwd met de ademhaling had; den volgenden dag werd geneeskundige hulp ingeroepen; des avonds had hij het weer vreeselijk benauwd, waarop de dokter verklaarde, dat het gevaarlijk was en, zoo het zich herhaalde, doodelijk kon wezen; des nachts moest gewaakt worden, doch het bleef gelukkig kalm; hij moest zoo stil mogelijk blijven liggen; vele vrienden (hij had er hier zooveel) kwamen hem bezoeken; in zijne benauwdheid riep hij gedurig: »Ik ga sterven", en als men hem vroeg, hoe het met hem gesteld was, antwoordde hij, dat hij lag voor rekening van zijn Heiland, die hem naar lichaam en ziel tot zijn eigendom had gekocht; op een anderen tijd sprak hij, dat zijn grond voor de eeuwigheid alleen lag in de onveranderlijke trouwe zijns Gods.
Langzaam werd het wat beter, en des Donderdagsmorgens vergunde de geneesheer hem, er uit te komen; hij gevoelde zich toen veel beter; doch na slechts een paar uren gezeten te hebben, werd hij weer zóo benauwd, dat we hem te bed moesten brengen; het was of in den blik der oogen, waarmee hij ons aanzag, te lezen stond: »Nu zal het spoedig met mij gedaan zijn; '' de benauwdheid week niet meer; gedurig sprak hij van sterven en op onze vraag, »of het dan zoo erg zou zijn, wanneer dit het geval was", gaf hij ten antwoord: »Erg niet, maar ik bleef liever nog wat hier, want in 't stille graf zingt toch niemand 's Heeren lof, en ik zou nog zoo graag op aarde des Heeren naam willen grootmaken; maar", zoo ging hij voort, »de raad des Heeren zal bestaan in eeuwigheid." Daarop 'i€\ hij nog een versje op van Lodensteijn, waarin dat ook duidelijk uitkwam, en ook nog de berijmde woorden van Ps. 33: »Maar d'altoos wijze raad des Heeren houdt eeuwig stand, '' enz.
Dit spreken ging moeilijk en afgebroken, want de benauwdheid hield voortdurend aan; te ongeveer zeven uur kreeg hij er ook nog stuipen bij, en om half acht ure gaf hij den geest. Onze vriend was niet meer; hij ging, zooals hij kort tevoren nog had gezegd, naar zijn tehuis.
Dinsdagnamiddag is hij ter aarde besteld, gedragen door leden der Chr. Jongelingsvereeniging en gevolgd door vele vrienden uit Klundert en een tweetal uit Amsterdam. Bij de geopende groeve werd door Ds. Ouendag. Ds. Feringa en den heer D. Swagerman uit Amsterdam een hartelijk en ernstig woord gesproken. En zoo ging onze vriend in de ruste zijns Heeren, en werd zijn lichaam aan de aarde toevertrouwd, waarin zijn stof rusten zal, tot eens de bazuin zal weerklinken en ook Weigert Hubert zal worden opgewekt, om naar lichaam en ziel eeuwig met Hem te zijn, wien hier te dienen de lust en begeerte zijns harten was.
DE-FAMILIE VAN DRIMMELEN.
Klundert., 29 Januari 1890.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1890
De Heraut | 4 Pagina's