Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

OLAF DE NOOR.

I.

5> De lotgevallen van ons land Vertoonen ons des Heeren hand, "

zegt zeker vers, en wederom lezen we daarin van onze voorouders:

»Zij waren heidnen, zonder God En Christus was hun levenslot Zeer treurig."

Dit nu is volkomen waar. Tot in de zevende eeuw waren onze voorouderen, de Friezen en Saksers, heidenen die de afgoden dienden, en aanbaden wat hun vingeren gemaakt hadden.

Het zuiden van Europa alsmede Engeland was toen reeds niet meer heidensch en ook voor ons land en Duitschland ging het licht op. Doch in het noorden, bij de Denen en Zweden, bleef men nog lang, zeer lang, de oude afgoden Thor, Wodan en Freya aanbidden, naar welke ook sommige dagen der week zijn genoemd, een bewijs, dat die goden ook hier werden gediend. Thor b.v. was de god des donders, en de vijfde dag der week heet daarom bij de Engelschen nog dag van Thor, gelijk bij ons Donderdag.

Die noorsche, heidensche volken werden zelfs bittere vijanden van de Christelijke die zuidelijker woonden. Vandaar dat we lezen van de «invallen der Denen en Noormannen, " twee eeuwen lang. De stoute, Noorsche zeevaarders kwamen onder hun Vikings of zeekoningen in groote, lange booten over de Noordzee naar de kusten van Nederland, Engeland en Frankrijk, voeren de rivieren op gingen aan land, roofden en plunderden, moordden en brandden zooveel zij maar konden, en gingen dan met rijken buit beladen weer scheep. Als zij kerken vonden vernielden of ontheiligden zij die; al wat Christelijk was haatten zij tot den dood. 't Was zoo erg, dat de menschen in de kerken saamkwamen om te bidden: »Verlos ons, Heere, van de woede der Tutten", (d. w. z. der Denen, die in Jutland woonden).

In de negende eeuw leefde te Drontheim, in Noorwegen, een koning die Trygve heette. Een der edelen van zijn land, jarl (of graaf) Hakon, stond tegen hem op en doodde, hem. Nu moest ook Astrid, de koningin, vluchten met haar zoontje, den kleinen Olaf, om niet gedood te worden.

Doch de vluchtelingen werden ontdekt. Olaf werd van zijn moeder gescheiden en als slaaf verkocht.

Zoo kwam hij in Esthonië, en bracht m die streek verscheiden jaren door. Zijn meester wist niets van de hooge afkomst van zijn slaaf, en behandelde hem als alle andere. Zoo groeide Olaf op te midden van knechten en minderen, tot hij dertien jaar oud was. Steeds herinnerde hij zich dat hij een prins was, al sprak hij daarover tot niemand, en zag steeds uit naar verlossing.

Op zekeren dag was de jonge Olaf naar den tempel gegaan, om eenig geld te brengen aan een zanger of skald die daar bij woonde. Deze zanger, een oud man, ontving den schoonen, blonden knaap vriendelijk en liet hem den tempel zien. 't Was. een ruw, houten gebouw, waarin zich een groot beeld van Thor bevond, zittende op een hoogen stoel of troon. Het beeld had een grooten hamer, het wapen van den Dondergod, in de hand. De Noren waren gewoon te zweren »bij den hamer van Thor"' en de uitroep »wat hamer!" die onder ons nog wel wordt gehoord, is daarvan afkomstig.

De skald was zeer verblijd met het geld dat hem werd gezonden. Hij liet den jongen Olaf eten en drinken en zong voor hem eenige liederen, waarin gesproken werd van de goden en hun groote daden. Toen zond hij hem weder naar zijn heer.

Doch Olaf was zoo vervuld van hetgeen hQ in den tempel aanschouwd en van den skald gehoord had, dat hij nog een poos in het gebouw bleef vertoeven. Juist wilde hij heengaan, toen een forsch gebouwd man, wiens gouden armringen toonden dat hij tot hoogen stand behoorde, vóór hem stond.

De vreemdeling vroeg den knaap den weg naar een nabijgelegen dorp, en daar Olaf denzelfden kant uitmoest, gingen die twee samen. Weldra raakten zij in een druk gesprek. De vreemdeling had veel gereisd; hij was met de andere Noren op verre tochten uit geweest, had Engeland en de verdere eilanden van 't Westen bezocht, en kon daarom zeer veel ver. tellen wat voor den knaap geheel nieuw was. Deze luisterde met open mond, en kon zich eindelgk niet weerhouden uit te roepen:

»o. Leefde mijn vader nog, hoe gaarne ging ik met u mee!"

»Wie zijt gij dan? " vroeg de vreemdeling.

»Ik ben een slaaf, '' sprak Olaf treurig.

»En wie was uw vader? "

Een oogenblik aarzelde de knaap, doch hij kon zich niet inhouden en riep uit:

»Mijn vader was koning Trygve van Drontheim."

»Wat'', riep de vreemdeling, »zijt gij dan Olaf, de zoon van Astrid? '

»Zoo heette mijn moeder'', was het antwoord.

»Den Goden zij dank die mij hierheen leidden, " sprak de vreemdeling. „Ik ben uw oom Harald, de broeder van uw moeder. Ga met mij. Ik zal voor u zorgen. Gij] zijt een koningskind en een vrij man. Ik zal alles verantwoorden.'

Met blijdschap stemde Olaf toe, en weldra was hij met zijn oom op weg naar Drontheim.

Twee antwoorden.

Koningin Elisabeth van Engeland, wel bekend ook in onze geschiedenis, was alles behalve een gemakkelijke dame. Zij kon even sterk haar gunst betoonen als iemand haar ongenade doen voelen, en in dat laatste geval was er met haar geen schertsen.

Dat ondervond ook zeker geleerd heer, die haar misnoegen had opgewekt. De toegang tot het hof werd hem ontzegd. Dit vond hij zoo naar, dat hij een heer, die met de koningin zeer bevriend was, verzocht een goed woord voor hem te doen. Zulks geschiedde ook en wel meer dan eens. 't Begon Elisabeth te vervelen en eindelijk sprak zij:

»Nu, Iaat hem dan maar eens hier komen." Zeer verblijd haastte zich de geleerde naar het hof.

»Wel", zei de koningin, hem ziende, sik hoor dat gij zeer knap zijt. Mag ik u één vraag doen ? Hoeveel klinkers zijn er ? "

De geleerde vond die vraag voor hem erg min. Doch antwoordde alleen:

»Dat is gemakkelijk gezegd, vijf, zooals Uw Majesteit weet."

»Juist, maar welke van deze zouden we 't best kunnen missen ? "

»Geen van allen mevrouw. U zult toestemmen, dat, hoe dan ook, er geen van de vijf zonder schade en verwarring kan gemist worden."

«Ditmaal moet ik van u verschillen, " sprak de koningin. »We kunnen er althans zeer goed één missen, namelijk U."

En daarmee kon de heer weder vertrekken.

Ter toelichting

aan vele gissende en missende lezers deelen we maar mee, dat de persoon in het oude raadsel dat we pas gaven bedoeld, is — de geneesheer.

Hij bereidt zich met moeite, door veel studeeren, tot zijn arbeid voor. Het doel is zieken te genezen. Maar bereikt hij dat, worden allen gezond, dan is hij op 't laatst niet meer noodig, en maakt dus zic'nzelf ontbeerlijk.

Wie evenwel dokter wil worden, behoeft vooreerst voor die ontbeerlijkheid nog niet bang te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 maart 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 maart 1890

De Heraut | 4 Pagina's