GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Mij dorst.”

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

„Mij dorst.”

8 minuten leestijd

Hierna Jezus wetende dal nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld wor^ den, zeide: ij dorst. Joh. 19 : 28.

Er is door den Man van smarten, toen hij aan het kruis hing te sterven, slechts ééne klacht over het lijden zijner ziel en evenzoo slechts één klacht over het lijden naar het lichaam geuit. Het bange zielslijden perste hem het »EA' i? //, Lama Sabachtani^' af, en de benauwde doodsstrijd naar het vleesch deed hem uitroepen: »yl/^' dorst.'"

In dat »Mij dorst" sprak de stervenssraart van de wondkoorts. Zijn vleesch was wel waarlijk menschelijk vleesch, zijn bloed wel waarlijk ons bloed. En daarom, toen aan zijn lichaam geweld wierd aangedaan, en ruw de wonden hem in voet en hand waren geslagen, en het afhangen van het lichaam met zijn wicht aan de gespleten handwond, den bloedsomloop stoorde, en innerlijke worsteling in zijn aderen te voorschijn riep, kon het niet anders, of de hitte der wondkoorts moest zich ook in Jezus gevoelen doen; en die brand in het bloed moest van oogenblik tot oogenblik klimmen, tot eindelijk de adem in de longen in vuur wierd gezet, en de vochtklier in den mond opdroogde, en de tong zich nauwlijks meer onder het verhemelte kon bewegen, en hij uit de toegeschroeide keel niet dan met inspanning het i^Mij doraf' uitbracht.

»Mij. dorstl"' zoo smachtte uw Heiland om een beker koud waters. Of er één mocht zijn, die uit erbarmen en deernis, het uiterste van zijn vinger in het water zou doopen en zjjn brandende tong verkoelen.

^MiJ dorst!" zoo riep hij met rauwe stem, niet om den dood te ontgaan, maar om eer hij stierf het zoet van menschelijke lafenis te ervaren.

»Mij dorst!" omdat de mond hem bijna van dorst was dichtgeklemd, en hij zijn stervenden uitroep van T> Het is volbracht", en het » Vader in vwe hande7i beveel ik mijnen geest" nog moest volbrengen.

Dorst is iets zoo ontzettends. Honger is een scherp zwaard, maar dorst is als een giftige pijl, die tot in merg en nieren doordringt.

De honger komt van het vleesch, maar de dorst komt van het bloed, en in dat bloed is de woeling, is de beweging van ons menschelijk leven-In dat bloed raakt ziel en lichaam aan elkander. Want in het bloed, zoo had God het reeds aan Israël verklaard, in het bleed is de ziel.

Op het bloed kwam het daarom ook inde verzoening aan. Dit zaagt ge reeds typisch bij de oüferanden die in Israël voor de zonde wierden geslacht. Want zeker ook het lichaam dezer dieren wierd verbroken, maar toch niet als doel, immers het doel was steeds dat het bloed sou vergoten worden en zou gesprengd worden op het heilige.

En zoo ook ziet ge het bij het Lam Gods. Ook toch van dat Lam Gods leest ge telkens, dat aan zijn dood ons leven hangt, maar schier altoos is het zijn bloed dat voor u vergoten wordt, waarop zijn heilige apostelen u wijzen.

Ook bij hem was er wel verbreking van het lichaam, maar slechts als middel om tot de vergieting van zijn bloed te komen, en in de vergieting van dat heilig bloed is uw verzoening.

En hoe kon dat anders? Waar wij menschen ons leven verzondigd hadden, en dat leven uit ) ons bloed was opgewoeld en in dat bloed voortzondigde, hoe kon daar onze Middelaar voor ons vergeving te weeg brengen, dan door alsnu van ons bloed te nemen, dit van ons genomen bloed tot voertuig van zijn eigen leven te maken, en dit zijn leven in ons schuldig bloed te vergieten op het altaar van den Heilige!

Juist omdat in Je vergieting van zijn bloed lOnze verzoening school, kon het dan ook niet de honger zijn, die hem kwelde, maar moest hij in zijn sterven op Golgotha gekweld worden door onl ijdelijken dorst.

Niet toch in den honger, maar in den dorst speelt het geestelijk lijden door het lichamelijk lijden heen.

Jezus zelf toont ons dat in de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus, waarin hij ons dien rijken man schetst als zijn oogen opendoende in de hel. En zie, wat hem nu inde helsche pijn verteert en kwelt, is niet de honger maar de dorst. Hij vergaat van dorstpijn, en zou een wereld geven voor een druppel koud water om het uiterste van zijn tong te verkoelen.

Alle helsche pijn wordt ons als valsche branding en onheilige gloed geteekend, een onuitblusschelijk vuur, dat om water roept, maar door geen stroom van water te blusschen is.

En als tegenover die natuurlijke dorstsmart van de hel ons de zaligheid des eeuwigen levens wordt geteekend, dan staat dit altoos op den voorgrond, dat er in die zaligheid ^«« (f< 7r.f< meer zal zijn. Toen de nieuwe hemel en de niéuwe aarde voor den heiligen Johannes op Pathmos was neergedaald, en hij het hemelsch Jeruzalem aanschouwde, toen stond het Lam Gods voor hem, en riep: »Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, en ik zal den dorstigen geven uit de Fontein van het ivater des levens te drinken om niet!"

Gewisselijk ook het Brood des levens is uw Heiland, maar toch veel sterker nadruk legt hij er op, dat hij uw eewwigen dorst zal lesschen. »Die van dit water drinkt, dat ik hem geven zal, zal niet meer dorsten in der eeuwigheid!" En toen hij in den voorhof van Jeruzalems tempel stond, om het volk tot zich te oepen, toen ook klonk het van zijn lippen : »ZoD iemand dorst heeft, die kome tot mij en drinke !"

»Dorsten", dat was dan ook het schreiend amechtige beeld waarin reeds de psalmisten en profeten vanouds het roepen der ziel naar den levenden God ons hadden afgeteekend. «Gelijk een hert hijgt naar de waterstroomen, zoo smacht mijn ziel naar U, o, God. Mijn ziele dorst naar God, naar den levenden God!" »Mijne ziel dorst naar U in een land dor en mat en zonder water!" heet het in Psalm 63. En als Messias reeds vanouds door Jesaia de zijnen tot zich roept, gaat zijn stem uit: »o, Alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk." Gods heerlijkste beloften zijn, dat hij »water zal gieten op de dorstigen" en »het dorstig land tot springader zal stellen." Ja, God zelf, dat Eeuwige Wezen, heet de Bronwei en Springader en Fontein van alle goed.

Zoo hanpen &amp; a.n ons bloed en onz^ dorst snaxa; en omdat in ons bloed ook het leven van onze ziele is, vloeit in dien dorst van het bloed het beeld van ons lichamelijk en van ons geestelijk lijden inéén ; maar is dan ook de lessching van dien dorst het heerlijk beeld van wering van alle helsche smarte en overgieting met hemelsche weelde in een heerlijkheid zonder einde.

Toen dus uw Heiland roepen moest: -»MïJ dorst!" sprak in dien bangen uitroep iets van de ervaring van helsche smarte. Het was uw dorst, waarmee gij eeuwiglijk hadt moeten verdorsten, dien uw Verlosser om uwentwil doorstond ; een dorst opgekomen in het bloed dat hij bij zijn Vleeschwprding uit uw bloed had overgenomen; een bange uitdroging van het levensbloed waaraan hij om u te redden, zijn eigen goddelijk leven verbonden had.

Toen hij nu riep: »Mij dorst!" had de wereld niets voor hem, dan een zwijmeldrank of een wrangen edik. Maar dien zwijmeldrank wees hij af, en aan die spons met edik heeft hij zijn brandende lippen verkoeld. En met dien druppel edik achtte de wereld haar tol van deernis aan den stervenden lijder betaald te hebben. o. Als Jezus thans nog aan het kruis hing en dat »Mij dorst!'' van zijn stervende lippen liet hooren, duizenden zouden er hun leven voor veil hebben, om hem het koelste water uit de reinste en zuiverste bron met volle teugen aan zijn stervende lippen te bieden.

Zoo zou het thans zijn, nu de vrucht van zijn dood gewerkt heeft en de zijnen hem zijn toegebracht.

Maar zoo is van nature ook uw onverzoend hart niet. Hadt ge dus bij Golgotha onverzoend evenals die soldaten van Romes keizer gestaan, ook gij zoudt gedacht hebben, dat het reeds wel was, zoo ge den doodschuldige, die daar te sterven hing, met wat wrangen edik gelaafd hadt.

Eerst moest uw Heiland dien doodelijken dorst lijden en in dien dorst van de wondkoorts sterven, om u den zin van zijn verzoenend dorsten te doen verstaan.

En nog, wie verstaat er de diepte van? Wie is er die beseft, dat hij óf uit dien dorst van zijn Heiland eeuwig leven heeft in te drinken, óf anders zelf eens eeuwiglijk in zijn onleschbaren helschen dorst vergaan moet?

, Vergeet het niet, Jesaia spreekt van een dorstige »die droomt en zie, hij drinkt, maar als hij ontwaakt, zie, zoo is hij nog mat, en zijn ziel brandt naar water" (29 : 8).

En nu, zijn er niet nog, die met Gods kerke loopen, en die droomen dat hun eeuwige dorst gelescht is, en van wie het toch zoo schriklijk te vreezen is, dat als ze eens ontwaken, hun eeuwige dorst er nog zijn zal en hun ziel zal versmachten van weedom?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 maart 1890

De Heraut | 4 Pagina's

„Mij dorst.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 maart 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren