Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Bij den uitgever

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bij den uitgever

4 minuten leestijd

Bij den uitgever H. Tulp te Zwolle is een afdruk uitgegeven van een brief in 1886, tijdens het Conflict uitbrak, door wijlen onzen broeder J. Bechthold aan een geestelijke vriendin geschreven.

De lezing van dezen brief kan wel aanbevolen. Hij geeft ons in stijl en beeldenkeus en keus van woorden, zoo recht den ouden broeder weder, gelijk hij zoo menigmaal, met den lach van Gods kind om de lippen, en met een oog, waar vuur in vonkte, zijn broederen of zusteren toesprak.

Merkwaardig is de gemoedsstemming, die uit dezen brief spreekt, en die ons ongezocht een blik gunt in het hart dier mannen, die in het Conflict vooraan stonden, en dat wel tijdens het heetste van den strijd.

We wijzen o.a. op deze woorden:

Ja, lieve zuster, wij meenen, als wij door onze zonden in de verlating zijn, dat dan de Heere niet meer naar ons wil hooren en omzien en dat het een te groote zonde is, die wij bedreven, en wij daarom in den donker moeten verkeeren, en dan komt de aanklager der broederen. »Waar is nu uw heiligmaking, zonder welke niemand God zal zien? '" En dan sta ik daar als een alles verbeurd hebbende zondaar, die niet alleen moet walgen vanwege mijne zonden, maaf ook vanwege mijne gerechtigheden die geene zijn. Luther zegt: Het gebed, de bestrijdingen en de verzoekingen maken een Christen; in een goeden zin genomen is het ook waar, want indien onze wonden ons niet zeer deden, wij kwamen nooit tot den Geneesmeester. U vraagt ook in uw schrijven naar mijn verkeer en gemeenzaam omgaan met den Heere, en u vooronderstelt, dat ik wel altijd met mijn Koning aan de ronde tafel zit en verzadigd word van zijne lekkernijen; maar ik moet u zeggen; als Hij

komt, dan heeft Hij altijd liaast; Hij mag niet vertoeven; maar als Hij is weggegaan, dan zijn mijne gedachten aan zijn zoete tegenwoordigheid in mijne ziel als in een gewenschten zomer; dan moet Satan wijken; en als gij nu vraagt aan mij: at is dan toch de grond uwer zaligheid? dan zeg ik: ie grond ligt geheel buiten mij, in den volzaligen Drieëenigen Verbonds-God, Jer. 31 : 3) want zelfs het geloof, hoe dierbaar ook en door den Heiligen Geest in mijn harte gewerkt, heeft geen penning voor de vergeving mijner zonden betaald, en alle de overige genadens, waarmee des Konings Dochter inwendig versierd is, en al het heerlijke licht waar engelen en menschen in de strijdende en verheerlijkte Kerk in mogen deelen, ik zeg u, als Jezus Christus, de Zonne der gerechtigheid, opgaat in mijn hart, dan verdwijnt mijn licht met alle de geschapene lichten van zon en maan en sterren; want er staat geschreven Jes. 30 : 26: Het licht der maan zal zijn als het Mcht der zon en het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen, ten dage als de Heere de breuke zal verbinden." Dan gaan onze lichten uit; want dat is op zijn best genomen niet meer dan een brandend nachtpitje. Neen, lieve zuster, wij zijn allen in Gods rekenboek als enkele nullen; nu, probeer het, schrijf uw lei vol met nullen en spreek dan het getal uit; dan zult gij zeggen: at is geen getal om uit te spreken, want het is niets; maar zet er nu een i voor, dan wordt het een getal dat waarde heeft. God is een, wij allen zijn nul. Jes. 40 : 17; daarom is er laaar éen naam onder den hemel gegeven, door welken wij moeten zalig worden. En die een, die aan het kruis genageld werd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking; die daar uitriep: Het is volbracht!'' Dat bloed en water vloeide, toen die krijgsknecht met een speer het hartevlies onzes Heilands doorstak, uit zijne zijde: loed tot wegneming onzer scliuld en ontheffing van den vloek der wet, maar ook water tot reiniging en wegneming onzer zonden, zooals gijzelve klaagt, toen gij die, jongens het vogelnestje zaagt verstoren, dat het om uwe zonden was. Maar die inwonende zonden, zij zullen eenmaal voorgoed worden weggenomen, bij ons heengaan uit deze wereld.

Aandoenlijk js het ook, hoe broeder Bechthold toen reeds, nog in de eerste dagen van het Conflict, de bede slaakte:

0 Heere! kom dan, breng de oudste en de jongste zuster tezamen aan uw verbondstafel en wees Gij dan de Voorzitter van dezen geestelijken disch.

Van al de motieven, die onze tegenstanders ons hebben toegeschreven, vindt men hier zvyeem noch spoor.

Integendeel, dit schrijven ademt een zachtmoedigen en teederen geest, waarbij het bestaan hebben van zulke motieven eenvoudig ondenkbaar is.

En dat in een brief, waarbij nooit aan publicatie is gedacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Bij den uitgever

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1890

De Heraut | 4 Pagina's