Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

In de netelige

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In de netelige

7 minuten leestijd

In de netelige quaestie, hoe van kerkeraadswege te handelen zij tegenover hen, die de plaats gegrepen hebbende reformatie der kerkregeering óf niet achten óf tegenstaan, meenen we duidelijk te hebben aangetoond, hoe precair door eigen vroegere zonde, de verhouding van den laat-bekeerden kerkeraad is tegenover al zulke leden der kerk van Christus, die reeds veel vroeger tot handelen overgingen, en ten deele reeds zelven tot kerkformatie voortschreden.

Daarbij echter bespraken we nog alleen het geval, gelijk zich dit te Rotterdam, Voorthuizen, Bunschoten en elders voordeed, dat de in functie zijnde kerkeraad zelf tot reformatie kwam.

Doch veel pijnlijker nog wordt uiteraard de verhouding in die tal van plaatsen, waar de in functie zijnde kerkeraad nog altoos volhardt in zijn onderworpenheid aan de valsche organisatie, en niet het opzienersambt, maar het ambt der geloovigen de reformatie tot stand bracht.

In zulke kerken toch komt de zaak feitelijk zóó te staan, dat achtereenvolgens twee of drie groepen van geloovigen zich door den bestaanden kerkelijken toestand bezwaard gevoelden; oordeelden niet langer lijdelijk te mogen berusten; en zich gerechtigd achtten, om tot maatregelen van behoudenis in de plaats hunner woning over te gaan.

Sta men ons toe die groepen gemakshalve A, B, C te noemen, en haar optreden te binden aan de jaren 1834, 1870 en 1886, Nu is aan alle deze groepen in hoofdzaak één beginsel gemeen. Gemeen namelijk het beginsel, dat in de kerk van Christus elk belijder des Heeren mede-verantwoordelijk is voor den staat en de regeering zijner kerk op de plaats waar hij woont.

Het echt-Gereformeerde beginsel dus, dat niet gelijk bij Rome de hiërarchie, en niet gelijk bij de Lutherschen alleen „de kerende kerk" (Ecclesia docens) voor de regeering der kerk aansprakelijk is, maar dat die verantwoordelijkheid mede rust op de leden der kerk.

Krachtens dit beginsel hebben dus deze drie groepen, elk te heurer tijd, geoordeeld, dat de deformatie zóó verre was gekomen, dat men niet langer stilzitten mocht.

Niet één dezer groepen heeft uit Labadistisch beginsel gehandeld. Niemand toch oordeelde den toestand der kerk onhoud­ baar, omdat er hypocrieten tot het kerkelijk gezelschap behoorden, of omdat ze Gods werk in de nog onbekeerden onmogelijk achtten.

En ook heeft geen dezer groepen uit Independentistisch beginsel gehandeld; want keer op keer heeft men aanstonds herstel der kerkenordening van 1619, die elk Independentisme afsnijdt, als eerste punt op het kerkelijk agendum geplaatst.

En ook is nimmer Separatisme bedoeld; want nooit heeft zich iemand van de kerk van Cliristus afgescheiden, maar zich alleen losgemaakt van wat men oordeelde niet langer de institutaire kerk van den Christus te zijn.

Wel wordt hiermee niet ontkend, dat de zonden in het menschdijk hart, waaruit Labadisme, Independentisme en Separatisme opkomen, niet in elk dezer drie groepen aanwezig waren, en bij enkelen die meededen, sterker spraken dan goed was, maar, met de feiten der historie en de getuigenissen der woordvoerders voor zich, kan niemand naar waarheid ontkennen, dat niet elk dezer drie keeren met allen ijver geijverd is, om deze drie woekerplanten van het kerkelijk leven uit te bannen.

Dat desniettemin deze drie groepen, elk op heur beurt, een anderen weg insloegen, om te komen waar ze wezen wilden, moet dan ook eenvoudig verklaard, ' uit verschil van inzicht in de regelen der Gereformeerde kerkregeering.

Aanvankelijk was van deze zaak nog bitter weinig studie gemaakt, zoodat wie eerst handelde nog door weinig helder licht beschenen wierd. Van lieverlee is deze studie opgekomen, en alzoo meer en meer licht over het te volgen pad opgegaan. En eerst in de latere tijden heeft die studie dat ernstig karakter aangenomen, dat hope biedt op het allengs geraken tot een volkomen helder en juist inzicht.

Doch wie zal zich nu vermeten, omdat hij langer zondigde, en later kwam, en dus meer licht op zijn weg zag 'stralen, anderen te oordeelen, die vroeger braken, en eerder optraden, en dientengevolge nog in de schemering en ten deele njg in duisternisse handelen moesten.

En hoe zou een kerkeraad die thans krachtens het ambt der geloovigen is opgetreden, zich ooit het recht mogen aanmatigen, om in hoogheid des harten op aftdtren neder te zien, die bij minder licht, maar ook bij minder langdurige zonde, reeds in vroeger jaren zij het dan al e.en minder zuivere lijn trokken.'

Dit ware een zelfverheffing, waarop geen zegen zou kunnen rusten.

Voor ons is het geen oogenblik aan twijfel onderhevig, dat de juistere methode van reformatie den eisch stelt: i". dat men beginne met de in functie zijnde opzieners te vermanen, te waarschuwen en tot reformatie te dringen, 2". dat men om een kerkeraad te formeertn alle leden der kerk, die hooren willen, saam moet roepen; en 3". dat men niet opnieuw de kerkenordening van 1619 moet invoeren, maar verklarea moet dat ze vanzelve weer geldigheid erlangt, en dat dus een statuut als dat van 1869, dat vkk tegen de beginselen van deze kerkenordening indruischt, evenmin recht van bestaan heefc als de Organisatie van 1816.

Maar hoe vast we hiervan ook overtuigd zijn, en het betreuren, dat niet én in 1834 én in 1870 in dien geest gehandeld is, todi mogen we niet verhelen, dat wij, hadden we in 1834 of 1870 zelven moeten handelen, dit juister inzicht evenmin zouden bezeten hebben.

En als ons nu, voor Gods oog de keuze gesteld wordt: Wat was beter, toen reeds min zuiver te handelen, of wel niet zoo onzuiver te handelen, maar om nog geheel in den zondigen toestand te blijven hangen.' dan spreekt het toch vanzelf, dat in 1834 en 1870 bij ons de grootere schuld was..

Dat thsns in 1886 óns eeriigszins helderder licht bescheen, is niet onze verdienste. Dat was vrucht der weer ontluikende Christelijke wetenschap. Wie eerst tegen den middag uit zijn slaap ontwaakt, heeft aan licht geen gebrek.

Had dat licht reeds even helder in 1834 en 1870 geschenen, nooit ware er een Statuut van 1869 in de wereld gekomen.

Wat ons persoonlijk aangaat, blijft voor ons altijd slechts dit over, dat wij tot 1886 in den zondigen, ongezonden en veroordeelden toestand zijn blijven voortleven.

Hieruit vloeit dus voor de tot reformatie gekomen kerkeraden het zeer pijnlijke gevolg voort, dat de vroegere groepen, te meer nu deze reeds tot een eigen kerkelijke formatie gekomen zijn, toch niet maar zoo voetstoots doen kunnen, als lag er niets tusschenbeide.

Ongetwijfeld zou het koninklijker van deze groepen gehandeld zijn geweest, indien ze desalniettemin onverwijld de gebiedende noodzakelijkheid gevodd hadden om door minncUjke schikking, op staanden voet, aan alle verd.ere verdeeldheid een einde te maken, en zoo beide kerkeraden in elkaar waren gevloeid.

Maar vergeet niet, dat elke kerkformatie kerkbezit met zich JDrengt, en dat dit booze bezit van hout en steen altoos hinderlijk aan vereeniging van wat saam hoort in den weg staat.

Los geld zou niet hinderen.

Dat kon men van hand in hand overgeven. Maar een gebouw van hout en steen' moet een eigenaar hebben.

Hangt nu deze eigenaar eenmaal met het Statuut van 1860 saam, dan is het, o, zoo moeilijk dezen knoop te ontwarren.

Zoo wordt het ijzer dat men saam wou smeden, en dat eerst terdege warm was, weer, o, zoo koud.

Het hart gaat zwijgen. Allerlei gevoeligheid begint te prikkelen. Lagere overwegingen krijgen de overhand. En het eind is, dat men de zaak zitten laat gelijk ze zit.

En, helaas, is men eenmaal op dit onheilig vriespunt aangekomen, dan komt de gemakzucht van het zondig hart zoo licht boven, en wint zoo licht de overtuiging veld, dat het zoo ook maar het beste is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juni 1890

De Heraut | 4 Pagina's

In de netelige

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juni 1890

De Heraut | 4 Pagina's