Ingezonden Stukken.
{Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).
Aan den Weleerw. ZeerGel. Heer den Heere Ds. W. F. A. WINCKEL te Oudew& ter,
Ifeleerni. ZeerGel. Heer!
U hebt een fout, die in mijne brief geslopen is, hersteld. Terecht, zegt u, dat in België geen Staatskerk bestaat. Deze verbetering toont van zelf aan de onnauwkeurige naam van Staatskerk gegeven aan onze Belgische Synodale kerk. Ook maakt onze kerk geene bij zondere uit, zij is een samenstelling van gemeenten levende onder dezelfde grondwet, zich zelven de naam gegeven hebbende van Union des Egliaes Frotestanies Evangéliqties de ld Belgique. Daar u in uwe brief zijt gebleven binnen de grenspalen van verfijnde en voortreffelijke beleefdheid, hoop ik dezelfden weg in te slaan, echter moet ik die arme Belgische Synode rechtvaardigen, waarover U gal hebt gestort, en waarvan U verscheidene dingen hebt gezegd, die geen waarheid bevatten. Volgens u zou men kunnen gelooven, dat onze gemeenten, ten gevolge van heerzuchtige maatregelen genomen door de Synode niets beter vroegen dan van hare hiërarchie ontslagen te zijn. Ook zou men een wezenlijken dienst bewijzen, dit onnuttig en hinderlijk raderwerk op te heffen. De gemeenten zouden dan van hunne slaafsche dienstbaarheid ontheven zijn, en voor de eerste maal, in vrede ademen.
Op welk een dwaalspoor heeft men u toch gebracht. Indien er klachten zijn ingekomen, hetgeen mij onbekend is, tegen de Synode, zij spruiten niet voort uit onze gemeenten. Onze Synode geniet de achting van al hare kerken, in alle moeielijke gevallen vraagt men raad, in een woord, daar waar hare tusschenkomst wordt noodzakelijk geoordeeld, worden hare besluiten zonder klachten of twist aangenomen. Die verschrikkelijke dwingelandij van de Synode, dat u doet kennen met meer scherpheid dan christelijke sympathie komt voort, volgens n, doordien de Synode met een onbepaalde oppermacht over de kerken heerscht, en deze macht, wat nog verschrikkelijker is, ondersteund wordt door den Staat. Dat wil zeker zeggen, dat om hare besluiten ten uitvoer te brengen, de Synode de bevoegdheid heeft zich te beroepen op de wereldlijke macht. De rechten der Synode zijn uitgedrukt in art. 15 van de statuten van 1839, die aldus luiden:
I. De Synode houdt zich bezig met alles wat in het belang der Belgische' Protestantsche Evangelische kerk der Unie is. Hoe echter ?
1. De wetten voorschrijvende bij het benoemen van predikanten (art. 5—9).
2. Zich mengende in de pogingen die strekken om de wettelijke erkenning voor die kerken te verkrijgen, die in de Union willen treden (art. 22—25)
3-Uitoefende het ambt van scheidsrechter in verschillen die ontstaan in de kerken (art. 25-35)-
4. Om voor het algemeen welzijn der kerken te werken telkens als de gelegenheid zich voordoet. Ziedaar wat art. 15 behelst, dit is de geheele werkkring der Synode. Ik daag u uit mij het tegendeel te bewijzen. Waar is nu het despotisme waarvan u spreekt ? Gij zegt ook dat de zelfstandigheid der plaatselijke kerken IS vernietigd, de kerkeraden geen macht hebben. Art. 2 van de Statuten zegt: De kerken van de Union gedoogen geen heerschappij noch voorrang van de eene gemeente over de andere, en genieten dus een geheel volledige onafhankelijkheid en volmaakte gelijkheid. Ook houd ik vol dat de gemeenten die vrijheid in waarheid hebben. Wat kan een gemeente meer verlangen? Uwe beschuldiging valt dus in het water. Doch wellicht verblindt u de benaming kerkelijk gezag, volgens art. 40, en door het gouvernement goedgekeurd. Maar wat is daarin ver derfelijk voor de gemeenten ? Om de kerken aan het gouvernement voor te stellen, en haar als orgaan dienende, moest het lichaam, die haar in zich vereenigd, niet bekleed worden met een karakter van overheid ? Wat vraagt men aan het gouvernement volgens art. 40? Dat zij de Synode wil beschouwen als een geestelijke overheid voor de kerken van de Union, dat wil zeggen, als het lichaam, die haar officieel bij hen zal voorstellen.
Misschien, zegt ÜEerw., het is juist deze verheffing in kerkelijk gezag, die geeft aan de Synode een onbepaalde macht, een onbepaald gezag, gesteund door den Staat. Wilt u daarmede zeggen, dat de Synode doen kan wat zij wil, en dit bewijst, dat hare besluiten beschouwd worden als de uitdrukking van den wil der Protestantsche Evangelische kerken in België. Ik antwoord: De Synode in de oogen van het gouvernement en tegen over de kerken van de Union is geen kerkelijk gezag, dan voor zoo ver hare Statuten het toelaten. En in die Statuten vindt men niet het minste wat de volle vrijheid der gemeenten belemmerd, noch de gelijkheid ontneemt. Ook zegt u, het doelwit gevolgd door de Statuten van 1839 was een hiërarchie in te voeren, een absoluut gezag den kerken op te dr, ingen. In de Union wordt niets daarvan gevonden. Gij gaat niet, veronderstel ik, daaraan gelijkstellen de daarstelling van een aanhoudende directie der Synode voor de loopende zaken, te regelen in de tusschentijd van de zittingen der Synode ? In die Synodale directie staan alle leden op dezelfde lijn, de een is niet meer dan de ander. En hoe wil men nu een hiërarchie daarstellen in een kerkelijk lichaam, waarvan de leden niet meer dan voor een jaar gekozen zijn. Onze regeeringsvorm is die der presbyteriaansclie kerken, die overheerlijk alle hiërarchie verachten. Ook zegt u om van de Union deel te maken, moet een gemeente vooraf erkend zijn door den Staat. Een R. C. gezag moet besluiten of een gemeente Protestant is, al of niet, en dat gezag kan handelen zooals het wil. Bovendien de erkenning en geldelijke ondersteuning van den Staat zijn de voorwaarde sine qua non van opneming in de Union. Ik antwoord:
1. Het is niet een R. C. gezag dat besluit of eene gemeente protestant is al of niet, maar wel de Synode.
2. De erkenning en de geldelijke hulp van den Staat zijn niet de voorwaarde sine qua non van aanneming in de Synode. Leest, Weleerw. Heer, art. 3. Eene gemeente die zich bij de Union wil aansluiten, moet de statuten der Synode aannemen. Zoo heeft de Synode in 1889 aangenomen de tweede Duitsche Protestantsche gemeente te Antwerpen. Was die bij hare aanneming erkend door den Staal? Geenszins.
3. Een kerk kan erkend worden door den Staat, zonder deel te maken van de Union Bewijs: de liberale Protestantsche gemeente te Brussel is door den Staat erkend. En dit is genoeg om omver te werpen al wat u hierover hebt geschreven. Zoo zegt u ook nog »de band die de verschillende kerken verbindt is niet een gemeenschappelijke belijdenis, maar het ontvangen van Staatsgeld". Ik vermoed waaruit u die beschuldiging en hatelijke onwaarheid gehaald hebt. De soi disant Synode is ook den trechter, waardoor het Staatsgoud aan de kerken toevloeit. Nu, de Synode heeft volstrekt niets daarin te zien. Het voorbeeld van de liberale Protestantsche kerk te Brussel bewijst u dat. Edoch ik bewonder in die uitdrukking zg. Synode en trechter, uwe Christelijke eenvoud en oprechtheid Het lijdt geen twijfel dat in de eerste jaren van het bestaan der Synode, deze niet voordeelig was voor het werk der Evangelisatie, dit beken ik openhartig, — dat was verkeerd, maar hoe lang heeft dat geduurd ? In 1844 stichte men een Comiteit van Evangelisatie. — En hebben voor dien tijd niet predikanten rondom zich, en buiten hunne werkkring geëvangeliseerd? Dat de Synode in 1840 goeddacht zich te scheiden van de Société Evangélique was minder de Synode, dan wel de Synodale directie, die onregelmatig handelde door het gouvernement een protest aan te bieden, hetwelk eerst door de kerkeraden der verschillende gemeenten had moeten zijn goedgekeurd. De Synodale directie van 1840 is gegaan boven hare rechten, en op de daaraanvolgende Synode is hunne handelwijze in het geheel niet met algemeene sympathie bekroond.
Ook heeft de Synode eene geloofsbelijdenis. Het is waar, in de statuten van 1839 is zij niet ingeschreven. UEerw. vindt ze in de latere herziene gepubliceerde statuten van 1852 art. 30. En bij de latere nieuwe herziening is de Synodale geloofsbelijdenis van plaats veranderd. Zie uitgave 1889 art. 35. Wat aangaat de toestand der kerken in de Unie, deze zijn ver van ongunstig met het oog op hare vrijheid. Dit toont ook genoeg het voorbeeld dat UEerw. aanhaalt van eene vrije kerk, die vraagt om toegelaten te worden. Onze kerken zijn vrij, zij zijn aan geen slavenjuk, maar aan Gods Woord gebonden, veel vrijer als elke vrije kerk Het bewijs is gemakkelijk te maken, doch onnoodig. Dat er in sommige onzer kerken liberale en moderne leden zijn, zooals UEerw. zegt, is in Nederland niet minder het geval. Wilt u dat men ze uit de gemeente wegjaagt, of dat zij zich van zelf afscheiden? Zoeken we hen maar met Gods hulpe van de waarheid van 's Heeren Woord te overtuigen, en zoo het middel in Gods hand te zijn, hen op den rechten weg te brengen. En wat leert ons het Evangelie, spreekt dat van een vrijwillige of genoodzaakte scheiding. Het is tot den Heere Jezus, dat men deze vraag diende te richten. Ik zeg u, dat het niet aan u noch aan een ander persoon is, wie hij ook zijn moge een soi teering in de kerk te maken (zie Math. 13 : 30).
Veroorloof mij u ook op te merken dat van 1839 tot 1890 de afstand groot is, terwijl u spreekt alsof de Synode maar een jaar bestaan heeft. W^ij zijn niet in 1840, we zijn in 1890. Wees zoo goed die afstand van vijftig jaren niet te vergeten, die ons van 1840 scheidt. E»oet gelijk de tijd, Weleerw. Heer, en belast niet de menschen van heden, met overtredingen van anderen van vroeger jaren.
Dit is niet een liefdelijke wijze van handelen. Wij zijn wel hunne opvolgers, maar niet erfgenamen, noch in geest, noch in handelingen, Diegenen de de Synode in 1840 kenden en nu in 1890 zagen, zouden het onderscheid zien. Statuten en reglementen zijn niet die van vroeger, en het personeel ook niet. Men houdt zich aan Gods Woord als de grondslag van ons geloof, komt broederlijk te zamen en werkt in Gods kracht tot uitbreiding van Zijn Rijk. En nu nog een woord, het is voor mij iets onbegrijpelijks dat sommige menschen lust hebben altijd ons te beoordeelen. Daar wij genoeg hebben te doen, en zeer veel arbeid I ons roept, laten wij anderen gerust en het oordeel over aan Hem voor wiens rechterstoel wij allen moeten verschijnen. Duidt het mij ook niet ten kwade dat ik op uw geschrijf nu niet meer denk te antwoorden, en eenvoudig hen die belang stellen in onze Belgische kerk verwijs naar de statuten en reglementen. Betreffende diegenen, die zich op een rechterstoel zetten om in een zaak te beslissen, die hen niet aangaat, beperken wij ons met hen te verwijzen naar Rom. 14:4.
Hoogachtend verblijf ik
Uw Dienstw. dnr.
J. H. C, WAGENER
vice-president der Synode en predikant te Antwerpen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 september 1890
De Heraut | 4 Pagina's