De Ethischen in den lande
Amsterdam, 3 Oct. 1890.
De Ethischen in den lande hebben zich over het tegenwoordig Kabinet waarlijk niet te bekladen.
Nog geen woord is door dit Kabinet gesproken, waaruit zou zijn af te leiden, dat het de hand wil slaan aan de kerkelijke quaestie. Alle theologische laculteiten v/oraen nog op Scaatskosten onderhouden. Van een reorganisatie der Indische kerk hoort men niets meer. Prof. Gunning is door dit Kabinet aan de Leidöche Academie gebj-acht. En nu nog onlangs verscheen de Mmister Mackay op hun Zendingsconfsrentie, zonder dat men vernam dat ooit nog soortgelijke conferentie van Christelijke Gereformeerde of Ned. Geretormeerde zijde sjehouden, met eïn ministerieel bezoek vereerd wierd.
Bedenkt men nu, dat de Ethische richting in den lande zich bij de stembus en in de pers steeds feller tegen dit Kabinet uitlaat, en niet schroomt, om zich openlijk aan de zijde der Uberalen te plaatsen, ten einde den val van dit Kabinet te verhaasten, dan zal men toegeven, dat de dankbaarheid hierbij geen bijster groote rol speelt, en dat ons Kabinet in zeer bijzondere mate de kunst in practijk brengt, om zijn tegenstanders te zegenen.
Op zich zelf hebben wc hier dan ook niets op tegen; mits op beding dat ons de vrijheid onverkort blijve, om ook bij een bevriend Kabinet met ernste en aandrang voor wat ons in het welbegrepen belang des lands noodzakelijk voorkomt, aan de deur van den Ministerraad aan te kloppen.
En dan blijft het onze overtuiging, dat ons volk op den duur met ^^^« halve maatregel te helpen is, ook niet op kerkelijk terrein.
niet op twee ge Onze Overheid mag dachten blijven hinken.
Hoe uitnemend het toch is, dat ze in de Troonrede verklaren kon, bij alle werkstakingen, die voorkwamen, steeds voor handhaving van orde en rust zorg te hebben gedragen, toch is hiermee de sociale nood ook van zijn kerkelijke zijde niet weggenomen.
Men kan, dit wordt al meer ingezien, tegen de sociale beroering in onze maatschappij niet op den duur met geweld optreden. De oorzaak van deze beroering moet tot stilstaiïd gebracht. En overmits ia deze beroering allerlei geestelijke factoren meewerken, ziet men zeer terecht op de kerken Christi in deze landen, en vraagt, waarom deze niet beter heur verplichtingen tegenover de lagere klassen nakomen.
Die vraag is gepast.
Hangt tcch meer dan men vermoedt voor onze nationale en sociale ontwikkeling af, van de algemeene geestelijke begrippen, waarin ons volk wordt opgevoed, en van de gemoedsstemming die in ons volk wordt aangekweekt, dan ligt het voor de hand, dat men zich afvraagt, waarom met name de Protestantsche kerken ten deze zoo weinig op haar leden vermogen.
Was elke kerk reëel, d. w. z. zorgde elke kerk er voor, dat de leden die zij onder de arbeidende bevolking bezit, met hun gezinnen, een behoorlijke religieuse opleiding ontvingen, dan zou er geen oogenblik gevaar voor de toekomst bestaan.
Men ziet het aan de kleinere kerkengroepen, die hoofd voor hoofd haar leden kennen, en er op inwerken, en die ook wel met revolutionaire denkbeelden te worstelen hebben, maar juist door haar meerdere realiteit de middelen bezitten, om in gees telijken zin op de volksmassa in te werken, een betere gemoedsstemming aan te kweeken, zuiverder beginselen in te prenten, armoede te voorkomen, en lijden te lenigen.
Hier moet onze Overheid mee rekenen.
Ze mag het niet langer aanzien, dat ons kerkelijk leven, wel verre van een dam tegen den revolutionairen stroom op te werpen, veeleer dit booze element in den volksgeest bevordert.
Ze moet dus kiezen ot deelen.
Acht zij het standpunt te moeten blijven innemen, dat de Staat geroepen is zich in de kerkelijke aangelegenheden te mengen en de kosten van het kerkelijk leven te blijven dragen, goed, het zij zoo, maar dan doe ze dit ook met ernst.
Dan make ze een einde aan de bespotting, om voor het kerkelijk leven slechts een zoo schamele som uit te keeren, dat alles armelijk moet toegaan, en er op verre na niet in den geestelijken nood kan voorzien worden.
Meer dan duizend personen kan niemand geestelijk voor zijn rekening nemen, en zoo zorge ze dan dat in Amsterdam b, v, op de 400, 000 inwoners, minstens 400 kerkelijke - dienaren behoorlijk door haar bezoldigd v/orden; en wel bezoldigd niet op een voet, die dwingt om in allerlei bijwerk een nevenverdienste te zoeken, maar zoo dat de gesalarieerde er geheel van leven kan. Een inkomen van f 3000 is het minste dat ze dan voor Amsterdam geven kan. En alzoo stelle ze voor Amsterdam alleen 400 X ƒ 3030, d. \.j 1, 200, 000 beschikbaar.
Blijit de Overheid voor de religie zorgen, gelijk ze voor het onderwijs zorgt, dan zij ze niet langer voor het onderwijs overmild en voor de religie schrielkari^, maar mete voor beide m: t gelijke maat. Ze zorge dan ook voor goede, behoorlijke gebouwen, waarvan er, naar den maatstaf van Edinburg, b.v. in Amsterdam alleen minstens nog een zestigtal zouden moeten verrijzen.
Kortom het budget van Eeredienst klimme en stijge dan aldoor, en kome niet tot rust, eer het eèn totaal van tien millioen bereikt hebbe.
Doch wil men dat niet, en ziet men in, dat dit stelsel juist xx'X religieus oogpunt verkeerd zou werken, dan ga ze ook niet op den ingeslagen weg voort, maar zoeke tot vrijmaking der kerk en wegneming der Staatsbemoeiing te komen.
Waar de kleinere burgerij in de Christ. Geref. en Ned. Geref, kerken nu reeds toonde, hoe zelfs het min gegoede deel der burgerij in staat is, om 1". bij te dragen voor de andere kerkgenootschappen in de belasting, en 2". geheel in eigen behoeften te voorzien, — daar zie de Overheid in, hoe althans de meer gegoede klasse zeer wel in staat zou zijn, uit eigen beurs ook kerkelijk te leven.
Dan zal ook onder die kringen het kerkelijk leven reëel worden. Alle kerken zullen reëel in haar geestelijke werkzaamheid zijn. Een bron van altoos nieuwe, netelige geschillen zal gestopt zijn. En de invloed door de Protestantsche kerken op de bevolking zal worden wat hij zijn moet.
Toch wenschten we nimmer, dat tot zulk een stip met overhaasting zou worden overgegaan. Steeds waren we bereid, om wie iets pretendeerde, zijn pretentie zoo lang mogelij< te gunnen.
Al wat we vroegen was maar, dat de Overheid positie nam; toonde dat ze een beginsel had; en een begin met de zaak maakte, door althans orde te brengen in den chaos.
Een wet, constateerende wat op dit oogenblik de staatsrechtelijke positie der onderscheidene kerkgenootschappen was, en die dus organiek verklaarde wat in het Grondwetsartikel zoo twijfelachtig en globaal is uitgedrukt, zou daartoe leiden kunnen.
Hiertoe konden alle partijen medewerken.
Dan wist men waar men aan toe was, en bezat men de basis voor verdere verrekening en handeling.
Toch hoort men van niets.
En ook de Kamerleden namen dusver een bedenkelijk stilzwijgen in acht.
Mag dit zoo voortduren?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1890
De Heraut | 4 Pagina's