Naar we vertrouwen
Naar we vertrouwen durven, is het verschil goed gevat tusschen de drieërlei wijzen van spreken, die in de „vergadering der geloovigen" kunnen plaats grijpen.
Komen in die „vergadering" eenerzijds de „geloovigen" en anderzijds God met ken saam, dan kan óf God tot de geloovigen, óf de schare der geloovigen tot zijn God, of één der geloovigen tot zijn medegeloovigen spreken.
God nu spreekt tot de „geloovigen" Jn den dienst des Woords.
De geloovigen spreken tot God in den dienst der gebeden en van den lofzang.
En de geloovigen spreken tot elkander in de oefening en in het vermanend lied.
Hierdoor nu springt het verschil tusschen den dienst des Woords en de oefening terstond helder in het licht. Deze twee blijken heel iets anders te zijn. Het ééne is een spreken van God tot ? ijn volk, het andere een spreken van een der broederen tot de broederen.
Dit nu zou dan ook nooit verward kunnen zijn, bijaldien God rechtstreeks sprak. iVïaar dit is riist zoo. God de Heere gebruiltt voor zijn spreken tot de > vergadering der geloovigen" altoos den dienst van een mensch, en in den regel den dienst van een mensch die zelf tot de „vergadering der geloovijen" behoort.
En hierdoor nu kwam de verwarring.
Nu tcch stond, ook als God zijn volk toespreekt, één der broederen tot de overige broederen te spreken, en hierdoor raakte men het spoor bijster.
Vandaar dat heel de «aak herleid moet tot een juiste beschouwing van het ambt. Immers als er dienst des Woords plaats heeft, spreekt iemand, die in het ambt staat; en als er een oefening wordt gehouden, spreekt iemand, die geen ambt heeft.
Beide malen .spreekt een mensch; beide malen één der broederen; maar de ééne maal een mensch in het ambt, ^Ti de andere maal een mensch buiten het ambt.
Dit is het alles afdoend en beheerschend verschil, en wie dit verschil niet vat, of uit het oog verliest, moet de zaak wel bederven.
Wie als dienaar des Woords niet weet en gevoelt, dat hij als drager van het ambt spreekt, en niet spreekt gelijk in het ambt moet gesproken vvjrden, verderft den dienst des Woords en wardt oefenaar.
En zoo ook, wie als oefenaar niet weet en gevoelt; ik spreek buiten het ambt als broeder tot de broederen, en niet spreekt gelijk het een broeder betaamt, verderft de oefening en bootst iets na, dat hij niet is.
In het ambt of buiten het ambt, ziedaar de grenslijn.
VVat dit nu verschilt, is voor ieder duidelijk te maken.
Als er twee op het stadhuis komen om te trouwen, en de burgemeester of wethouder is er niet, en een goed vriend ging zeegen: „Och, dat hindert niet; ik zal u wel helpen; " en hij ging achter de tafel staan, en sprak precies dezelfde woorden, die anders de burgemeester of wethouder spreekt, zouden die twee niet getrouwd zijn.
Er zou een nabootsing van een huwelijkssluiting, een huwelijksspelletje plaatsgrijpen, rnaar het zou^^^« huwelijkssluiting zijn. Een huwelijk sluiten kan alleen het ambt.
Ligt dat nu aan dien persoon 1
Och, neen. Mogelijk dat die goede vriend het veel oprechter meende, en dat de burgemeester of v/ethouder een doordraaier is. Mogelijk ook dat die goede vriend zelf getrouwd is en er dus veel meer verstand van heeft, en dat die burgemeester of wethouder een ongehuwde vlasbaard is.
En toch doet dat alles aan de zaak niets af. Deze goede vriend met al zijn ervaring en al zijn liefde en al zijn ernst, kan u niet trouwen, enkel en alleen omdat hij geen recht heeft ie spreken in naam des Konings.
Wil dit nu zeggen, dat die burgemeester of wethouder een gepatenteerd huwelijkssluiter is?
Ook dit niet.
Ook dit niet. Stel toch die burgemeester of wethouder is uw huisvriend. Hij zit bij u aan de thee. Toevallig hebt ge een dochter die juist trouwen wil, en de jongman, die haar trouwen zal, is er bij. Maar al stond nu de burgemeester op, ging achter uw theetafel staan, en sprak precies hetzelfde, wat hij anders • bij een huwelijkssluiting sprak, zoo zou dit toch geen huwelijk zijn.
Ambtelijk kan ook hij alleen handelen op dien tijd en op die plaats die daarvoor wettig besteld is.
En zoo nu ook is het hier.
Best mogelijk dat uw goede vriend de oefenaar, een man van veel ervaring is; een man vol van geloof en liefde; en dat hij het in al die opzichten zeer verre van den Dienaar des Woords wint; maar al gaat deze oefenaar nu ook op den preekstoel staan, en al spreekt hij juist, zooals een Dienaar zou gesproken hebben, toch is en blijft dit geen Dienst des Woords, eenvoudig wijl hij niet in het ambt is.
En omgekeerd, al spreekt deze Dienaar des Woords morgen in een Evangelisatie, en ook al houdt hij daar precies dezelfde predicatie, die hij Zondags in zijn kerk hield, toch is ó.ix.geen Dienst des Woords, en niets dan een mislukte oefening; eenvoudig omdat de Dienaar slechts dan ambtelijk optreedt, als hij dit doet in de „vergadering der geloovigen", wettig door den kerkeraad saamgeroepen, en op plaats en tijd daarvoor door den kerkeraad verordend.
Altoos dus weer het ambt.
Indien er een jaar geleden een brief in den Haag was gekomen, onderleekend Bismarck, waarin van ons geëischt wierd, dat we het Ci7; ? ^(7-tractaat op staanden voet zouden teekenen, zou heel onze Regeering ontroerd zijn, daar dit oorlog of onderwerping beduidde. Maar als thans zulk een brief aankwam, zou onze Regeering even glimlachen en den brief stil naast zich neerleggen. Eenvoudig omdat Bismarck toen in het ambt stond, maar nu er uit is,
In of binten het ambt maakt dua «/het onderscheid.
Wie buiten het ambt spreekt, spreekt voor zich zelf; wie in het ambt spreekt, spreekt niet voor zichzelf, maar namens een ander die hem daartoe last en macht gaf.
Een oefenaar, buiten het ambt staande, spreekt dus voor zijn eigen persoon; maar een dienaar, in het ambt staande, spreekt niet voor ? ich zelf, maar in naam van zijn Koning.
Een oefenaar, omdat hij in zijn eigen persoon opstaat, is vrij; een dienaar, omdat hij namens Koning Jezus spreekt, is gebonden.
Het is een verschil als tusschen een minister en een lid der Staten-Generaal.
Ook een lid der Staten-Generaal kan voor den Koning opkomen, en in de Tweede of Eerste Kamer uitnemend goede woorden spreken, maar nooit kan hij namens de Regeeting spreken, en nimmer staat hij dus in naam des Konings. Een minister daarentegen is ambtshalve geroepen voor de rechten des Konings op d ta treden, en draagt steeds de verant h a woordelijkheid dat hij in naam van zijn w Souverein .spreekt, en dus spreekt met l gezag. Hij is gebonden, het Kamerlid is vrij.
Dus kan esn Dienaar des Woords buiten ijn ambt wel als oefenaar optreden, b. v. n een EvangePsatie of particuliere vergaering, maar een oefenaar kan nooit als ienaar optreden, omdat hij zich het ambt iet kan of mag aanmatigen. d m t a h
En zoo ock kan een minister, in een particuliere vergadering wel als een gewoon burger buiten zijn ambt spreken; maar een Kamerlid kan zich nooit het recht aanmatigen, om zich aan te stellen als ware hij minister.
Daarom kan het best zijn, dat een Kamerlid beter spreekt dan een minister, en het bij het rechte eind heeft; maar dit leent aan zijn woord nog nooit één oogenblik het ambtelijk karakter.
En zoo ook is het denkbaar, dat een oefenaar beter spreekt, dan een dienaar S en de waarheid zuiverder inziet, maar dit leent aan zijn woord nog nooit één oogenblik het karakter van dienst des Woords te zijn.
Op dat ambtetijk de nadruk gelegd. karakter moet dus al de nadruk gelegd.
Als het ambt optreedt, moet in naam des Konings gesproken. Door den Minister regis in r.aam van onzen aardschen koning, en door den Minister Ferbi Divini ia naam van Koning Jezus, die aan de rechterhand des Vaders is gezeten, beltleed met souvereine macht over de „vergadering der geloovigen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 december 1890
De Heraut | 4 Pagina's