We namen een vorig maal een stuk
Amsterdam, 16 Jan. 1891.
We namen een vorig maal een stuk op van Ds. Pijnacker Hordijk, predikant te Brussel, over den slijkdienst" van wijlen Z. M. Koning Willem III; en beloofden in dit nummer op dat stuk terug te komen.
En. dan beginnen we met een woord van dank aan Ds. Pijnacker Hordijk voor zijne nadere toelichting en voor den ernst, waarmee hij zelis tegen bet vermoeden opkomt, als had zijn kerkeraad zich tot iets min goeds geleend.
Reeds hieruit blijkt ten duidelijkste dat DJ, Pijnacker Hordijk in het minst niet de bedoeling had, om in een Protestantsche kerk Roomsche usantiën in te voeren.
Toch, we zeggen het met leedwezen, levert juist de nadere toelichting, die Ds. Pijnacker Hordijk ons zond, het stellig bewijs, dat zijn kerkeraad het spoor bijster raakte.
Onze Gereformeerde kerken toch kennen geen andere godsdienstoefeningen dan „vergaderingen der geloovigen" voor den dienst des Woords en der Sacramenten.
Men kan daarom het kerkgebouw ook wel gebruiken, om er een ure des gebeds voor de zending en dergelijke te houden; maar een godsdienstoefening anders dan voorden dienst des Woords en der Sacramenten, en wel als een „vergadering der geloovigen", is ondenkbaar.
En wat is nu te Brussel geschied?
Ziehier de saamroeping voor deze dusgenaamde „godsdienstoefening, " die van den kerkeraad is uitgegaan:
«De Kerkeraad der Nederlandsche Evangelische Kerk, Place Ste.-Cathérine, 5, in overleg met het Gezantschap, heeft de eer allen, die onder den indruk zijn van het overlijden van Z, M. den Koning der Nederlanden, uit te noodigen tot deelneming aan eene buitengewone godsdienstoefening in het bovengenoemde kerkgebouw, a.s. Zaterdag 29 November des voormiddags te elf uren.
Namens den Kerkeraad,
A. PijNAGKER HORDIJK,
Predikant.
Brussel, 26 November 1890.
Place Ste.-Cathérine, 5."
Hier is dus een kerkeraad die q.q, eene „godsdienstoefening" aankondigt; maar die dit doet „in overleg met het gezantschap, " dat v/il hier zeggen in overleg met den Roomsch-Katholieken heer Baron Guericke van Herwijnen.
Meer behoefde eigenlijk niet gezegd. Reeds hiermee is de zaak veroordeeld.
Doch ook de convocatie zelve kan er niet meê door.
Als een kerkeraad een „godsdienstoefe ning" aankondigt, noodigt hij daartoe zijn leden uit. Het is een „vergadering der geloovigen", die staat gehouden te worden.
Doch wie worden hier saamgeroepen? „Allen die onder den indruk verkeeren van het overlijden van Z. M, den Koning der Nederlanden, " Dit nu waren Protestanten, Roomschen, Joden, ongeloovigen en tutti quanti. Het karakter van deze samenkomst wierd dus niet bepaald door hun belijdenis en de verhouding waarin ze tot God stonden, maar door de verhouding waarin ze zich bevonden tegenover den afgestorven Koning.
Feitelijk zijn er dan ook Roomschen, Protestanten, Joden, Atheï-iten enz, saam geweest, en het Roomsche Hof van België heeft zich officieel laten representeeren.
Bovendien is de kerk in rouw geweest, wat bij een kerk, wier Koning eeuwig leeft, niet kan; en heelt men in de kerk een »graf krans" geëxposeerd, iets wateveneens tegen onze Calvinistische tradition geheel indruischt.
En eindelijk is ïn deze > godsdienstoefening" zeer zeker ook gebeden en gezongen, en heeft Ds. Pijnacker Hordijk ongetwijfeld als voorganger gedaan wat hij kon, om, tegen alle deze onmogelijkheden in, een goede rede te houden, en in die rede goed te maken, wat heel de zaak als zaak bedorven had; maar dit wischt düarom het principieel verkeerde niet uit, omdat die rede slechts een deel was van wat plaats greep, en dus het averechtsche der saamroeping niet goed kon malren.
Een onwettig saamgeroepen vergadering van de S'aten-Generaal zou nooit wettig kunnen worden door de keurigste toespraak van den voorzitter.
Had de kerkeraad op Zondagmorgen in de gewone godsdienstoefening den dienaar des Woords verzocht, om in zijne leerrede ook ten ernstigste op het in Nederland gebeurde te wijzen; en had Ds. Pijnacker Hordijk alsdan deze leerrede gehouden, zonder rouwfloers en graf krans, en voor de leden zijner kerk, alles ware in den haak geweest. Zoo deden het onze vaderen. En dat noemden ze dan soms een lijkrede.
En zegt nu Ds. Pijnack er Hordijk, dat we toch bedenken zullen, hoe men te Brussel in een Roomsch land leeft, en daarom rekenen moet met zijn omgeving, dan zouden wij juist omgekeerd zeggen: Juist omdat ge in een Roomsch land waart, hadt ge den schijn zelfs moeten vermijden, alsof ge, uw eigen beginsel verloochenend, toegaaft aan Roomsche verlokking.
Hoezeer we dan ook de soberheid waardeeren en den ernst loven, waarmee Ds. Pijnacker Hordijk, toen de zaak eenmaal verkeerd was aangelegd, zich toch voor alle menschvergoding heeft pogen te wachten; en al slaagde hij hierin vrijwat beter dan elders; toch houde hij ons ten goede, dat we in de beginselquaestie hem niet kunnen vrijspreken.
Metterdaad is ook te Brussel door deff kerkeraad gedaan, wat geen Gereformeerde kerkeraad doen mocht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 januari 1891
De Heraut | 4 Pagina's