Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Heel de Heilige

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heel de Heilige

8 minuten leestijd

Dienst des Woords (7.)

Heel de Heilige Schrift door toont de Heere onze God ons zekere voorliefde voor kleine middelen, opdat juist daardoor de majesteit van zijn heilig doen te spreken. der zou uitkomen. Tegenover Saul wordt! een herdersknaap als koning over Israël | gezalfd. Amos wordt als profeet van achter de runderen geroepen. Da heilige apostelen v/aren goeddeels visschers op een binnenzee. En zoo nu ook ziet ge het in den Dienst ] des Woords toegaar? . Een enkele ontvangt tien, een klein aantal vijf talenten, maar verreweg de meesten niet meer dan vier cf drie of twee of ééa talent.

En let nu wel, dat dit niet uitsluitend gezegd is van hun studiegave of hun talent om te spreken, maar van geheel hun persoonlijkheid, en zoo ook van hun genadegaven.

Ook in het uitdeelen dier genadegaven betoont de Heere zich goddelijk vrijmachtig. Hij deelt aan een iegelijk gelijk Hij wil. Soms vindt ge dan een man oi vrouw, die op gansch wondere wijje met geestelijk sisraad veisierd is, en wier geestelijk goud u boeit en aantrekt door zijn teederen, zachten glans, zoodat ge u verlustigt in de aanschouwing; maar in den regel is het zoo niet; gemeenlijk zijn de gaven keriger toebed.tclJ, zocdat er wel genade i^, maar nauwüjs eenïg sieraad; en soms zelfs is het v, 'erk Gods zoo schuilend, dat ge large jaren u zelven afvraagt, of er misschien gansch geen werk van Gods genade zijn zou; tot er dan eindelijk een gebeurtenis 'i'oorkomt, die plotseling naar buiten bre.-^gt wat er inzat, en u dankbaar uit doet roepen: , Ja, waarlijk, er was dan toch genade!" Iets wat nu niet alleen met het oog op anderen, j-naar meest met het oog op den waarnemer zelven gezegd wordt; want juist wie het teeder opneemt, laoet zoo vaak in eigen hart op een enkel vonkske afgaan, waar een blakende gloed hem zoo lief zou wezen.

En dit nu zoo zijnde, moet het ftit erkend, dat met name onder de Dieï)aren des Woords maar zelden mannen voorkomen, die gerekend kunnen vsrorden tot hen te behooren, die het rijkst met geeste'ijke genadegaven versierd zijn. Komt dit een enkel maal voor, en blij'tit dit sieraad echt te zijn, dan paart zich ambtelijke genade a-n geestelijke genade, en wordt een invloed geboren, die ver over de g.'ens van hun eigen leven reikt. Dat heeft m.en aan Calvijn, aan Voetius, aan Brakel, aan Smytegelt, aan Comrie gezien. Maar nog eens, zulke mannen behooren tot de uitzondeingen.

Dit nu is niet bij vergissing. Het is duidelijk dat God de Heere zoo opzettelijk handelt. En nu is het wel waar, dat deze geestelijke lijkdom onder de Dienaren des Wocrds overvloediger zou uitbreken, zoo de kerk hen meer droeg in den gebcde, en niet zooveel zonde scheiding maakte; maar toch toont Amos, David en Pistrus, dat hier ook nog iets anders schuilt.

Want zie, als alle predikers mannen als Calvijn en Voetius, of ook maar als Brakel en Comrie waren, zou er veel te veel op den persoon des Dienaars^ en veel te weinig op de majesteit van het Woord worden gezien. Als een koning een gezant uitzendt, duldt hij nimmer dat om de uitnemendheid van dien geza\it, zijn eigen majesteit' vergeten worde. Die gezant most steunen cp zijn geloofsbrief en alzoo zijn zending waar maken door zijn aanstelling; maar nooit mag hetgeen namens dien koning geboodschapt wordt, v/aar schijnen, omdat de gezant zoo uitnemend is. De waarheid van hetgeen de gezant zegt moet steunen op de majesteit van zijn zender; en nooit omgekeerd de waarheid van zijn zender op de voortrefif^lijkheid van zijn bode.

Juist de majesteit van de goddelijke boodschap zou akoo schade lijden, bijaldien we waanden, dat deze boodschap voor ons haar kracht verloor, zoo ons die gebracht wierd door een bode, die niet zelf toonde er in te leven. Wel is het heerlijk als het er bijkomt; maar het mag nooit de grondslag van mijn vertrouwen zijn, noch ook mag ooit mijn geloof er van afhangen.

Een Dienaar des Woords mag nooit een soort tweede Middelaar tusschen God en mens'chen worden. Dat is Roomsch en niet Schriftuurlijk. Naar luid de Schrift is er maar ééa Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus,

Zoo moet dus de band tusschen mijn God en mijn geloofsbewustzijn rechtstreeks door het Woord worden gelegd, en de waarheid, de zekerheid, de volstrekte betrouwbaarheid van de Evangelische boodschap mag er voor mij nooit ofte nimmer van afhangen, wie de bode is, zoo die bode maar zijn ambtelijke aanstelling van mijn Heere en mijn God heeft en mij de boodschap van mijn Ontfermer brengt.

Komt er nu bij, dat deze ambtelijk gezonden Dienaar des Woords ook nog persoonlijk een rijk begenadigde en versierde broeder in Christus is, zoo kan hier niet genoeg voor gedankt, maar als zoodanig staat hij toch met eiken broeder en elke zuster in de gemeente, aan wie gelijke genade ten deel viel, op één lijn.

Als een Dienaar genade voor genade ontvangt, is dit een vrucht van hetzelfde werk des Heiligen Geestes, waardoor zulk een genade in de eenvoudigste leden der kerk wordt gewrocht. Een wonder levensteeken van den Heiligen Geest, dat zeldzame kracht bezit, dm anderer geloof te sterken en te verfijnen.

Maar ambtelijke en persoonlijke gaven blijven niettemin twee. Al bleek iemand ambtelijk de rijkste gaven te bezitten, zonder persoonlijke genade brengt hem dit allerminst in Godes heerlijkheid. En omgekeerd al bezit iemand het rijkste geestelijke sieraad, daarom bezit hij nog in het minst niet de zending om op te treden in het ambt.

Doch neem nu het allergunstigste geval, en denk u een prediker, die een onbetwiste zending heeft, wiens ambtelijke gave ïijk, en wiens innerlijke begenadiging overvloeiende is, dan nog mag zulk een de bediening van het Woord nooit laten rusten op zijn persoonlijke genade. Hij mag nooit tot de gemeente zeggen: „Geloof dit en dat omdat mijn ziel het ervaren heeft"; om de eenvoudige reden, dat de autoriteit van Gods Woord voor ons nooit op de subjectieve ervaring van een ander rusten mag, Gods heilig Woord rust op zijn eigen autoriteit, op het gezag van zijn heel uw ziel beheerschende majesteit, en moet op dien grond aangenomen, Gods majesteit laat geen bewijs van buiten toe. Geloof is altoos, gelooven omdat het God is die het zegt, Gods autoriteit kan nooit op de bevinding van een eenigen mensch steunen, maar .omgekeerd moet elke geestelijke bevinding van een mensch zich waarmaken door te toonen, dat ze conform is aan het Woord. De spits van den toren rust op het grondvlak, niet het grondvlak op de ijle spits. En zoo mag ook in goddelijke dingen de grond van zekerheid niet worden omgekeerd, of heel Gods kerk komt in gevaar.

Wil dus een prediker uit het volle hart ook eens jubelen en getuigen van wat God aan zijn ziel gedaan heeft, zoo is er geen enkele reden, waarom hij dezen drang in zich onderdrukken zou; maar dan dse hij het toch bij vooikeur in bijzondere samenkomsten, en niet in de bediening des Woords.

Daar heeft hij den Christus, en niet zichzelveii noch de begenF„diging zijner eigen z'el te prediken.

En acht hij het nochtans oirbaar, om bij een bijzondere gelegenheid ook voor het werk Gods aan zijn eigen ziel den God zijns levens de eere te geven, zoo doe hij het soberlijk en zonder vertoon, en wijze er r.oeit de gemeente op, als op den grond voor haar gelooven.

De historie leert dan ook, dat waarlijk rijkbegenadigde predikers bijna-nooit in die fout vervallen zijn; ook al m.erkten Gods ingeleide kinderen wel gedurig, hoe rijk hun prediker met versche olie overgoten was.

Neen, die telkens herhaalde en sterke uitlatingen over eigen bekeerirg en eigen zielsbevinding kreeg men omgekeerd het meest te vernemen van mannen, wier geestelijke rijkdom nu juist niet zoo bijster groot was; maar die merkten dat zulk persoonlijk getuigen v/el ingang vend, en dis deswege toegaven aan een neiging, die oorspronkelijk waar en htilig ia hun ziel, allengs zeer ö«waar en ö? iheilig gewor.'en was.

Dan toch wilde men altoos getuigen, en getuigen op eenigszins pikante en trefifende wijze. En als er dan niets ervaren was, beeldde men zich in, dat er toch iets geweest was. Tot het op het laatst eengeestelijke romannetje werd, ea een onheilig spel met een verzonnen werk van den Heiligen Geest,

Vandaar dat zoo vaak juist zulk soort mannen ten laatste afvielen van hun onwaarachtige hoogte; soms in allerlei schrikkelijke zonden verwikkeld werden; en geen spoor van geestelijken glans hebben achtergelaten.

En daarom blijve hét ook hier bij den regel, dat Bediening van het Woord iets heel anders dan getuigen is.

Getuigd moet er zeer zeker worden voor de waarheid tegen de logen, doch daarvoor is het de plaats in de wereld, en niet in de vergadering van hen, die als belijders van de waarheid saamkcmen,

En gettiigd moet er evenzeer van het weik des Heiligen Geestes, doch dit geschiede in uw persoonlijke »omgeving", waar men u kent, en u beoordeelen kan.

Op den kansel daarentegen, en dus in de vergadering der geloovigen, moet het Woord Gods gepredikt worden; niet wat God in uw ziel, maar wat Hij in de Heilige Schrift tot de gemeente zegt.

De prediker zij en blijve Verbi Divini Minister, d. i. Bedienaar des Goddelijken Woords,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Heel de Heilige

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1891

De Heraut | 4 Pagina's