Men leest in de Hervorming
Men leest in de Hervorming van 14 Maart jl. dit:
Dr. A. Kuyper gaat nog steeds voort de onware bewering te handhaven dat de naam s> Nederlandsche Hervormde Kerk" een vinding van deze eeuw is, niet toepasselijk en niet toegepast op de kerk van vroeger dagen.
Nu weder lezen wij in de Heraut van 8 Maart jl:
En wat den titel van „Nederlandsche Hervormde kerk" betreft, deze titel wordt aan het Synodaal Genootschap door niemand betwist; wel die van Gereformeerde kerk. De naam « Hervorm de kerk is een naam, die pas in 1816 opkwam en uitsluitend kleeft aan het genootschap".
Pas in 1816 opkwam? Uitsluitend kleeft aan het genootschap ? . . . . Men zie eens het titelblad van het berijmde psalmboek van het jaar 1773. »Het boek der psalmen benevens de gezangen bij de «Hervormde Kerk van Nederland" in gebruik". Niet minder aandacht verdient de bij dat psalmboek gevoegde «Verklaaring", waarin de gecommitteerden verklaren het „vorenstaande Boek der Psalmen, nevens de Gezangen, bij de Hervormde Kerk van Nederland in gebruik, overeenkomstig (hunne) gedaane keuze enz : geboekt te zijn'', en verder : dat zij hebben toegezien, dat daarin »niets mogte voorkomen eenigzins strijdig met de aangenomene leer der Nederlandsche Hervormde Kerke".
Deze verklaring is gedateerd 19 Juli 1773.
Toen ter tijde was dus deze titel reeds gangbaar. Dr Kuyper kon dit weten. De Ned. Herv. Kerk is als alzoo, ook wat naar naam betreft, ontstaan uit, een voortzetting van de Kerk der vorige eeuw.
In de onderstelling, dat de heer d. H. hier te goeder trouw schrijft en slechts uit onwetendheid een geheel onjuiste voorstelling van zaken geeft, sta hier de noodige rectificatie van deze zonderlinge critiek; eene rectificatie waarvan de redactie der Hervorming den hoofdinhoud wel onder de oogen van haar lezers zal willen brengen. Misschien ook de Kerk. Cour. die zich achter hetzelfde schild veilig acht.
De quaestie in geschil was, of de wettige en officieele titel van het geheel onzer kerken reeds vóór 1816 was AG Nederlandsche Hervormde kerk, of wel dat deze titel eerst door het Koninklijk Besluit van 1816 yoor het door dat Besluit geschapen lichaam van het Synodaal Genootschap quasi-wettig is ingevoerd.
Nu beweert d, H. dat dit laatste niet zoo was, en dat dus reeds vóór 1816 deze titelverandering had pljiats gegrepen.
Het zij zoo.
Maar mogen we dan weten wanneer ?
In 1619 vergaderde voor het laatst de Generale Synode, die zulk een verandering had kunnen tot stand brengen. Sinds is vóór 1816 nooit weer een Generale Synode saam geweest. Eilieve, hoe kan dan de titel der kerken veranderd zijn? Die titel was in 1619: Synode der Nederduitsche Gereformeerde kerken,
Hoe ter wereld kon die oude titel dan de wereld uitkomen 'i
En waar wijst nu de heer de H. ons op ?
Hierop, dat in de manier van spreken de uitdrukking Nederlandsche Hervormde Kerk reeds vroeger voorkwam. Nu, daar zijn voorbeelden van te vinden van nog veel vroeger. Bij allerlei schrijvers. Doch dit bewijst natuurlijk hoegenaamd niets voor den rechtstitel.
Meer toch dan een manier van spreken was wat in 1775 gesshiedde niet. Of weet de heer de H. niet, dat de heeren voor de Psalmberijming gecommitteerd waren door de politieke staten en niet door de kerken, zoodat kerkelijk hun woordenkcus niets ter wereld uitwijst.'
Doch er is meer.
In „Nederlandsche Hervormde Kerk" beduidt „Nederlandsche" na 1816 niet de taal, maar wijst aan het land, en is identiek met de »Hervormde Kerk in; Nederland".
Dit echter was vóór 1800 niet zoo, zelfs niet in het spraakgebruik; want wel bezigde men toen reeds dit woord „Nederlandsche, " maar als aanduiding van de taal en dus in plaats van y, Nederduitsch”.
Dit blijkt op twee manieren uit de stukken zelven waarop de heer de H. zich beroept.
In de acte toch vóór de Psalmberijming geplaatst wordt ons vaderland nog wel terdege : „de Vereenigde Nederlan^sfe»" genoemd, en niet Nederland, zoodat de daarna volgende benaming Nederlandsche Hervormde Kerk alleen op de taal slaan kan.
En nog duidelijker blijkt dit in 1805 bij de invoering der Evangelische Gezangen.
Immers die dragen ten titel, dat ze bebestemd zijn, om gebruikt te worden bij de „Nederlandsche Hervormde Gemeenten"; wat blijkbaar evenzoo een taalverandering is en geen verandering van titel. Men kan toch doelende op het territoir wel spreken van de Nederlandsche Hervormde kerk in heel het land en b.v. van de Leidsche Hervormde gemeente; maar in dien zin ware „Nederlandsche Hervormde gemeente te Leiden, " uiteraard onzin.
Boven den brief door de Gezangen-commissie aan de plaatselijke kerken gericht, staat dan ook wel terdege nog: „Aan de Nederduitsche gemeenten in ons vaderland, " In hun verklaring noemen ze zich dan ook: „Gecommitteerd door alle de synoden der Nederlandsche Hervormde gemeenten."
En nu is het volkomen waar, dat deze heeren ook van de Nederlandsche Hervormde kerk spreken, maar nooit als rechtstitel. Dat blijkt uit het feit dat ze spreken van de Formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk, gelijk die in 1618 en 1Ó19 door de Synode van Dordrecht zijn vastgesteld; waarbij het toch wel vaststaat dat deze Synode zelve zich nooit als Synode over zulk een collegiaal genootschap van dien naam heeft aangediend.
En antwoordt de heer de H.. dat deze heeren dan toch min of meer officieel deze uitdrukking bezigden, zoo zij opgemerkt, dat deze heeren Gecommiteerden met lastbrieven waren, en naar het toen vigeerend kerkrecht niets konden doen, dan datgene, waartoe zij gelast waren. En daar nu in hun lastbrief niets voorkomt van eenige macht om den rechtstitel van onze kerken te veranderen, zoo volgt hieruit dat ze eenvoudig niet konden doen, wat de heer d. H. hun toedicht.
Een onnauwkeurige manier van spreken, die niets met den rechtstitel gemeen heeft, ziedaar dan ook alles, waarop de heer d. H. zich beroepen kon; waarbij hem ten overvloede zij aangeraden. Van Iperen's, Kerkelijke Historie van het Psalmgezang eens op te slaan, waarin hij op p. 308 en 342 van deel II zien zal, hoe de magistraat zich correct uitdrukte en sprak van „de Hervormde Vstken [dezer ïsxAen"; maar hoe de poëtisÉh gestemde heeren predikanten (zie p. 349 en v.v.) telkens spraken van „de Nederlandsche kerk", en het „Sion Gods in Nederland", en dan toch weer van „de Hooge Overheid dezer land^/z."
Als dus de heer d. H, zich niet ontziet ons te betichten van het geven van een onware voorstelling, en dat „tegen beter weten in", dan oordeele hij zelf, wat indruk zulk een ongemotiveerde critiek moet maken, op een ieder die van deze dingen iets afweet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1891
De Heraut | 4 Pagina's