Eer we dieper
Eer we dieper ingaan op de vraag: over welke personen de kerkelijke tucht van een bepaald instituut gaat, kome vooraf de opmerking ter sprake, alsof Separatie en Doleantie in strijd zou zijn met Art. 73 van de Acta der Voorloopige Synode van Utrecht; wat niet het geval is.
En toch is het volkomen natuurlijk, dat wie het rapport van die Acta op blz. 50 en 51 leest, tot zich zelven zegt: „Maar hoe heb ik het nu? Daar staat toch vlak het tegenovergestelde."
En dat staat er ook; maar, en hier heeft men niet op gelet, vlak het tegenovergestelde voor een geheel ander geval dan Separatie en Doleantie bespreekt.
Separatie en Doleantie besprak het geval, dat iemand het instituut den rug toekeerde, het verliet en er uit ging; en daarentegen bespreekt het rapport van Utrecht dit geval met geen enkel woord, maar handelt uitsluitend van dezulken, die nog geacht moeten worden, niet met het instituut gebroken te hebben; edoch, als nog in het instituut inzijnde, de reformatie er van tegen te staan.
Dit nu is volstrekt geen verzuim rapport. van het
Vooreerst toch verlieze men niet uit het oog, dat het rapport is aangenomen op 28 Juni 1888, dus nog zeer in den aanvang der Doleantie; toen er nog geen sprake van kon zijn, dat de stofwolken reeds genoegzaam waren opgeklaard, om het feit of iemand zich al dan niet van het instituut had afgescheiden, te kunnen constateeren.
Maar ook ten anderen, kan en mag een Synode nooit ook maar één enkel woord van zich laten uitgaan, waardoor zij, ót de wankelende leden tot verlating van het instituut en het zich voegen bij een ander instituut zou verlokken, óf de kerkeraden zou doen vertragen in hun verplichting om de dwalenden terecht te brengen.
De Synode kon en mocht dus bij de bespreking van dit onderwerp niet anders spreken dan zij sprak.
Zij harerzijds moest beslist en sterk aandringen op die zijde der quaestie, die de kerkeraden noopt i". om allen die vóór de reformatie tot het instituut behoorden, als leden van het instituut ook na de reformatie, voor wat aan haar lag, te erkennen, en ze te handhaven bij hunne rechten. En 2". om bij deze door vermaning en opzicht te doen wat doenlijk is, om ze af te houden van het inslaan van een zondigen weg.
Zoo doet een vader met zijn meerderjarigen zoon, die een zondige zaak wil uitvoeren. Dan maant hij hem af; hij zegt hem, dat hij het niet mag doen; hij verbiedt het hem; hij doet alles wat hij kan om het tegen te houden. Maar dit neemt niet weg, dat als de zoon het dan toch doet en b. v. als meerderjarige het huis uitgaat, en verkeerd huwt, en kinderen krijgt, de vader niet anders kan eindigen dan met het zelfstandig optreden van zijn zoon te erkennen.
En als men dan tot zulk een vader zei: „Ziehier een brief, waarin ge uw zoon schreeft, dat hij het niet mocht doen; en nu deed hij het toch; en gij erkent het, " dan zou die vader zeggen: „Zwijg stille, ik weet het ook wel, maar gij verstaat de smart van een vader nog niet."
Zelfs nu zouden we de Synode nog niet gaarne aanraden, om reeds officieel met het feit, dat iemand het instituut verliet, te rekenen, en als op de Synode in 's-Gravenhage mocht worden voorgesteld, om de kerkeraden een lijst te laten opmaken van personen, die zich van het instituut afgescheiden hebben, zouden wij haar ten stelligste ontraden dien weg in te slaan, en haar aanraden te blijven op de lijn van Utrecht.
Immers, juist het rapport van Utrecht wijst er op, dat in geen geval de excommunicatie vooralsnog kan in aanmerking ko-
men. Zelfs geeft het rapport dien raad niet eens tegenover leeraren, die de zaak des Heeren verraden hebben.
Ook de censuur door ontzegging van het heilig Avondmaal wil het nog niet als tuchtmiddel zien toegepast, omdat de bedoelde per£0.ien het heilig Avondmaal toch niet zoeken.
Blijft dus alleen de vermaning, die o. i, altoos doorgaat, zelfs ook bij degenen die met het instituut braken.
En eerst dan als de Synode gevoelde, dat het oogenblik alsnu gekomen was, om tot de uiterste middelen over te gaan, dan ja, zou de vraag ook op kerkrechtelijk terrein rijzen, in hoeverre zulk een persoon, die daarvoor in aanmerking kwam, nog een wettig object van zulk een vonnis «ijn kon.
Dit zou niet zoo zijn, als door iemand schriftelijk bericht wierd, dat hij het instituut verliet en zijn stipulation terugnam. Dan toch zou men van dat oogenblik af, hiervan nota moeten nemen. Maar r, u dat niet zoo is, en deze breking met het instituut alleen feite tig k plaats heeft, doordien men h. v. bij een ander instituut den Doop voor zijn kind zoekt enz, ; nu moet er tamelijk lange tijd verloopen, eer de juiste verhoudingen over en weder genoegzaam vaststaan.
Stel b, v. er is iemand, die lid van ons instituut ware, en een jaar later met ons brak, en den heiligen Doop voor zijn kind zocht bij een Synodale tegenkerk; maar daarna had hij berouw en voegde zich weer bij ons, zoudt ge dan redeneeren moeten: „Gij zijt weg geweest, en moet dus opnieuw belijdenis doen.'" Neen, dan zou elke goede kerkeraad hierin niets zien dan een tijdelijke afdoling, en het teruggekeerde schaapsken blijde en met herderlijke liefde weer in de schaapskooi opnemen.
Vergeet nooit, dat er in het breken met een instituut, omdat het tot reformatie kwaMiZOO stuitende sonde tegen onzen Heere en Heiland ligt; en dat het daarom zoo onze dure plicht is en blijft, om hen die in gevaar verkeeren van tot dese "zonde te komen, er van at te houden.
En wat woudt ge dan koelweg tot personen die in dezen toestand verkeeren, zeggen gaan: „Lieve vriend, gij hebt uw jaren; wilt ge niet meer van ons gediend zijn, ga dan elders heen, dan zijn wij van u af!"
Zoo spreekt niet wie de liefde Christi kent.
Neen, de liefde Christi blijft tot het uiterste toe manen, roepen, dringen, en wijkt dan eerst als de opgezette wil ons voor het feit der scheiding plaatst.
Met heel de quaestie, of een lid van het instituut, formeel gesproken, recht heeft van onder een instituut uit te gaan, en alsdan ophoudt voorwerp van tucht te wezen, heeft het rapport van Utrecht dus niets te maken. Het gaat geheel buiten deze quaestie om. ET wil men deze zaak door de Synode laten uitmaken, welnu, vrage men dan of Ds, Van Lingen, die zijn band met het instituut verbrak, nu al dan niet door zijn kerkeraad en classis kerkelijk moet worden aangetast.
En dan zijn we zeker, dat geheel de Synode met ons oordeelen zal, dat een kerkelijke procedure tegen een leeraar, die ons instituut den rug toekeerde en er mee brak, om zich aan te sluiten aan een ander instituut, kerkrechtelijk alleen dan bestaanbaar zou zijn, zoo men zich met beide voeten plaatste op het Roomsche standpunt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1891
De Heraut | 4 Pagina's