Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze broeders die

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze broeders die

9 minuten leestijd

Amsterdam, 3 April 1891.

Onze broeders die nog onder de Synodale organisatie blijven verkeeren, staan niet alleen practisch, maar evenzoo theoretisch aan een niet gering gevaar bloot. Het gevaar namelijk, om hun voorstelling van de waarheid, en dus ook van de openbaring van de Heilige Schrift zóó te gaan wijzigen, dat die passé bij hun gedragslijn.

Zoo wees de Wag. er dezer dagen weer op, dat ook Jezus in zijn tijd de ongeloovigen in de kerk van Israël had geduld, en in zijn gelijkenis van den akker gezegd had: „Laat ze saam opgroeien tot den oogst."

Nu was hij die dit schreef een theoloog, en hij wist dus welk hemelsbreed verschil er bestond tusschen de nationaalsymbolische bedeeling der kerk onder Israël en de kerk, die vóór alle natiën onder het Nieuwe Testament opbloeide. In de eerste was men Israëliet, en dus besloten in het verbond, eenvoudig door zijn afstamming uit Abraham, of zijn opneming als proseliet. Hier kon dus van geen tucht sprake zijn, anders dan door de doodstraf. Men werd dan uit de vergadering uitgeroeid. Onder het Nieuwe Verbond daarentegen geldt vleeschelijke afstamming niets, is belijdenis van den Christus de band der kerk, en gaat de tucht over afdoling in belijdenis of wandel, door censuur en ban. Ware dit niet zoo, dan hadden onze vaderen ook de Roomsche hiërarchie niet mogen afwerpen en vergoten onze martelaren hun kostelijk bloed uit dwaling, en niet voor de waarheid.

En evenzoo weet deze theoloog, dat Jezus zelf gezegd heeft: De akker is de wereld., en dus niet de kerk. Hij weet ook dat het kwade zaad niet zijn de twijfelaars, maar de kinderen des duivels. En hij weet ook, dat waar sommigen deze perabel nochtans op de kerk toepasten, ze, gelijk Calvijn, er zoo luid mogelijk tegen pro­ , testeerden, dat hiermede iets zou ontnomen worden aan den plicht en de roeping van de opzieners der kerke Christi, om door de predicatie van het Woord en de tucht de kerk te zuiveren. Zelfs houdt Calvijn staande, dat, ook zoo opgevat, deze gelijkenis het dooden van de ketters volstrekt niet verbiedt.

Doch al weet nu deze theoloog dat alles evengoed als wij, deze wetenschap past niet op zijn kerkelijke positie.

Dus moet nu van tweeën één gebeuren.

Of hij moet zijn kerkelijke positie in overeenstemming brengen met de Schrift; óf wel hij moet de Schrift zoo verkeeren, dat ze passé op zijn kerkelijke positie en hem vrij doe uifgaan.

En zie, nu merkt men gedurig, hoe anders trouwe broederen, er toe komen om, eenmaal in die klem zittende, hun kerkelijke positie te handhaven, en de Schrift er naar te verdraaien.

Dit wordt natuurlijk alleen opgemerkt ten opzichte van „onze broederen" in het genootschap, d. w. z. van dezulken, die, als ze handelen konden naar hartelust, niets liever deden, dan de waarheid Gods weer in de kerke Gods in eere brengen.

En daarom mag er wel eens op gewezen, hoe deze broederen, die van harte de waarheid met ons zijn toegedaan, en niets liever deden dan ze ook kerkelijk belijden, er nu ongemerkt toe kwamen, om de waarheid Gods zóó^ang te gaan verwringen, tot ze een theorie hebben, die hen dekt.

Zoo systematiseert men zijn onhoudbaren toestand.

En zeker, die is dan schijnbaar Er is iets op gevonden. gedekt.

Maar tot welken prijs ?

Tot geen a.inderen prijs, dan AaA. dienaren des Woords, de Roomsche exegese van de Heilige Schrift weer voor de Gereformeerde in plaats gaan stellen.

Om hel belang der zaak zien we ons verplicht, nogmaals terug te komen op de zaak-Van Lingen.

Ds. Van Li.ngen komt toch in de Bazuin tegen onze conclusie in verzet en zegt o. m.:

In Pethaja heb ik vroeger verklaard mijne roeping tot bedienaar des Woords niet te bouwen op toelating door een onwettig provinciaal kerkbestuur, noch op de roeping door een zich noemenden kerkeraad, aangezien dat alles in lijnrechten strijd geschiedde met Gods Woord, maar op hetgeen de Heere God mij had doen kennen. Gelijk Paulus wist, tot het Apostolaat geroepen te zijn niet door menschen maar door God, zoo mocht ik verklaren tot den dienst des Woords mij geroepen te weten niet door menschen maar door God. In het Juli-nummer van Petahja heb ik verder gevraagd, of de kerk dan elk moet erkennen als prediker, die zich geroepen verklaart, en ge antwoord: »ganschelijk niet, de kerk heeft haar onderzoek in te stellen, en mag niemand toelaten, tenzij zij zich kan verzekerd houden, dat er eene goddelijke roeping is. Zij heeft te vragen, of er bekwaamheid is om te leeren enz."

Ik heb derhalve niets anders beweerd, dan dat er bij mij een drang van Godswege in de ziel werd gevoeld om te dienen in het Woord, en de kerk bij mij als bij ieder ander onderzoek moest doen of zij mij beroepbaar kon stellen.

Waar nu de «voorgewende mystieke roeping", de »bizarre quaestie over de quasi-apostolische roeping van dezen prediker" te vinden is, begrijp ik niet. Ik kan niets anders zien, dan dat ze mij door Dr. K. is toegedicht.

De zaak is echter deze: met het onderzoek van mij in den tijd van mijn ongeloof en de aanstelling door de valsche kerk was bij mij geen vrede. Zij waren voor mij van nul en geener waarde.

Waar ik dan toch als bedienaar des Woords optrad, was het op grond mijner roeping van God, evenals Calvijn dat deed, die nooit de wijding in de kerk van Rome ontving, als Farel, die nooit tot den geestelijken stand had behoord, terwijl de Doleerende kerken stilzwijgend dat prediken gewettigd hebben.

Terecht heeft echter de Chr. Geref. kerk begrepen, geheel volgens mijn vroeger uitgesproken gevoelen, dat ik na lid te zijn geworden, mij met mijne bewijsstukken van den graad van Candidaat in de theologie enz. enz. tot het peremtoir examen had aan te melden, waarvan de uitslag bekend is.

nu bevestigt volkomen onze ziens­ Dit wijze.

i". Ds. Van Lingen heeft zich bij de Christ. Geref. kerk aangemeld, niet om te zeggen: Ik heb als Paulus een buitengewone roeping en ga dus als dienaar des Woords bij u optreden; maar heeft, geheel gelijk het behoort, aan die kerk gezegd: „Ik ben candidaat in de theologie; examineer mij; en laat mij daarna tot den dienst des Woords toe."

Die kerk heeft hem daarop geëxamineerd, en hem alsnu het recht verleend, om in de Christ. Geref. kerk beroepen te worden.

2". Voor Ds. Van Lingen echter tot dezen stap overging, had hij reeds twee stadiën doorloopen.

a. Het stadium van zijn dienst onder het Synodaal Genootschap en b. het stadium van zijn verkeer in de Ned. Geref. kerken na haar reformatie.

Formeel nu was ook in dat eerste stadium alles in den haak. Ook Ds. Van Lingen had proponents-examen gedaan, en was door een kerkeraad wettig beroepen.

Maar geheel informeel was, naar zijn eigen beweren, zijn verkeer onder de Ned. Geref. kerken na haar reformatie.

Bij deze kerken toch had hij zich niet aangemeld om examen te doen, en ontving hij geen roeping.

Desniettemin trad hij in deze kerken op i". om het Woord te bedienen, 2". om de Sacramenten te bedienen, en 3". om anderen in den Dienst te bevestigen.

Feitelijk heefc hij dus in deze kerken uitgeoefend een recht, wat hij wist, dat naar de ordeningen der kerk van 1619 alleen hem toekomt, die als Dienaar des Woords wettiglijk erkend is.

Nu hadden deze kerken daartegen niet de minste bedenking, omdat zij de continuïteit der kerken vasthielden, en dus ook die van de ambten.

Maar Ds. Van Lingen zelf raakte hierbij in het gedrang.

Hij toch hield staande, dat met zijn uitgaan uit de valsche kerk ook zijn zending vervallen was, die hij van deze kerk ontving.

Om nu desniettemin toch als dienaar des Woords te kunnen optreden, verkondigde hij, dat hij een roeping had als Paulus, en krachtens dese roeping het Woord en het Sacrament bedienen mocht.

Zijn eigen woorden, hierboven aangehaald, bewijzen dit.

Ware hij nu, na zijn overgang tot het Christ. Geref. kerkgenootschap op dit onhoudbaar standpunt blijven staan, dan had hij natuurlijk in die kerk evenzoo moeten handelen.

Maar dit deed hij, volgens zijn eigen verklaring, niet.

.Integendeel, thans keerde hij terug tot het Bijbelsche en Gereformeerde standpunt. Zijn dusgenaamde Apostolische roeping wierd nu „een drang van Godswege om te dienen in het V\^oDrd", en het recht om dit te mogen doen, ging hij vragen aan de kerk.

We konden dus niet duidelijker gelijk krijgen, dan Ds. Van Lingen het ons hier in zijn eigen woorden geeft.

Doch ook nu is nog niet alles helder.

Ds. De Cock, Prof. Van Velzen en Prof. Brummelkamp hadden hun zending oiit vangen van de „valsche kerk". Toch zijn deze nooit overgeëxamineerd. Integendeel deze mannen, die vrij van alle Anabaptisme waren, hebben hun ambt voortgezet.

Wat is nu te Arrihem geschied ?

Is het juist, wat Ds. Van Lingen meldt, dat de classis der Christelijke Gereformeerden aldaar het standpunt van De Cock c, s. heeft vaarwel gezegd, en hem als een student, de novo, een zending gegeven heeft? Óf wei heeft ze Ds. Van Lingen als zijnde Dienaar des Woords, ook voor haar kerk beroepbaar gesteld .•'

Ds. Van Lingen doet het eerste voorkomen; maar dat klopt niet met de verklaring der classi.e. Deze toch berichtte, dat zij „den WelEerw. Zeergel. Heer Ds. Van Lingen" beroepbaar heefc verklaard.

Wie heeft nu gelijk.' Ds. Van Lingen of de classis.'*

Dit zal spoedig uitkomen.

Immers heeft Ds. Van Lingen gelijk, dan staat hij thans op één lijn met de jongelieden die van Kampen gekomen en op examen toegelaten zijn om beroepen te worden. Dan is hij nu proponent.

Deze echter mogen geen Sacrament bedienen en geen andere dienaren bevestigen, en worden eerst dienaren des Woords, nadat ze beroepen zijn door en bevestigd in een bepaalde kerk.

De vraag is dus maar, wat zal Ds. Van Lingen nu doen ?

Zich evenmin als elk ander proponent den titel van Ds. of Dienaar des Woords geven, en geen Sacrament enz. bedienen; of wel.?

< , Zoo niet, dan stelt hij de zaak juist voor en vergiste de classis zich.

Maar indien wel, dan heefc de classis gelijk, en is de voorstelling van Ds. Van Lingen te eenenmale onjuist.

Immers dan zal daaruit blijken, dat ook de Christelijke Gereformeerde kerk evenals de NederduitscheGerefo! meerde kerken, hem beschouwt als iemand die reeds een zending had, toen hij zich aanmeldde, en nu op grond van deze zending alleen vazax beroepbaar is gesteld ook in dit kerkgenootschap.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Onze broeders die

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1891

De Heraut | 4 Pagina's