Buitenland.
Frankrijk. De kamer van afgevaardigden: een rustdag om de zeven dagen aangenomen, Strijd over eentooneelstukvanSardou. Het sociale vraagstuk endeltoomsche kerk. De F ranse he geestelijkheid steeds meer met de Republiek verzoend. Protestantsche regeelingspersonen'? Een Boedhistische dienst in Parijs.
In de Fransche Kamer van afgevaardigden kwam dezer dagen het vraagstuk van den rustdag aan de orde. Reeds is het in de Fransche wet bepaald, dat er om de zeven dagen een rustdag zijn zal, maar er werd niet bepaald dat de Zondag voor rustdag moet gehouden. Er werd nu over gediscussieerd of de Zondag al dan niet als rustdag zou worden aangegeven De Kamer besloot met eene meerderheid van 100 stemmen, om niet bepaald den Zondag als rustdag vast te stellen. De radicalen verklaarden er zich heftig tegen, dat men zich zou schikken naar eene gewoonte die in de Christelijke kerk gevolgd wordt, en de meeste niet-Clericale leden der vergadering, zijn hierin de radicalen gehoorzaam gevolgd. Het is alsof de Franschen niets geleerd hebben uit hun historie. AA'ant nog geen eeuw geleden vaardigde het Schrikbewind een decreet uit, waarbij den Christelijken godsdienst afgeschaft en de godsdienst der rede er voor in de plaats werd gezet) men duldde geen godsdienstoefening of viering van den Zondag meer. In plaats van den Zondag zou er om de tien dagen een rustdag zijn. Doch al het drijven en woelen van deze atheïsten konde niet verhinderen dat er een Robespierre optrad die zijn loopbaan begon met de belijdenis dat de Fransche republiek het bestaan van God erkende, terwijl hij de hoofden van alle Godloochenaars onder de guillodne liet vallen. Wel een bewijs' dat deze volksmenner het duidelijk inzag, dat het eene dwaasheid is te meenen, dat men in staat is het geloof aan God en de eerbied die men uitwendig bewijst aan de ordinantiën Gods, door een decreet uit het hart van het volk weg te nemen. Robespierre zou nooit zoo stout hebben durven optreden als hij niet er van overtuigd was, dat de overgroote meerderheid van de natie niet aan het bestaan van God was blijven gelooven.
Het niet willen erkennen van den Christelijken rustdag kan daarom aan liberalisten en radicalen wel eens duur te staan komen. Niets is geschikter om de clericale reactie in de hand te werken d^n wanneer er gehandeld wordt gelijk de Kamer van afgevaardigden reeds jaren lang gedaan heeft, terwijl zij daarin nog voorbij gestreefd werd door den Parijschen gemeenteraad.
Men zal in Frankrijk dezelfde ervaring opdoen als in Zwitserland, waar de wet-aan de spoorwegambtenaren 5 2 vrije dagen waarborgt, waarvan er 27 op den Zondag en 25 op andere dagen vallen. Ilct huisgezin is er weinig mede gebaat wanneer op een rustdag de man alleen vrij af heeft, terwijl de vrouw uit werken is, de kinderen naar school zijn. Hoe komt hij dan in verzoeking om zijn vrijen dag in de herberg door te brengen ?
Evenwel toont het besluit van de kamer van afgevaardigden dat men rekening houden gaat met de sociale toestanden. Voor tien jaren werd de rustdag door dezelfde vergadering afgeschaft. Men schijnt nu tot erkenning gekomen te zijn dat de mensch geen machine is.
Hoezeer men zich tegenwoordig door de radicalen laat leiden blijkt uit hetgeen er te dosn is geweest over een komediestuk van V. Sardou getiteld: „Thermidor." In dit stuk worden enkele vreeselijke dingen, die in Frankrijk plaats gehad hebben, gedurende het Schrikbewind ten tooneele gevoerd, zonder dat echter daarin een woord van afkeuring ten opzichte van de revolutie zelve voorkomt. De regeering had reeds verlof gegeven om het ten tooneele te voeren. Doch Clemenceau de leider der radicalen viel haar daarover krachtig aan en toen hij hel karakteristieke woord gesproken had: »Men moet de revolutie en bloc (in haar geheel) aanvaaiden", gaf de regeering toe, en het opvoeren van Victorlen Sirdou's stuk werd nu verboden. Het scheelde niet veel of het ministerie was om die quaestie afgetreden.
Men sprak er in de Kamer van afgevaardigden over om de geheele censuur, d. i. de keuring van overheidswege der stukken die zullen opgevoerd worden, op te heffen Zeker zou hel wenschelijk zijn, dat men strenger keurde dan tot dusver. Immers worden stukken opgevoerd, die ten hoogste kwetsend zijn voor de goede zeden en wel in een schouwburg, waarin de regeering plaatsen gehuurd heeft.
Er bestaat in Frankrijk een bond tot ophef-j fing van de openbare zedelijkheid. Deze ver-' eeniging zoekt een beweging op touw te zetten om eindelijk gedaan te krijgen, dat de regeering strikte uitvoering geven zal aan de wet van 188r, volgens welke alle zedekwetsende producten der pers verboden worden.
Dat het sociale vraagstuk ook de leiders der Roomsche kerk in Frankrijk bezig houdt, blijkt uit menigen herderiijken brief, door de bisschoppen tot hunne kudden gezonden. Te Montrange heeft een Parijsche priester eene zonderlinge poging gewaagd om het socijillsme te bestrijden. Hij laat in den vastentijd twee predikers optreden, waarvan de een, op de wijze in de middeneeuwen gebruikelijk, van den kansel de Christelijke leer moet verdedigen, terwijl de ander de beginselen der socialisten bepleit. Het gaat echter bij die godsdienstoefeningen niet rustig toe, nadat de verdediger der socialistische gevoelens naar het hart der aanwezige socialisten en anarchisten gesproken had, barstten dezen in een luid lachen uit.
Steeds meer blijkt het dat de Roomsche geestelijkheid zich bij den republikeinschen regeeringsvorm wil nederleggen en zich niet laat vinden om de partij der koningsgezinden te steunen. De bekende strijder tegen den slavenhandel in Afrika, kardinaal De Lavigerie, die voorop staat in de rijen der geestelijken die de republiek aanvaarden, heeft de Paus op zijn hand. Hét heeft bisschop Freppel niets gebaat, of hij al het hoofd der kerk heeft bezocht, om te trachten hem in deze van gevoelen te doen veranderen. Men zegt zelfs dat de Paus de welsprekende pater Monsabré naar Frankrijk gezonden heeft, met opdracht om van diocese tot diocese de verzoening der Roomsche geestelijkheid met de republikeinsche regeering te prediken.
Van Protestantsche zijde wijst men er op, dat Frankrijk door Protestantsche mannen geregeerd wordt. De president minister De Freycinet en minister Roubey zijn Protestanten. Aan de Sorbonne arbeiden vier hoogleeraren protestanten; de beide AA'addington's Leon Say, Brisson, De Pressensé, Dide zijn Protestanten en volksvertegenwoordigers, evenals de president van den senaat Rogen, de president van de kamer van koophandel Dletz-Monnin en de generale schoolopziener voor het lager onderwijs Buisson. Wil dit zeggen dat men in Frankrijk voor het Protestantsch beginsel gewonnen wordt? Immers neen. AA'ij willen en kunnende persoonlijke geloofsovertuiging van genoemd-i staatslieden niet beoordeelen, maar zeker is het, dat zij het Protestantsch beginsel n.l. het buigen voor Gods AA'^oord en het verwerpen van alle menschelijk gezag in zake de conscientie, als staatslieden in de vergaderzalen van hun land niet belijden. Ware dit het geval, ze zouden door liberalisten en radicalen voor erger dan de ultramontanen uitgekreten worden en zij behielden hunne zetels niet lang meer.
Het heilsleger arbeidt in Parijs steeds voort. Het heeft zich in den afgeloopen winter weldadig betoond tegenover de honger-en koude lijdende bevolking. Zijne toevluchtsoorden of asylen namen in 14 dagen 5400 mannen en 200 vrouwen op; in hare keukens werden 5600 porties soep uitgedeeld.
In Parijs is ook op het einde van Februari voor het eerst een Boedhistische z. g. godsdienstoefening gehouden. Er waren twee Boedhistische priesters naar Parijs gekomen om daar het »Museum van godsdiensten" van den heer Guimet te bezoeken. Toen zij in de Boedhistische zaal kwamen en de vele afgodsbeelden en priestergewaden zagen, warden zij daardoor zQOzeer in verrukking gebracht, dat zij aanstonds om verlof verzochten, eene godsdienstoefening in die zaal te houden. Guimet stond het hun toe en noodigde een aantal geleerde en bekende mannen uit, als Jules Simon, Rénan, Jules Ferry om het dienen der afgoden bij te wonen. De priesters schreeuwden daarbij echter zoo luid en rekten hunne gebeden zoo zeer uit, dat de heer Guimet, wiens naam daarbij dikwijls geroepen werd, hen moest verzoeken ze af te korten.
Dit neemt niet weg dat sommige Parijsche dames, tot de hooge kringen behoorende, zich Boedhistische beelden hebben aangeschaft, waarvoor zij wierook laten branden!
Diep treurige zaken, waaruit men ziet hoe dit geslacht steeds meer wegzinkt in schepselvergoding.
Diiitschliind. Een j a m m e rl ij k vonnis. Eenige weken geleden is in Ohrdruf, in het hertogdom Gotha, een vonnis geveld door het z g. Schüffengericht, dat vermeld moet.
Het schijnt volgens de opvatting van genoemde rechtbank niet meer geoorloofd te zijn, dat een predikant iemand onder vier oogen vermaant Het volgende was geschied: l^cn predikant had een echtgenoot er op gewezen, dat hij zich als man en vader beter had te gedragen, hem ook herinnerende aan het feit, dat hij den doop van zijn kind te lang uitstelde. Toen de man zich daarop in het huis van den predikant onwelvoegelijk aanstelde, zeide de leeraar tot hem, dat wanneer hij zooveel leven maakte, men met recht kon aannemen, dat hij niet in staat was, zijne kinderen eene Christelijke opvoeding te geven. Dit vatte de man als eene beleediging op en klaagde daarom den i; redikant voor den rechtbank aan, en het einde der zaak was, dat de predikant tot de betaling eener geldboete veroordeeld werd!
De uitspraak van het gerechtshof is daarom des te meer bevreemdend, wijl volgens de Landïvet van Gotha de geestelijke schuldig is, echtelieden, die in twist en tweedracht leven, te vermanen en terecht te wijzen.
Eigenlijk zou de predikant de landswet overtreden hebben, indien hij den man niet vermaand had. Doch daarop schijnt het Schüffengericht niet gelet te hebben.
Dat een predikant ten deze niet met een particulier op ééne lijn te plaatsen is, erkent de wet van Gotha zoowel als die van het Duilsche Rijk; immers heeft hij het recht te weigeren voor een rechtbank getuigenis af fe leggen, omtrent dingen, die hem als predikant zijn medegedeeld. De veroordeelde predikant is in hooger beroep gegaan; het is te hopen, dat hij ten slotte zal worden vrijgesproken, maar men kan denken, dat de sociaal-democraten over het voorgevallene juichen.
Het zal onzen lezers bekend zijn, dat in geen streek van Duitschland het modernisme zoozeer ingang gevonden heeft als in Gotha.
Een voor twee jaar overleden supper-intendent was een van de sterkste ijveraars geweest voor het bouwen van den oven voor verbranding van lijken, die zich tegenwoordig nog te Gotha bevindt. De hoogste opziener der kerk, ijverende voor een heidensche instelling. Dit teekent.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 april 1891
De Heraut | 4 Pagina's