Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Innerlijke roeping van

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Innerlijke roeping van

10 minuten leestijd

Dienst des Woords {12).

Innerlijke roeping van Godswege, en uitwendige zending door de kerk moeten dus samengaan. Nu is, dit spreekt vanzelf, de innerlijke roeping hierbij onmisbaar. Niet in naam van de kerk, maar in naam van God Almachtig wordt gepredikt. Wat tot de gemeente gebracht moet v/órdeh, is niet het woord van Ds, A. of B; noch ook het woord der kerk; maar het Woord Gods. Het ambt blijft: Bediening des Goddelijken Woords: Verbi Divini ministerium.

Slechts zij men op zijn hoede, dat men deze beide niet los naast elkander plaatste. Iemand kan een zeer sterken drang bezitten, om als Dienaar des Woords op te treden; en toch, zoolang God de Heere geen wegen ontsluit, om hem daartoe te doen geraken, en er geen kerk is, die hem wettiglijk beroept, blijkt hieruit, dat hij zich of vergist en God hem niet riep, ook al waande hij het; óf wel, dat God hem wel dringt en perst, maar dat Gods tijd nog niet gekomen is. Zielkundig nu is dit op tweeërlei wijze te verklaren. Het kan namelijk zijn, dat in iemands hart een leugenqeest is uitgezonden, die evenals de profeten bij Josaphat, ook hem misleidt, en hem de inbeelding geeft van een roeping Gods, die van Gods zijde niet bestaat. Dit is herhaaldelijk voorgekomen bij mannen ais David Joris en anderen, die op zulk een innerlijk besef afgaande, zich een roeping aanmatigden, en toch feitelijk niets gedaan hebben, dan Gods kerk verwoest. Maar het kan ook zijn, dat zulk een drang een verzoeking voor ons geloof is, om te beproeven oi we, zulk een drang in ons ontwarende, nochtans in gehoorzaamheid wandelen, en alzoo niet zullen optreden, dan in een van God geordenden weg. Wie nu toch optreedt, buiten den geordenden wettigen weg om, die valt in ongehoorzaamheid, en bezwijkt alzoo in de beproeving van zijn geloof.

Daarom mag de innerlijke roeping nooit afgescheiden van de zending door de kerk. Beide behooren bij elkaar en zitten dooreengestrengeld. Dit is niet zoo te verstaan, alsof de roeping der kerk zelve de innerlijke roeping ware, maar wel in dien zin, dat beide én de inwendige én de uitwendige roeping, de ééne zoowel als deandere, van God komen, en dat in deze beide saam eerst de ware volle goddelijke roeping tot stand komt. In de kerk onzer ballingen te Londen werd dan ook wel terdege aan den geroepen leeraa: gevraagd: Of hij in zijn hart gevoelde, dat God hem door de werking van den Heiligen Geest tot de aanvaarding van den Dienst in deze roepende kerk bewoog. En dat nu is het ware uitgangspunt, ; God roept in twee deelen, zoowel door de I uitwendige roeping der kerk, als door de \ inwendige roeping van den Heiligen Geest, en eerst waar deze beide aanwezig zijn, is de roeping van God tot de Bediening van het Woord volkomen.

Wel zij men intusschen wat deze inwendige roeping door den Heiligen Geest betreft op zijn hoede, om nooit de bijzondere roeping, die eertijds aan de heilige Profeten en Apostelen ten deel viel, op zichzelven toe te passen. Wie dat doet verwart, wat niet verward mag worden. Doordien namelijk de Profeten en Apostelen geen roeping van de kerk ontvingen, gaf de Heilige Geest faun rechtstreeks de beide roepingen, zoowel wat thans de inwendige roeping als wat thans de uitwendige zending is. In het eerste nu staan alle Dienaren ook thans nog met de Profeten %Xi Apostelen op één lijn; maar in het tweede niet. Immers ook de uitwendige roeping ontvingen de Profeten rechtstreeks van den Heiligen Geest, maar ontvangen de Dienaren thans ook wel van den Heiligen Geest maar middellijk door de kerk.

Het verschil dat hierin steekt, is niet moeilijk in te zien.

De inwendige roeping is niets dan een innerlijke drang des Geestes, om God den Heere in de verkondiging des Evangelies te dienen; maar bepaalt niets naders omtrent de wijze, waarop dit zal geschieden; öf dit zijn zal in de bediening des Woords, in den weg van evangelisatie, door missie, of wat ook, In de tweede plaats bepaalt deze innerlijke drang niet-s omtrent \AX terrein, waarop men zal arbeiden. En in de 'derde plaats bepaalt deze inwendige roeping des Gee.stes niets omtrent den bepaalden inhoud des Woords, dien we zullen verkoiïdigen.

Maar bij de uitwendige roeping is dit wel zoo. De uitwendige roeping der kerk wijst duidelijk aan, als hoedanig ge moet optreden; in welke kerk ge zult dienen; en wat de inhoud van uv/ verkondiging zal zijn, daar zij u bindt aan de Heilige Schrift, en diensvolgens aan de belijdenis der kerk. En zoo J1U was het ook bij de Profeten en Apcstfclen. Deze nisnnen ontvingen niet alleen een algeoieenen drang en persing in de ziel, om God te dienen in het aankondigen aan hun medc^chepselen van zijn geboden en beloften; maar ontvingen daarenboven nog de klare en duidelijke aanwijzing van het ambt waarin ze badden op te treden; van ket terrein waarop ze hadden te dienen; en van den last dien ze te brengen hadden. Ze werden gesteld in het ambt van Profeet of Apostel; ze werden gezonden gelijk Jona raar Ninevé, of gelijk Paulus tot de heidenen; en ze ontvingen den last omtrent hetgeen ze te verkondigen hadden.

Zoo ziet men dus klaarlijk, dat hetgeen thans door den Heiligen Geest deels r^^r^/streeks in het hart, en deels middellijk door de kerk wordt gewerkt, bij deze mannen rechtstreeks beide door den Heiligen Geest werd gewrocht. Een dienaar des Woord, die goed staat, heeft thans i". van den Heiligen Geest rechtstreeks den drang in het hart ontvangen om den Heere in zijn heiligdom te dienen; en 2". van den Heiligen Geest middellijk, d.i. door de kerk, de opdracht ontvangen, om dit te doen in het ambt van dienaar des Woords, om het te doen in die en die kerk; en om in die kerk die en die leer te verkondigen.

En nu ontvingen ook de Profeten en Apostelen wel evenzoo én dezen innerlijken drang én deze bepaalde aanwijzing, maar zij ontvingen ze beide rechtstreeks. Dit houde men wel uiteen.

Het kan toch niet anders, of wie zulk een innnerlijken drang in de ziel gevoelt, kan niet nalaten, als hij van de Profeten en Apostelen leest, bij zich zelven te denken : „Ja, mannen Gods, iets van vvat gij hadt, heb ik ook." En dat is dan ook zoo. Maar in plaats van nu bij deze mannen wel te onderscheiden tusschen hun algemeene roeping, en de bepaalde aanwijzing die ze ontvingen, en alleen die eerste op zichzelven toe te passer, om voor die tweede de roeping der kerk In de plaats te stellen, is het nu te allen tijde voorgekomen, dat men ook dat laatste op zich zelf liet slaan. En dan natuurlijk slaat men den bal geheel mis, en gaat men rechtstreeks tegen de Heilige Schrift in. Een kwaad dat vooral gevoed wordt door onvoorzichtige bevestigings-en intree-predicatiën. Dan toch wordt men zoo licht verleid, om tot tekst te nemen een der uitspraken, die cenig Profeet of Apostel omtrent zijn eigen roeping neerschreef; en dan natuurlijk is er maar een kleine onvoorzichtigheid bij de uitlegging of de toepassing noodig, om opeens in het verkeerde spoor te geraken. Want wel is het sober gebruik van zulke teksten niet uitgesloten, overmits er tusschen de buitengewone zending der Profeten en Apostelen en de gewone zending der dienaren altoos een derde van vergelijking bestaat; maar het is dan volstrekt noodzakelijk, dat men bij de uitlegging nadrukkelijk op dit scherpe onderscheid tusschen de buitengewone en de gewone roeping wijze; gelijk onze vaderen dit in hun kantteekening op de Heilige Schrift steeds gedaan hebben. Maar wie slecht exegeet, en bovendien wat dweepziek van aard is, en geen te kleinen dunk van zich zelven heeft, loopt zeer groot gevaar juist door de keuze van zulke teksten voor een intreerede, het spoor bijster te raken.

De „inbeeldingen des harten" doen hier zoo ongelooflijk veel kwaad; met name bij jonge mannen voor wie het „predikant worden" een ontzaglijke verhooging van hun maatschappelijke positie is; en dat vooral in dagen, waarin de beurzen geopend worden, om onbemiddelde jongelingen voor den Dienst op te leiden. Want wel ontkent niemand, dat het ook in zulk een geval het echte werk des Geestes in de ziel kan zijn; maar het ligt toch voor de hand, dat menig jong m.an, die feitelijk niets van zulk een drang des Heiligen Geestes in zich bespeurt, het denkbeeld heerlijk vindt, om voor

anderer geld dominee te worden, terwijl zijn broeder thuis boer blijft of aan de schaalbank staat. En juist daarom kan er niet ernstig genoeg op worden aangedrongen, dat men vooral in zulke verleidelijke omstandigheden, het diepgaand verschil tusschen » eigen inbeeldingen" en een drang des Heiligen Geestes toch scherp in het oog vatte. Vooral zoo het op de vraag: „Wat moet ge worden? ", zoo telkens heet: „Neen, geen oelenaar, en ook geen evangelist of zendeling, maar.. . dominee." In verband met het bovenstaande lette men wel op . de eerste vraag in het Formulier van bevestiging voor Dienaren des Woords.

^> : Dievraag luidt: »Eerstelijk vraag ik u, " of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven, tot dezen heiligen dienst geroepen zijt? "

Welke nu is de zin dezer woorden? Dit toont de historie.

De oorspronkelijke stof voor deze vraag is namelijk door a Lasco geleverd, die den te bevestigen Dienaren in hoofdzaak dit afvroeg: „Gevoelt gij in uw hart, dat de Heilige Geest u in uw hart beweegt, oni dit u opgedragen ambt, tot Gods glorie te aanvaarden? "

Hier werd dus van de roeping door de kerk gezwegen; en dit kon in Londen, omdat men daar destijds nog niet tobde met de mystieke gevoelens der Anabaptisten.

Maar in ons land ging dit niet. Vandaar dat men hier in 1574 de vraag het eerst aldus stelde: „Of gij gevoelt in uw hart, dat gij van God en-zijne heilige gemeente wettiglijk tot dezen dienst geroepen zijt? "

Dit echter gaf te veel den schijn, alsof de inwendige roeping en de uitwendige roeping los naast eikander stonden; en daarom is toen in 1578 de orde omgekeerd en geworden gelijk die nu is.

Juist dit verloop toont intusschen, dat men ons Formulier onrecht aandoet, door het voor te stellen, alsof iemand, die zoover was, dat zijn beroepingsstukken in orde waren, daaruit concludeeren mocht: Dus ben ik van God zelven geroepen.

Dan zou er niet staan: „Of gij gevoelt, dat gij van God zelven tot dezen heiligen dienst geroepen zijt." Immers, of de stukken van mijn beroep in orde zijn, beoordeel ik met mijn verstand, rnaar gevoel ik niet in mijn hart.

En de zaak komt dus hierop neer, dat in deze eerste vraag niets voorkomt over de beroepingsstukken, maar dat er in zit: „Ofgij in uw hart de overtuiging bevindt: i". dat de gemeente die u roept een. gemeente Gods is; 2". of gij geen aanklacht in uw conscientie voelt van eenig ongeoorloofd middel te hebben aangewend om de beroeping uit te lokken, en 30. of gij, alzoo nu voor deze roeping staande, en mede op grond hiervan, in uw hart gevoelt, dat in deze roeping God zelf u roept om in deze kerk als zijn dienaar op te treden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 april 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Innerlijke roeping van

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 april 1891

De Heraut | 4 Pagina's