Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De heer Ds, S. Dijkstra zond een

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heer Ds, S. Dijkstra zond een

6 minuten leestijd

tractaalje rond, ter bestrijding van een opstel v van Ds, Ploos van Amstel, opgenomen in de bekende reeks Tractaatjes.

In dit tegen-tractaatje is Ds. Dijkstra verre, van malsch.

De Doleantie is „in merg en been Farizeeuwsch." Ds. Ploos van Amstel is in zijn anders zoo uitnemend karakter door de Doleantie bedorven. Hij is een lasteraar en verdachtmaker. De Doleantie is een gewrocht van „list" en „plannenmakerij", „vrucht van het drijven des vromen vleesches." En zoo gaat het voort.

Dat we, blijkens deze laatste betiteling, d in dit tegen-tractaatje met Antinomianisme i te doen hebben, is duidelijk. Ook de slotzinsnede bewijst het. Daar toch leest men:

Ik eindig met een woord van Ds. Ploos van Amstel, Wilt gij de Kerke Christi bouwen, houdt u dan aan Gods Woord en daaraan alleen. Maar ik voeg hieraan toe: houdt het t g o s Woord Gods naar de rneening Gods en niet naar de meening der menschen. Kunt gij dat? Ik niet. Het Woord Gods is volmaakt en eischt het volmaakte, en ik deug niet, mijn werk deugt niet. Nochtans: Schoon 'k arm ben en ellendig, denkt God aan mij bestendig, en daarom juich ik: »de Heere is mijn Heil!

Deze theorie, om te zeggen: Zoo hoog slaat de dienst des Heeren. Kunt gij Hem alzoo diener.' Ik niet. Ik deug niet, en mijn werk deugt niet.' En dan daarin te vluchten, dat toch God aan ons denkt, — eilieve wat is het anders dan een naakte repetitie van wat de Antinomianen aller eeuwen beweerd hebben?

Immers van de kerkelijke zonde op de levenszonde overgebracht, heet dit: Eerlijk voor God zijn, staat zoo ontzettend hoog. Kunt gij het? Ik niet. Ik deug niet in mijn doen en laten en mijn nering deugt niet. Maar God denkt aan mij bestendig. En zoo zondigt men voort.

Doch dit daargelaten, dient op dneërlei in dit tegentractaalje de aandacht gevestigd.

Vooreerst hierop dat volgens Ds. Dijkstra de geldelijke schade niet op de Doleerenden rust, maar op degenen die onder de Synodale organisatie bleven. Hij zegt er van:

Het zou mij niet moeielijk vallen te bewijzen, dat vele predikanten die niet in doleantie gingen, omdat ze overtuigd zijn, dat de doleantie niets dan menschenwerk is, vrucht van slimme plannenmakerij en niets anders, grootelijks stoffelijke schade door hun niet meegaan geleden hebben en nog lijden, en eveneens dat zij die wél meegegaan zijn, zich daardoor aardig bevoordeeld hebben.

Nu is dit zoo gesteld, dat het te verdedigen is naar de letter. Er zijn metterdaad Synodale predikanten, die de lieide van een deel van Gods volk verloren, en dientengevolge nu een enkel cadeau in geld of gave niet meer ontvangen, dat hun vroeger uit liefde gegund werd. En het is ook v/aar, dat er hier en daar wel een enkele Doleerende te vinden is, die nu in zijn winkel klanten zag komen, die hem vroeger voorbijliepen.

Maar als Ds. Dijkstra nu eens niet antinomiaansch, maar als rechtschapen man redeneert, zal hij toch zelf toegeven, dat zulk een zinsnede óf niets zegt, óf misleidt.

Ook hij weet dat de Synodalen hun S traktementen, fondsen, gebouwen enz. alle behielden, en dat daarentegen de Doleerenden i'. kerken moesten bouwen; 2". pastorieën dito; 3". scholen dito; 4". voor hun armen moesten zorgen; s". voor de predikantstraktementen moesten bijdragen; 6". de proceskosten moesten betalen, en 7". de kosten voor den eeredienst hadden te dragen.

Hij weet alzoo, dat de Doleantie haar aanhangers op zeer duren geldelijken prijs te staan kwam; een prijs dien ze volgaarne en dankzeggend betalen, omdat ze er hun vrijheid en de zuiverheid van hun positie door herwonnen; maar die, toch ook zoo, een zwaar geldelijk offer blijft; terwijl de Synodalen als zoodanig niets verloren noch iets te betalen hebben.

Ten tweede zegt Ds. Dijkstra: m

Zeker de Ned. Herv. kerk heeft vele en groote gebreken. Maar zij hield daarom niet op eene ware kerk te zijn. Dit werd zelfs in 1884 nog door Dr, Kuyper bepleit. Is zij er dan in de twee jaren n.l. van 1884 tot '86 zooveel slechter op geworden omdat de pogingen van Dr. Kuyper c.s. verijdeld werden?

Op zichzelf is ook deze tegenwerping juist. Nog in 1884 hebben wij het blijven onder de Synodale organisatie tegen de afscheiding verdedigd. Na 1886' deden we dit niet meer. v z d n o

Toch mag ook hier gevraagd, of Ds. Dijkstra deze zinsnede als man van rechtschapen zin kan verdedigen?

Immers hij weet: i", dat Dr. Kuyper in 1886, en herhaaldelijk daarna, openlijk verklaard heeft, toen nog verdedigd te hebben, wat hem van achter bleek onverdedigbaar te zijn; 2". dat ook nu nog de Separatie voor hem niet de consequentie uit den bestaanden toestand is; en s*". dat juist sinds 1886 de Synodale organisatie zich in al haar demonische felheid, als sparende de loochenaren van den Christus en als vervolgende de oprechte belijders, betoond en geopenbaard heeft.

En ten derde zegt hij:

Ds. Ploos van Amstel vraagt: wat zou men vroeger wel gezegd hebben, indien ieder die wilde, had geofferd in dén tempel en er geen onderscheid was gemaakt, tusschen het heilige en onheilige ? Maar zulks is immers zeer dikwijls geschied. Vaak werd het heilige, geheel door het onheilige verdrongen. Denkt slechts aan Achaz' en Manasse's dagen. En gingen de geloovigen toen loopen; scheiden de profeten zich af? Neen zoo laf waren ze niet. Zij bleven op hun post en streden tegen h'et verkeerde. Dat voorbeeld wensch ik door de genade des Heeren te volgen. Overtuigd als ik ben, dat heel de doleerbeweging niets is dan de vrucht van het drijven des vromen vleesches, zou ik onmogelijk meê kunnen gaan.

Deze zinsnede nu is, zelfs gelijk ze daar staat, onjuist.

Immers staat het blijkens Jesaia 8:16 vast, dat de Heere Jesaia gebood om zich met zijn getrouwen van de officieele kerk terug te trekken. „Bind de getuigenis toe, en verzegel de wet onder mijne leerlingen." En niet minder staat het vast dat de Heere Jezus Christus een organisatie tegenover de toenmalige Joodsche kerk in den kring zijner apostelen heeft opgericht, en voor die organisatie zijn eigen Sacramenten heeft ingesteld.

Doch ook afgezien van de letter, begaat Ds. Dijkstra hier de groote fout, waar Voetius en onze groote theologen altoos tegen gewaarschuwd hebben, om namelijk het onderscheid uit het oog te verliezen tuschen de schaduwachtige nationale kerk van

Israël en de geestelijke wereldkerk des Nieuwen Verbonds.

Dit nu doet niet, wie goed theoloog is, en wie het toch doet, heeft het zich zelf te wijten, zoo niemand voor dit schot met los kruit uit den weg gaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1891

De Heraut | 4 Pagina's

De heer Ds, S. Dijkstra zond een

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 mei 1891

De Heraut | 4 Pagina's