Nog steeds verkeert men te zeer in de
Amsterdam, 22 Mei 1891.
dwaling, alsof hetgeen vele orthodoxe predikanten bewoog om onder de Synodale rganisatie te blijven, bijna uitsluitend geegen zou zijn in hun vreeze voor geldeijke schade.
Dat dit argument medewerkt, staat ij ons vast, om de eepvo'idige reden, dat
er zijn, die in 1886 op het punt stonden van met de Doleantie, meê te gaan, en ons zelf persoonlijk verklaard hebben, dat hierin hun onoverkomelijk bezwaar lag.
Maar toch overdrijve men niet. Het is niet dit bezwaar, dat bij allen even sterk drukt, en veel minder mag in het geldelijk bezwaar de beweegreden van de keuze der meesten gezocht worden.
Veeleer mag aangenomen, dat én het voorbeeld der Afgescheidenen én het voorbeeld der Doleerenden, thans voldingend bewezen heeft, hoe elke kerkelijke groep, die op vrijheid en zelfstandigheid prijs stelt, zeer wel in staat is zelve den geldelijken last te dragen.
Hoezeer dus de „dubbeltjesquaestie" invloed moge oefenen, toch zijn we overtuigd dat het hoofdbezwaar ergens anders ligt; en wel in de leer en in de belijdenis moet gezocht.
Een kerk, die zelve in haar eigen onderhoud voorziet, wordt uit den aard der zaak alleen door de warmte van haar overtuiging tot het brengen van geldelijke offers bekwaam gemaakt.
Ons Calvinistisch volk zou dus nimmer op eenigszins milde wijze tot het brengen van zware geldelijke offers bereid zijn, dan wanneer het wist, dat het kerkelijk leven en met name de bediening des Woords, gegrond t^'' zou zijn op de belijdenis der Gereformeerde kerken.
Onze Gereformeerde kerken hebben eeuwen lang een harden, bangen strijd voor heur belijdenis van de waarheid gestreden, en te Dordrecht in 1619 de schoonste overwinning voor de belijdenis van Gods souvereine genade bevochten.
Dit is nu haar geestelijk kleinood, waarvan ze zich door niets willen laten aftrekken, maar waar ze dan ook alle offers voor over hebben.
Nu zijn echter de meeste dezer predianten opgevoed in kringen waar deze beijdenis niet meer in eere was. Hoeveel choons ze dan ook in de Belijdenis bewonderden, toch waren ze tegen deze Beijdenis als accoord van kerkelijke gemeenchap steeds sterk ingenomen. Da critiek had hun blik beneveld. En ze waren het eigenijk met deze Formulieren van eenigheid iet meer eens.
Vandaar dat de voor hen meest geenschte, ja eigenlijk eenig mogelijke posiie die van een kerk is, waar ^een leertucht ordt uitgeoefend en waar ze toch vrij zijn, m zooveel van de aloude Belijdenis te rediken, als hun bijbleef.
Qp hun niet-Gereformeerde bijmengsels ordt dan geen aanmerking gemaakt. Ze unnen dan over de fijne puntjes heenglijen. En tegenover de Modernen en Groingers blijft men dan nog de orthodoxe an.
Raakte men daarentegen onder deze ynodale organisatie uit, dan zou men ich in een positie brengen, waarvan leerucht onafscheidelijk was; en dat zou niet aan.
Dan zou het niet-Gereformeerde al spoedig an den dag komen en de zoo hoog geaardeerde persoonlijke vrijheid van den rediker niet langer bestaanbaar zijn.
En dit nu zeggen niet wij; maar men erinnert zich hoe Ds. Buytendijk in zijn Weekblad met ronde woorden en onbeimpeld uitsprak hoe hij en de zijnen uist om deze reden .zich verzett'en tegen lke poging om een betere organisatie in et leven te roepen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1891
De Heraut | 4 Pagina's