GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Laat daar uw gave bij het altaar.”

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

„Laat daar uw gave bij het altaar.”

9 minuten leestijd

Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, Jaat daar uwe gave voor het altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer uwe gave. (Matth, 5 : 23, 24).

Indien ge in uw ziel overtuigd zijt, dat ge u nog niet »met waren harte tot God bekeerd hebt"; of ook na een val in zonde u niet opnieuw met waren harte bekeerd hebt tot uw God, moogt ge natuurlijk niet aan het heilig Avondmaal gaan.

Ge staat dan met uw hart afgekeerd van uw God. Gij wilt volharden in uw vijandschap tegen den Heere. Ge weigert u tot hem te bekeeren; althans met waren harte. En hoe zoudt ge dan onder de vrienden des Heeren aan zijn heilig Avondmaal sluipen?

Neen, de Heere roept en wacht aan zijn heiligen Disch geen zondaren, die hardnekkig in hun zondig bestaan volharden; maar alleen de zoodanigen, wien hun zondig bestaan van harte leed is; die diep in de ziel hun zondig bestaan verfoeien; en alsnu niet langer weigeren als verlorenen en doemscbuldigen te drinken uit de Fontein die opgericht is voor het huis Israels tegen de ongerechtigheid en tegen de zonde.

Zich niet te bekeeren tot den levenden God,

en in zijn onbekeerden staat toch aan het Avondmaal te gaan, kan geen geloof sterken, omdat er in den onbekeerde geen zaligmakend geloof is. In zulk een is nog niets dan ongeloof. Juist door het Avondmaal zou dat ongeloof dus in u verhard worden. En dit zou zijn een oordeel ten kwade over uzelven brengen.

Doch nu geraakt ge in tweestrijd.

Ge deedt openbare belijdenis, om toegang tot het heilig Avondmaal te erlangen. Gij zijt dus ingelijfd bij hen, die ten Avondmaal moeten gaan. En zie, nu is toch als het Avondmaal weer naakt, uw geestelijke toestand van zulk een onbekeerden aard, dat ge niet ten Avondmaal kunt of moogt gaan.

Zegt ge toch: »Ik deed openbare belijdenis, en op dien grond ga ik", dan verderft ge het Avondmaal van Christus. Immers uw openbare belijdenis is een uitwendige daad, en de grond van uw Avondmaal moet geestelijk zijn.

­ Toch is het alleen de zonde, die strijd doet geboren worden.

Elk gedoopte staat onder de verplichting, om zich, zoodra hij tot jaren van onderscheid gekomen is, »met waren harte tot zijn God te bekeeren''; en eerst als hij dit metterdaad gedaan heeft, kan en mag hij openbare belijdenis doen.

Want ook hier geldt hetzelfde, wat van het heilig Avondmaal geldt. Te zeggen: »Ik heb mij nog wel niet tot mijn God bekeerd. Dat zal later wel komen Maar nu doe ik alvast belijdenis'', is spelen met het heilige. Ot wat is belijdenis anders, dan opstaan in het midden der gemeente, om alsnu te verklaren, dat ook gij een van de vrijgekochten des Heeren zijt en op dien grond den Middelaar als uw Heiland wilt belijden.

Die plicht tot bekeering rust natuurlijk op de onderstelling van wedergeboorte; of hoe zou iemand zich ooit met waren harte kunnen bekeeren, tenzij God hem eerst wedergeboren had?

Maar gaat die onderstelling bij u door; heeft God op verborgene wijze het zaad des levens in den akker van uw hart gestrooid; en werkt alzoo, onder het zegel van uw Doop, de kracht der toekomende eeuw in u; dan is door Gods genade de bekeering u ook mogelijk geworden; en is het niets dan uw eigen zondige boosheid en moedwil, zoo ge u niet tot uw God bekeert.

Hier ligt dus een keten des heils, die heerlijk in haar schalmen ligt saamgeschakeld: De wortel des heils is uw uitverkiezing; krachtens die uitverkiezing werkte God in u, daar gij dood waart, het beginsel des nieuwen levens door de wedergeboorte; op dien grond wordt gij in den naam van den Drieëenigen God gedoopt; als gedoopte zijt ge gehouden en verplicht u tot den levenden God met waren harte te bekeeren; zoodra ge dit deedt, doet ge o openbare belijdenis; en na aldus openbare belijdenis gedaan te hebben, dat ge weet over­ g gezet te zijn uit den dood in het leven, treedt d ge nu met de verlosten toe aan het heilig s Avondmaal.

Maar nu zijn tv.'^ee gevallen denkbaar. Als weer de bediening van het Avondmaal wordt aangekondigd, staat ge in dit zalig besef van uw bekeering, of ge staat er niet in.

Indien wel^ dan gaat ge. Geloovende, maar als een kleingeloovige, zoekt ge bij uw Heiland de sterking die hij u biedt voor uw geloof.

Maar indien niet^ dan is de poorte voor u gesloten. Ge hebt geen bruiloftskleed. Of omdat ge het nooit hadt; óf omdat ge meent het te zijn kwijt geraakt. Twee toestanden, die ge wel moet onderscheiden.

Neem nu het eerste. Stel dat ge in uw onbezonnenheid een dwaasheid hebt gedaan, en nu van achteren merkt, hoe ge ter openbare belijdenis van uw Heiland zijt opgegaan, zonder dat ge een Heiland hadt. Ge ziet dan nu in, hoe ge met een ganschelijk onbekeerd en Gode nog vijandig hart, u zijt gaan aandienen, alsof ge u met waren harte tot uw God bekeerd hadt.

In dat geval nu is uiteraard uw openbare belijdenis voor u nietig en van geener waarde, en zoudt ge eigenlijk tot uw kerkeraad moeten gaan, om te zeggen: Ik heb gelogen, ik heb geveinsd, ik heb verklaard wat ik niet kon verklaren. Sluit mij weer uit en ontneem mij mijn toegangsrecht tot den heiligen Disch.

_ Maar ge kunt nog beter doen. Er is een nog uitnemender weg.

Immers, door dien onbezonnen stap verviel uw plicht niet, om u alsnog, om u op staanden voet, om u in het heden der genade, eer het te laat is, en uwe ziel voor eeuwig verloren gaat, »met waren harte tot uwen God te bekeeren".

, En doet ge dit, op grond van uw wedergeboorte, dan natuurlijk maakt ge van achteren het holle en onware van uw belijdenis goed, en gaat ge alsnu schuchterlijk beschaamd maar in uw God vroolijk, aan den heiligen Disch meê op.

Dat is dus het punt waar het op aankomt.

Ge moogt niet redeneeren : Ik deed belijdenis, en dus kan ik aan het Avondmaal gaan. En ge moogt evenmin zeggen: Ik deed wel belijdenis, maar heb mij nog niet bekeerd, dus blijf ik van het Avondmaal weg. Neen, wat alleen goed is, is te zeggen: Ik deed belijdenis, maar zonder mij bekeerd te hebben; dus moet ik mij alsnog bekeeren, en dan ten Avondmaal opgaan.

Loop hier niet overheen.

De groote geestelijke fout is toch, dat zoo honderden bij honderden de roepstem tot bekeering niet hooren, die minstens viermaal elk jaar van Gods wege tot hen uitgaat.

Ze leven dan voort en voort zonder zich te bekeeren: en als er weer Avondmaal komt, J denken ze: Dit gaat mij nog niet aan. Later als ik eens bekeerd mocht worden, dan komt dat ook voor mij.

En dit nu juist is hun zonde.

Daardoor toch verachten ze 's Heeren Avondmaal, en halen in hun wegblijven en gedachteloos voorbijgaan van het Avondmaal een oordeel over zich.

Zie, de Heere Jezus sprak in zijn Bergrede ook van een man, die geen deel aan hem had, omdat hij onverzoend met zijn broeder stond.

Maar hoe teekent Jezus ons nu dien man?

Als iemand die zich om het heilige niet bekreunt? Als iemand die denkt: dat is niet voor mij?

Neen, zeg ik u, maar deze man, zegt Jezus, komt met zijn gave bij het altaar, en nu moet hij terug, om zich eerst tot verzoening met zijn broeder te bekeeren. Maar zijn gave moet bij het^ altaar blijven liggen, juist als roepstem, dat hy zich onverwijld van zijn zonde te bekeeren heeft, om terstond daarna weer te keeren en zijn gave te offeren. '

De Dienaren des Woords mogen dit dan ook wel wat ernstiger in de gemeente aan-I - ring erii I

Elk Avondmaal dat komt, is een roepstem, óf om ten Avondmaal op te gaan, óf om zoo men nog onbekeerd staat, zich in het heden der genade tot den levenden God te bekeeren.

Elk Avondmaal in de gemeente moet teweeg brengen, dat er weer onbekeerde zielen tot bekeering komen, en door die bekeering zich den weg tot het Avondmaal ontsluiten.

Uitwendige kerkelijkheid is hier de dood. Te zeggen: »Gij zijt lidmaat, dus kom!" is een ongeestelijk zeggen. Er moet tusschen ingelaseht dit andere zeggen : „Gij zijt lidmaat; dus immers bekeerd tot den levenden God? Zoo ja, treed dan toe!"

En nu het tweede geval.

Stel ge hebt niet gelogen bij uw openbare belijdenis. Ge hadt u metterdaad tot den Heere uw God met waren harte bekeerd. De Heere was uw Heiland geworden.

Zoo gingt ge eerst dan ook blij te moe op aan zijn heiligen Disch.

Maar sinds trokken er nevelen voor uw geloofsoog. Duisternisse sloeg op uw hart. Ge gaaft weer toe aan uw ongeloof. Ge vielt weer in allerlei zonden. De heilige zalfolie was weer verdonkerd op het gelaat uwer ziel. Zoo zelfs dat ge gevoeldet weer van uw God te zijn afgekeerd.

Nu roept het heilig Avondmaal.

Zult ge nu zeggen: »Daar ga ik niet." Of zult ge zeggen: „Ik ben eens bekeerd, dus doet het er niet toe, hoe ik nu ben. Ik ga." Lieve broeder of zuster, beide-zou kwaad gezegd zijn.

Ge moogt niet wegblijven, en toch ook: zóó moogt ge niet gaan.

Ge moogt niet wegblijven, want de genade aan u geschied blijft eeuwiglijk, en dus rust ook op u de verplichting, om den dood uws Heeren te verkondigen. Niet uw stemming, maar uw staat beslist voor het heilig Avondmaal; en juist dat Avondmaal is een u geboden middel, om weer met versche zalfolie overgoten te worden. G

Maar zóó moogt ge niet gaan.

Neen, die roepstem tot het Avondmaal moet u ontroeren in u zelven; moet u innerlijk schudden en wakker maken. Het moet er u toe brengen om op de borst te slaan; om op uw knieën voor uw God te vallen; om te roepen: »o. God, wees mij arme zondaar genadig!'' d e s

En dan gaat ge, tot uw God weer toegekeerd, en Hij sterkt u het geloof. d

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1891

De Heraut | 4 Pagina's

„Laat daar uw gave bij het altaar.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren