Zonder overhaasting, en zonder te lang
uitstel, heeft Ds. Huet van Goes dan nu toch rekenschap gegeven van zijn breken met het Spiritisme.
Hij deed dit in een vlugschrift, dat ten titel draagt: Na vijf jaren, en dat het licht zag bij Jacques Dusseau te Amsterdam.
De geachte schrijver erkent in dit stuk volmondig, dat hij jaren lang een beslist aanhanger van het Spiritisme geweest is, en belijdt met smarte, dat het hem jarenlang
van den Christus en van Gods Woord heeft afgeleid.
Eerst nu ontwaakte weer het besef bij hem, dat hij zijn Christus terug had en weer bij Gods Woord vermocht te kven.
Zijn conclusiën ten opzichte van het Spiritisme zijn dan ook verre van malsch,
In gelijken zin, als wij steeds beweerden, verklaart ook hij nu, dat het Spiritisme volstrekt niet altoos op zinsbedrog steunt, maar dat er vaak werkelijke feiten aan ten grondslag liggen.
Toch noemt hij het i". onbetrouwbaar, 2". gevaarlijk-, 3°. zondig, 4". van Christus afleidend; en s". antichristelijk.
Onze vroegere bedenkingen tegen het nu losgelaten standpunt van Ds. Huet worden hier dus volkomen bevestigd. Nog krasser dan wij het deden, veroordeelt hij nu zelf zijn eigen verleden.
Natuurlijk verheugen we ons hierover hartelijk, al blijkt ook uit dit geschrift, dat Ds. Huet thans voor de ethische richting partij kiest.
Zoo valt hij o. i. van dwaling in dwaling; maar toch verkwikt het ons hem den Christus Gods weer te hooren tegen jubelen met al de warmte van zijn ontvankelijk, zij het ook onvast, gemoed.
Ook deert het ons niet, dat D.^. Huet éta. nioed ftiiste, om met een enkel woord het onrecht te herstellen, dat hij ons indertijd aandeed, door op zoo felle wijze onze toecmalige critiek te bestrijden, zonder thans deze scherpe beoordeeh'ng van ons, nu voor deugdelijk erkend, protest terug te nemen.
Maar wat ons v/el leed doet, is dat Ds. Huet met geen enkel woord bescheid geeft op de vragen hem zoo dikwijls voorgelegd over zijn kerkelijke positie in die] ar en.
Juist in die jaren heeft het Synodaal Bestuur der Nederlandsche Hervormde kerk bij tientallen predikanten afgezet, die trouw aan de belijdenis bleven, en juist op grond van die belijdenis tegen de organisatie van 1816 protesteerden.
Nu wordt door zijn eigen schrijven thans het feit geconstateerd, hoe ditzefde Synodaal Bestuur jarenlang op den kansel in Goes een prediker geduld heeft, die een onbetrouwbare, gevaarlijke, zondige, van den Christus afleidende en antichristelijke leer was toegedaan.
Toch schijnt Ds. Huet hierin geen schreiend contrast, geen innerlijke leugen geen schreiende ongerechtigheid te aien.
Doch wat erger is, ook zelf spreekt hij met geen enkel woord over de zonde die hij beging, door jarenlang, als Bedienaar des Woords, alzoo zijn ambtelijken invloed tegen den Christus te misbruiken.
Dit nu verwondert ons.
Immers, het kan niet anders, of ook Ds, Huet moet zich wel eens hebben afgevraagd, hoe het kwaad te stuiten en goed te maken is, dat hij al die jaren in de kerk van Christus heeft aangericht, en dat nog wel als herder en leeraar.
Het verh.aal hoe h'j tot b^^ter invfc'^t kwam, moge aandoenlijk zijn, toch vraagt een kind van God niet in de eerste plaats naar het sentimenteele.
De conscientie gaat voorop.
En wat de conscientie raakt, Jag hier juist in zijn ambtelijke positie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juni 1891
De Heraut | 4 Pagina's