Dienst des Woords (20),
Zoo moet dan de Dienaar des Woords de kennisse van zijn gemeente, niet in het burgerlijke, maar in kerkdijken en geestelijken zin, vooreerst uit de Heiliq-e Schrift putten; ten tweede uit de historie der kerk; ten derde uit kerkdijken en geestelijken omganq; maar nu ook ten vierde uit eigen geestelijke ervaring.
Op dit laatste moet volle nadruk gelegd. Niet, dit versta men wel, als maakten we de geldigheid van den Dienst des Woords en de geldigheid van den Dienst der Sacramenten afhankelijk van den geestelijken staat, de gemoedelijke stemming of den genadetoestand van den leeraar.
Dit kan en mag niet, en alle sekten die dit gedreven hebben, zijn wel met den Geest begonnen, maar geëindigd met het vleesch.
Dit kan en mag niet:1". omdat deaan-Vifijzing van den persoon voor het ambt van leeraar djor feilbare menschen geschiedt, die geen hartekenners zijn, en alzoo de roepende kerkeraad buiten machte is, om ooit met zekerheid uit te maken, of de persoon op wien hij het oog vestigt, zich reeds bekeerd heeft of niet. Hij m^ zeker nooit iemand roepen, dien hij voor onbekeerd houdt; maar zijn oordeel hier over is zóó wankelbaar, dat kerkeraden soms iemand riepen, denkende dat hij onbekeerd was, die toch later bleek bekeerd te zijn; en omgekeerd vaak leeraars riepen van wie ze hooge geestelijke verwachtingen hadden, en die zoo dood bleken als een stuk marmer.
Dit kan en mag 2". niet, omdat elk ouder, eer hij ten Doop ging, en elk lid, eer hij ten Avondmaal ging dan bij zich zelven zou moeten uitmaken, niet alleen of de Dienaar zich wel bekeerd had, maar ook of hij sinds niet weer was ontvallen aan zijn geloof; ja zelfs of hij op dat eigen oogenblik wel onder genadewerking sond.
En mag en kan 3' niet, omdat God de Heere de gaven zijner genade door Woord en Sacrament niet in de macht van den Dienaar heeft gesteld, noch gebonden aan zijn petsoorilijke en cogenblikkelijke gemoedsstemming, maar uitsluitend aan de werking van zijn Heiligen Geest op het hart Woord en Sacrament zijn instrumenten, en instrumenteel werkt de Dienaar, maar alle inwerking op het hart der uitverkorenen komt van den Heiligen Geest.
Hieromtrent besta dus geen misverstand. Natuurlijk mag de kerkeraad niemand in eenig ambt beroepen, dan in de onderstelling dat hij wedergeboren is en zich uit kracht van wedergeboorte bekeerd heef'; maar God de Heere is zijnerzijds niet aan de bekeeringsdaad van den Dienaar gebonden. Hij blijft vrijmachtig, en heeft vele malen wonderen van genade gewrocht door het instrumenteel gebruik van Dienaren, die van achter bleken verre van Hem te staan.
Waar een lid der kerk op te letten heef t, is dus niet, of de leeraar "wedergeboren is, en zich bekeerd heeft, en staat in rijke geloofswerking; maar wel of hij den Dienst van Woord en Sacrament zuiverlijk verricht.
Blijkt dit, dan is het Dienst, en is hij aan dien Dienst gebonden, en voor dien Dienst verantwoordelijk aan God den Heere.
Toch neemt dit niet v/eg, dat een ongeestelijk piedikant uiteraard een misgeboorte is, en niet dan als een oordeel Gods over een gemeente kan gesteld worden.
Recht en eisch is het zelfs, dat hij die voorganger in het heiligdom is, ook in het heilige vooraan ga, en in bidding en smeeking worstele, om met genadegaven en geestelijk sieraad in milde mate bedeeld te worden.
Wat de gemeente noodïg heeft zijn geen letterknechten en houterige sprekers, maar mannen vol van kracht en des Heiligen Geestes; echt priesterlijke gestalten, die biddende handen voor al het volk tot God kunnen opheffen.
En alleen zulk een zal dan ook in waarheid tot de diepste en volledigste kennisse van zijn gemeente doordringen.
Wie zelf uit een schipbreuk gered wierd is het best in staat een schipbreuk te bezingen of op het doek te schilderen. Wie zelf moeder wierd is het best in staat een zuster in het kraambed ter zijde te staan. En zoo ook zal de ware en rijkste vertroosting in uw geestelijken nood u alleen toekomen van hem, die zelf de banden des doods gekend heeft, en er uit verlost wierd.
Alleen wie zelf de woestijn doortoog en het dal Achor kent en de Jordaan droogvoets overschreed, en inging in het leven onder Gods gunste, verstaat en begrijpt zijn gemeenteleden; weet ze te vatten in de verschillende stadiën van het geestelijk proces dat ze door moeten; en is in staat, om het Woord zoo aan te leggen, dat het de nog uit hun natuur levenden doodt en nederwerpt; de dooden ten leven roept; de struikelenden ophelpt; den gewonden balsera van Gilead toedient; en wie op Pniël worstelt in die worsteling ondersteunt.
Aan hooge afgetrokken beschrijvingen van het kindschap Gods heeft de gemeente niets. Gods kind moet genomen in het werkelijke leven, zooals hij worstelt met de inwonende zonde, bestreden wordt door satan, verlokt wordt door de wereld, en aangevochten wordt door zijn eigen vleesch.
Is men nu zelf vreemdeling in hetgeen onder dat alles in het hart omgaat, in de gedachten opklimt en ons als in het oor gefluisterd wordt, dan kan men zijn gemeente ook niet begrijpen; haar niet ontdekken aan zichzelve; en ze met den besten wil niet ter hulpe komen.
Ook de boeken moeten zeer zeker gebruikt, en treurig staat het met een leeraar, die teren blijft op het mager bezette plankje, dat hij van de academie met zich bracht. Maar toch de boeken alleen kunnen hem de wezenlijke kennisse van zijn gemeente niet geven.
Die werkzame, levende kennisse geeft alleen de Heilige Geest, en wordt alleen verworven door de leidingen des Geestes, die we zelven in de eigen ziel ondegaan.
Niet natuurlijk, alsof de prediker daarmee te koop moest loopen, of op den predikstoel zijn eigen levensweg in plaats van den verschen en levenden weg in Christus moest gaan afschilderen.
Wie dat doet, verzondigt de genade, die God aan zijn ziel bewees.
Maar wei moet er die geestelijke kennisse achter schuilen., en moet de geoefende hoorder aan elk stuk van de predicatie merken kunnen: Die man spreekt over een zee, die hij zelf bevaren heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juni 1891
De Heraut | 4 Pagina's