Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

5 minuten leestijd

GROOTE DWAZfiiV.

(SM.)

Dat de vriend nu wel overtuigd zou zijn, geloofde de koopman zeker. Toch wilde hij nog eens de proef nemen, opdat men niet zeggen zou, dat hij lichtvaardig oordeelde.

Op zekeren tijd dan ging hij naar de munt, waar het geld geslagen werd en voorzag zich daar van 100 splinternieuwe, glanzige schellingen. Dat zijn zilverstukken, die een waarde hebben van twaalf stuivers.

Nu ging hij tot een man in de buurt, iemand die niet veel in de wereld bezat en vroeg of hij een dag in zijn dienst wilde wezen. De ander nam dat aan.

Den volgenden dag zag men op de markt dienzelfden man. Voor hem stond een tafeltje, waarop een menigte blinkende schellingen lagen.

»Koopjes, koopjes!" riep de man. »Een goede, echte nieuwe schelling voor twee stuivers. Wie maar wil? "

Een hoop volk verdrong zich om het tafeltje. Allen stonden verbaasd. De een keek den ander aan en velen zeiden: »Die man is stapelgek. Hij verkoopt geld om geld te krijgen, en zou zoodoende telkens tien stuivers verliezen."

»Ja, " zeiden anderen, »als 't echte waren. Maar ge begrijpt toch wel, dat het namaaksel is. 't Zou immers al te dol zijn, als iemand J voor zijn pleizier hier stond te schreeuwen en nog verloor er bij."

De man — die voor zijn werk betaald werd — stond echter heel den dag op de markt te roepen en te schreeuwen. Doch toen het avond werd, had hij maar drie schellingen verkocht en dat wel aan ouders, die ze namen voor hun kinderen, »als een aardigheid, " zeiden zij, »hij wil ons bedotten, maar dat zal niet lukken, 't Is goed speelgoed voor de kinderen."

Of nu de man al eerlijk betuigde, dat het goede schellingen waren, 't hielp niet. De enkele koopers werden zelfs nog door 't volk uitgelachen. Hij bracht bijna alles bij den koopman weerom.

»Ziet ge nu, " sprak deze tot zijn vriend, nadat hij hem dit alles verteld had, »zulke dwazen zijn de menschen. Men kan hen alle dwaasheden doen gelooven, zooals bij de .eieren. En omgekeerd juist de waarheid, als bij de schellingen, gelooven ze niet. Er is geen goed aan hen te doen.''

Had die koopman daar gelijk in?

Vele jaren later was er ook in Engeland — waar men van zulke zonderlinge dingen veel houdt — iemand, die deze geschiedenis hoorde en er zeer door getroffen werd. Dit echter was een man, die God vreesde. Hij besloot ook eens een proef te nemen. Gij zult zien waartoe.

Op een tijd, dat de haring duur en schaarsch was, kocht hij een vaatje vol, en zond toen een man er mee de stad in, die roepen moest: »Hai-ing om niet! Haring om niet!" D

Veel volk kwam er toeloopen, maar vreemd, T niemand vroeg om een visch. De een zei: »Als 't wat goeds was zou 't zeker niet voor D niemendal zijn te krijgen." De ander sprak: »Als 't nu nog was voor een dubbeltje of zoo, dan zou ik 't vertrouwen." Weer anderen zeiden: »We zijn fatsoenlijke menschen en K nemen geen visschen aan voor niet."

Bijna al de haringen kreeg de man terug gelijk de koopman zijn schellingen. k

Toen sprak hij tot zijn vrienden, wien hij 't vertelde: Even dwaas als het volk hier, doen ook de menschen, die den Heere niet kennen. Hij biedt hen de zaligheid aan uit genade om niet. Maar de een zegt: die zaligheid beduidt niets: het niet waar zijn. De ander spreekt: als ik er nu zelf nog wat bij kon doen, mijn goede werken of zoo, dan ging het nog, maar nu!.... De derde zegt: Ik ben veel te braaf en te deugdzaam om zalig te worden uit genade, om niet. En al zegt hij dat niet ronduit, toch denkt hij zoo.

Mij dunkt, de man die zoo tot zijn vrienden v sprak, had volkomen gelijk. Wij zijn van nature r even dwaas als die menschen, waar ik van vertelde. Wij gelooven de leugen en verwerpen de waarheid.

Maar nu moeten wij toch niet zeggen: Daar is niet aan te doen. Want wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en heeft ons, d. i. E hun, die gelooven, het verstand gegeven, dat zij den Waarachtige kennen. En die Hem nog niet kennen aan hen wil Hij zich openbaren door zijn Woord. »Ik ben de Waarheid", zegt de Heere Christus en wie tot Hem gaat, die wandelt weldra niet meer in de duisternis, maar krijgt het licht des levens. d

AAN TRAGERS.

Op de derde vraag van onzen vriend M. omtrent de s, die de deelen van sommige woorden verbindt, kunnen we alleen zeggen, dat het best is, op te letten hoe het bij andere woorden is. Begint het woord, dat op de j volgt, zelf ook met s, dan kan men de eerste ƒ niet hooren, doch anders web We schrijven dus Zondagsschool evenals Zondagrust, Zondagsheiliging enz. Evenzoo handelsstad evenals handelskantoor, handelsbrief; oorlogsschip evenals oorlogsvaartuig enz. a v d v

Op een vraag van W. wat een »bovenkruier" s, moeten we antwoorden, dat naar ons beste eten, daarmee niet een mensch maar een olen wordt bedoeld, een houtzaagmolen en el zulk een, waarvan alleen de kap naar en wind gedraaid wordt. Misschien zijn ér el lezers, die 't beter weten. s E

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 augustus 1891

De Heraut | 2 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 augustus 1891

De Heraut | 2 Pagina's