Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ook in de pers gaat

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ook in de pers gaat

16 minuten leestijd

Amsterdam, 28 Aug. 1891.

Ook in de pers gaat plicht boven neiging; en zoo mag over hetgeen te Arnhem voorviel, ook in de Heraut niet geheel gezwegen worden.

Het droeve feit is notoir. Onze eens zoo warme vriend en broeder Vethake, die in 1886 meê vooraan in den strijd tegen de Synodale Hiërarchie stond, brak met de Doleantie en is onder de Synodale Hiërarchie teruggekeerd.

De wijze, waarop hij zulks deed, laten we rusten. Voor zoover bekend, heeft hij, toen bezwaren bij hem oprezen, met geen zijner Doleerende broederen hierover gesproken. Zijn kerkeraad heeft hij niet gewaarschuwd, maar eerst na zïjn vertrek bericht gezonden. Zijn kerk ontliep hij. Altemaal teekenen, die zekere vreeze doen vermoeden, om, zoo hij zich in gesprek mengde, weer aan het wankelen te worden gebracht.

Doch dit is bijzaak.

Hoofdzaak is, dat onze broeder Vethake blijkbaar tot eene overtuiging is gekomen, lijnrecht tegenovergesteld aan die, waarvoor hij in 1886 leed en streed,

pit nu zoo zijnde, kon noch mocht hij blijven waar hij was, en in zooverre moet i het feit van zijn heengaan volkomen worden gebillijkt.

Hiermee echter is de zaak niet uit.

Dat hij zijn broederen, met wie hij dusver liep, pijnlijk wondde, mag hem niet worden toegerekend. Waar heilige overtuiging spreekt en de eere van den Christus in het spel is, mogen we ons door geen sparende liefde voor de broederen van plichtsbetrachting laten terughouden. De waarheid en de eere Gods gaat bovenal.

Zoo handelden we zelf in 1886, en het zou laakbaar zijn, zoo de Heraut thans in Ds. Vethake wraakte, wat hij zelf steeds als regel van Christelijke gedraging bepleit heeft.

Ware door Ds. Vethake niet uit overtuiging gehaiideld, en had hem iets anders dan de drang der waarheid gedreven, dan, zeer zeker, zou dit geheel anders komen te staan; maar hoé zou, zoolang het tegendeel niet bleek, zulk een onchristelijke daad in een man als Ds. Vethake mogen ondersteld worden.' r

Wij onzerzijds nemen dan ook aan, dat Ds. Vethake, met Gods Woord voor zich, allengs twijfel heeft voelen rijzen over de vraag, of de eere van den Christus toch niet beter tot hsar recht kwam in-het Synodaal genoots^iap dan in de Gereformeerde kerken. "Pe nemen aan, dat hij als man van ernst, al wat beiderzijds over dit gewichtig punt is aangevoerd, wikte en woog. We nemen aan, dat hij steeds helderder uit Gods Woord gin^inzien, waarom wij ons vergisten en de Haagsche Synode, sprekende bij monde van den modernen predikant Perk, gelijk had. En we nemen ook aan, dat hij, na deze teedere, heilige zaak, in de worsteling der gebeden voor zijn God te hebben uitgebreid, eindelijk de heilige, vaste overtuiging in zijn bewustzijn voelde opkomen: «Neen, waarlijk, mijn lieve broederen vergissen zich. Niet bij hen, maar alleen onder de Haagsche Synode komt de eere van den Christus tot haar recht."

Natuurlijk begrijpen we niet noch vertaan w iets van, hoe zulks mogelijk is. aar ons menschéijk hart verrast ons telens door nieuwe raadselen, en om wat ge elf niet verstaat, moogt ge den broeder, its hij u rekensihap van zijn overtuiging eve, niet veroordeelen. t

Wel, dit geve» we toe, ligt hierin iets vreemds.

Oppervlakkig ieschouwd, zou men zoo zeggen, moest iemand, in wiens hart zulk een krasse ommekeer van overtuiging, in zoo teedere en heilige zaak, als de eere Christi is, rijpte, zidi door de liefde gedrongen hebben gevoeld, om zijn kerk, zijn kerkeraad, zijn medekerken en zijn vrienden en broederen, met Gods Woord in de hand, op hun ernstige vergissing te wijzen, en ze aan te manes, niet langer in den ver-keerden weer te volharden. En in zoo­ verre blijft vreemd. dit aitrekken met stille trom,

Maar ook hieri*or kan een verklaring in persoonlijke - -' rdigheid liggen, die wel dit nalaten ' zeer ernstjgen broederplicht mei goed maakt, maar toch eenigszins kan verschoonen.

Hoofdzaak is en blijft nu maar, dat Ds. Vethake thans spreke^

Op hem rust thans de onafwijsbare plicht, om rekenschap van zijn ommekeer van overtuiging te geven.

Niet met gemoedelijke overwegingen, noch met utiliteits-consideratiën, maar op grond van Gods Woord.

Hij heeft aan te toonen, dat de macht en het gezag, waarmee de Christus van Godswege over zijn kerk bekleed is, miskend wordt in de kerken der Doleantie en tot haar recht komt onder de Synodale Hiërarchie.

Toont hij dit aan, dan is hij gerechtvaardigd. Gerechtvaardigd in zijn weggaan van ons, en gerechtvaardigd in zijn terugkeer tot een hiërarchie, die hij in 1886 verwierp.

Imoiers, wie aan de eere van den Christus in zijn kerk te kort doet, zondigt. Hier geldt dus het van tweeën één.

Of wij begaan die zonde, door te volharden in den v/eg der Doleantie; of wel hij begaat die zonde, door onder de Hiërarchie terug te keeren.

Een derde is hier niet.

Had toch Ds. Vethake alleen met ons gebroken, zonder tot de Hiërarchie terug te keeren, zoo kon hij er meê van af, door allerlei fout in ons optreden aan te toonen. Maar dit deed hij niet.

Met schuldbekentenis, ja, met een betuiging van ootmoed, wier oprechtheid voorshands geëerbiedigd moet, wendde hij zich tot de Haagsche Synode, om vergiffenis te erlangen voor Wat hij misdeed.

Zelfs stelde hij de tegenstelling zóó scherp, dat ze niet scherper kon genomen.

Naar zijn getuigenis, staan wij in een weg van zonde tegenover den Christus, en is zijn daad yaa terugkeer een breken met een zonde zijner ziel.

Aan die zonde, waarin hij beweert, dat wij tegenover den Christus staan, wierd hij zelf in 1886 medeplichtig. Meer nog, hij was het, die als Dienaar des Woords zijn eigen kerk bewogen heeft, om aan die zonde meê te doen; en ruim vier jaren lang, heeft hij ambtelijk zijn gemeenteleden in dien weg der zonde tegen den Christus gehouden.

Het kan dus niet anders, of, zoo hij metterdaad uit heilige overtuiging handelde, moet de drang hem te machtig worden, om zijn kerk, om zijn kerkeraad, om isijn dolenden broederen duidelijk te maken, waarom ze feitelijk in verzet staan, tegen de eere van den Christus, en waarom ze dan eerst aan den Christus de Hem in zijn kerk toekomende eere geven zullen, zoo ze, evenals hij, met schuldbelijdenis, tot de Haagsche Synode en onder haar hiërarchische Organisatie terugkeeren.

Niet alleen onze fout, maar evenzeer het goddelijk recht dér Synodale Organisatie heeft Ds. Vethake, met bewijsredenen uit

Doet hij dit, dan zullen wij zijn bewijs; gronden hebben te overwegen, en dan zal van tweeen één b'ijken: óf dat wij zijn voetstappen hebben te drukken, óf wel dat er tusschen hem en ons een principieel geloofsverschil ligt.

Terugkeeren tot ons kan hij niet meer.

Wie in 1886 op het heiligst betuigt, dat hij van Godswege met de Organisatie breken moet; en in 1891 verklaart, dat hij van Godswege onder de Organisatie terug moet keeren; zou alle geloof aan zijn woord doen wankelen, zoo hij in 1892 weer met de Organisatie brak.

Dat geval sluiten we dus uit.

En het resultaat, zoo hij tekort schoot in zijn rekenschap, zou dus geen ander kunnen zijn dan dit, dat hij omtrent Gods Woord, omtrent den Christus of omtrent zijn kerk andere beginselen bleek te belijden, dan de Gereformeerde kerken dezer landen steeds voorstonden.

En dan natuurlijk zou de conclusie niet anders kunnen uitvallen, dan ze viel.

Immers alleen uit kracht van deze Gereformeerde beginselen is in zake de Doleantie gehandeld.

Een volgend maal over deze droeve zaak nog een korte historische herinnering.

Mét blijdschap zagen we, dat de Haagsche Synode op het stuk van den Doop tvach tot bezinning gekomen is, voor wat de Doleantie aangaat.

Voor drie jaren oordeelde ze nog anders, en, hierdoor misleid, had de kerkeraad der Synodalen te Amsterdam zich ten deze schromelijk in de vingers gesneden. In feilen hartstocht tegen de Doleerenden had deze kerkeraad namelijkaangenomen, dat een onzerzijds toebediende Doop ^^^^ Doop was, en had hij dan ook last gegeven, om een paar kinderen, die met hun ouders weer onder de Organisatie kwamen, te herdoopen.

Ds. Posthumus Meyjes o. a. heeft toen zulk een herdoop verricht.

Hoe het mogelijk was dat deze kerkeraad tot zulk een averechtsch besluit kwam, begrijpt alleen hij, die zich eenig denkbeeld kan vormen van de hooghartige laatdunkendheid waarmee hier de leiders der Synodalen op de Doleerenden neerzien.

Doleerenden zijn in hun oog een zoo diep gezonken menschensoort, dat het uiteraard ondenkbaar was, dat in den kring van zulke diep gezonkenen een Doop in den naam des Heeren kon verricht worden. Toch blijft het, ook al brengt men dit in rekening, een merkwaardig feit voor de kerkhistorie, dat een kerkeraad, waarin een kleine dertig theologen zitting hebben, tot zulk een, met heel de historie der kerk spottend besluit is kunnen komen. En dat te meer, omdat ondersteld mag, dat Prof. Van Toorenenbergen, die beter wist en ook , publiek voor beter getuigde, deze waarschuwende stem niet zal hebben teruggehouden.

Maar in Den Haag heeft men, na korte dwaling, thans dan toch in omgekeerden zin besloten. Da Haagsche Synode sprak uit, dat het nog eens doopen van de aldus gedoopten onbetamelijk zou zijn.

Voor den Synodalen Amsterdamschen kerkeraad een slag in het aangezicht, maar een eereredding voor het Christelijk bewustzijn.

Of hoe, den Doop van Room^chen, Grieken, Remonstranten, Groningers, Modernen, en zooveel meer liet men gelden, en een Doop geheel overeenkomstig de zuivere instelling des Heeren verricht, en verricht onder volledig gebruik van het Doopsformulier der Gereformeerde kerken hier te lande, zou men wraken.'

Dit was al te dwaas.

De Haagsche Synode begreep zeer terecht, dat men, door op dien weg voort te blijven gaan, zichzelven zou compromitteeren, en ten slotte toch op zijn onzinnig besluit, dan natuurlijk met dieper zelf beschaming, zou moeten terugkomen.

Er lag een min aangename herinnering in het Synodaal verleden, die ten deze tot bedachtzaamheid maande.

Toen namelijk in 1834 en volgende jaren de Reformatie van Ulrum uitging, had de Haagsche Synode in haar clericale geprikkeldheid zich aan dezelfde fout schuldig gemaakt.

Om de Afscheiding tegen te staan en te brandmerken, verklaarde men ook toen dat haar Doop geen Doop was.

Maar najaren bleek het onhoudbare van dit standpunt, en al was het met lood in de schoenen, toch is de Haagsche Synode er toen \.oi moeten komen, om dit haar zonderling en onverdedigbaar besluit in te trekken.

Ze heeft zich daarom ditmaal wijselijk wat gerept, om zich niet ten tweeden male aan denzelfden steen te stooten, en thans, met vernietiging van haar vroegere uitspraak, maatregelen genomen, om kerkelijke velleïteiten, a's de Synodale kerkeraad van Amsterdam zich ten laste liet komen, voor goed af te snijden.

Dit nu verheugt ons.

Wat Amsterdam deed was een beleediging voor het karakter van den heiligen Doop als zoodanig.

In de Presbyteriaansche kerken van Engelsche herkomst is in Amerika sinds een aantal jaren het verlangen ontwaakt, om zich nauwer aaneen te sluiten.

Vandaar de Presbyterian Alliance, of Bond van Presbyterialen, waarbij allen zich konden aansluiten, wier kerk door kerkeraden geregeerd werd.

Toch zag men al spoedig in, dat het niet aanging, zulk een Bond uitsluitend te doen

ïusten op het uitwendige feit van Presbyteriale kerkregeering, en deed zich al meer de behoefte gevoelen, om ook in de belijdenis tot zekere eenheid te geraken.

t Men riep om een Common creed of consentus creed, d. w. z. een kort opstel van enkele geloofspunten, waardoor het Gereformeerd karakter dezer kerken zou gewaarborgd zijn.

Zonderling genoeg is nu het verzoek, om tot zulk een Common creed mede te werken ook toegezonden aan de Haagsche Synode.

Maar deze zat er mee.

Wat zou ze er van maken? Wat viel op zoo ongelegen vraag te antwoorden.'

Ze kon toch moeilijk de waarheid zeggen, en verklaren, dat de belijdenis der Gereformeerde kerken bij haar voorgoed in de kist ligt; dat ^er zelfs in haar vergaderingen niet meer naar de Heilige Schrift wordt gevraagd; en dat ieder onder haar hoogheid predikt wat hij wil, aan niets dan aan de uitspraak zijner eigen rede en conscientie gebonden.

Neen, de schijn moest gered.

Niet hier te lande. Daar kon dat niet meer. Maar dan toch tegenover het buitenland.

En wat vond men er toen op?

Dit, dat men niets en toch iets zei; en toen is er geantwoord, dat er in deze Synodale kerk, o, ja nog waren, die aan deze belijdenisschriften waarde hechtten, maar dat er ook anderen waren, die er aan waren afgestorven; zoo echter dat de laalsten voor de eersten in niets onderdeden in liefde voor de kerk.

Nu van tweeen één.

Of men hield de buitenlanders die dit te .lezen kregen voor dommer dan onnoozel; of wel men kon zich vooruit voorstellen, hoe de broederen buitenaf hieruit met volkomen zekerheid zouden opmaken, hoe volstrekt deze kerk met de belijdenis der vaderen brak.

Voor de orthodoxe leden der Haagsche Synode moet het hard zijn geweest, aldus zelf mede te werken tot het proc'ameeren van hun eigen machteloosheid.

Ook in dit antwoord toch triomfeerde te eenen male de moderne opinie.

Een moderne kan zoo spreken en eerlijk blijven.

Wiè ook nog maar eenigszins orthodox is, niet.

De wereld-conferentie der Jongelingsverenigingen heeft een hartverhefïenden indruk chtergelaten.

Ze heeft ons uit het bekrompene en beerkte onzer kerkelijke verhoudingen weer eens verplaatst op dat breedere terrein, aarop de krachten des Koninkrijks onder llerlei natiën en volken saamwerken, als an God gegeven macht, om het verderf er ongerechtigheid en den vloek van het ngeloof tegen te gaan.

De Christenen uit den vreemde hebben ns door hun ernst verkwikt, door hun ezielenden toon aangegrepen, en door hun olharding bemoedigd.

Ze feverden het bewijs, hoe er onder alle volken nog een roepen voor en dringen naar den Christus is, waardoor in menige n kring van het nationale leven het hart verheven wordt boven den lagen horizont van het leven der wereld.

Ook op onze Jongelingsvereenigingen zal dit ten] goede werken. Heur blik zal er door verruimd zijn. Heur roeping zal er door verhelderd worden. Ze zullen dieper besef hebben ontvangen van heur beteekenis voor Kerk, Staat en Maatschappij.

Wellicht zelfs dat ook onze mannen van rang en aanzien tot het inzicht zullen gekomen zijn, hoe verkeerd ze deden, met hun steun en leiding aan deze gewichtige uiting van het Christelijk leven te onttrekken.

Immers het feit was onloochenbaar, dat de vreemde natiën bijna alle vertegenwoordigd waren door mannen van hooge beteekenis, terwijl onze Nederlandsche representatie onwillekeurig door hun uitnemendheid in de schaduw werd gesteld.

Nu zal niemand op zichzelf ons de bescheidenheid euvel duiden, die aan de vreemde gasten de eerste plaats deed inruimen, maar toch mag de wensch niet onderdrukt, dat, wierd ooit weer Nederland tot land van samenkomst gekozen, onzerzijds moge worden opgetreden met meer macht van het woord eii meer kracht van directie.

Jammer vooral, dat de man, die onzerzijds dan nog het meest op den voorgrond trad. Prof. Muller van Amsterdam, ongelukkigerwijze kon goedvinden, zelfs in het oog van den vreemdeling, deze broederlijke samenkomst door partijpolemiek te ontsieren.

Dit getuigt noch van tact noch van goede smaak.

Er bleek uit, hoe deze heer onder passiën staat, waar hij geen meester over kan blijven.

Iets, wat we aaneen Synodaal hoogleeraar, om het pijnlijke van zijn positie, nu wel vergeven kunnen, maar dat toch licht tot een werpen van de vonk in het kruit had kunnen leiden, indien de Gereformeerde broederen hem in zelf beheersching niet hadden overtroffen.

Aan hen komt dan ook de eere toe, dat zij door hun bezadigdheid de vergadering gered hebben.

Ze hielden zich uitnemend.

Wat echter niet wegneemt, dat een volgende regelJngscommissie wel zal doen, met een man als Prof. Muller niet meer aan het woord te laten, dan na zich vooraf verzekerd te hebben, dat de Christelijke kalmte in hem de passie der partijzucht verwon.

In No. 2217 van The Independent komt voor het Rapport van de Commissie, die belast werd met het ontwerpen van de wij-j zigingeo, die in de Westminster Confessie

door de Presbyteriaansche kerken in Amerika zullen worden aangebracht.

Ook onze roeping brengt mede, dat we deze voorgestelde wijzigingen aan ernstige critiek anderwerpen.

Want wel doelt deze rivisie der Confessie uitsluitend op de Gereformeerde kerken van Noord-Amerika; maar ook ten onzent mag nimmer vergeten, dat alle kerken Christi op aarde feitelijk slechts ééne kerk zijn; en dat op het stuk van belijdenis alle kerken, die eenzelfde gezuiverde of gereformeerde belijdenis bezitten, door een inniger band van geestelijke gemeenschap onderling verbonden zijn.

Wat de Westminster Confessie belijdt, belijden ook onze kerken.

En waar dus voorstellen aan de orde komen, om de Westminstersche Confessie te herzien en te wijzigen, rijst ook voor ons de vraag, of de wijzigingen die men voorstelt, metterdaad strekken om die belijdenis in nauwer overeenstemming met Gods Woord te brengen; of wel dat zich een streven openbaart, om verder van de waarheid der Heilige Schrift af te wijken.

In het eerste geval hebben ook wij de autoriteit van Gods Woord boven de belijdenis te eeren, en onze broederen in Amerika te danken voor hun warmen ijver. In het andere geval daarentegen hebben wij de waarheid onzer belijdenis te verdedigen, iï.j voor zoover broederplicht dit oirbaar maakt, onze broederen in Amerika te 'A'aarschuwen.

Nu kan in het algemeen gezegd, dat de voorgestelde wijzigingen niet zóó ver gaan, als door de meest afwijkende geesten werd gewenscht en verwacht.

De poging om den Calvinistischen karaktertrek ^^^^^/uit de Confessie van Westminster te doen verdwijnen, is hliikhaar misluèt.

Eenmaal zich opmakende, om dezeschoone Confessie te herzien, is men blijkbaar onder de macht van haar overweldigende waarheid gekomen, en heeft het niet aangedurfd, om haar eigenlijken hoeksteen geheel loste wrikken.

In zoover mag dan ook gezegd, dat de voorlezing van het rapport een teleurstelling voor de Arminianen was, en een pak van het hart voor de Calvinisten.

Toch voegt het onzen geestverwanten niet, zich deswege aan een valsche rust over te geven.

Voor hen moet het de vraag zijn en blijven, of Gods Woord al dan niet tot het aanbrengen van een of meerdere dezer wijzigingen dwingt.

Zoo ja, dan moeten ze deze wijziging met geestdrift ondersteunen.

Maar ook, blijkt, dat niet Gods Woord tot zulk een revisie noodzaakt, maar dat slechts een vrijer geest een poging waagt, om zooveel mogelijk aan de klem van het Calvinisme te ontkomen, dan moeten ze plichtshalve tegenstaan, en mogen ze niet v toegeven.

b Men vergete toch niet, dat de eerste stap / altoos bedenkelijk is, en dat, zoo men er cC thans in slaagt, op kleine schaal enkele '-eïuide elementen in deze Confessie in te \f jen, de deur is opengezet voor verdere (Constructie der belijdenis. b

Itïen zal dan niet den muur opeens sloopen, maar er ongemerkt telkens een steenlaag afnemen. C S m

En dan blijft de uitkomst toch, dat ten slotte heel de muur verdwijnt en het erf voor alle indringers open ligt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 augustus 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Ook in de pers gaat

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 augustus 1891

De Heraut | 4 Pagina's