Voor Kinderen.
IVa deu oogsttyd.
De zaaier strooit met volle hand Het zaad in 't omgeploegde land. En wonder! wat hij heeft gezaaid Wordt straks als koren weer gemaaid.
Het graan rust in de diepe voor. En breekt er stil zijn windslen door, Straks trekt een groene spruit ons oog; Een halmpje zendt de kiem omhoog.
Daar staat het trillend, bloot en klein En smacht naar dauw en zonneschijn, De zon ziet van haar hemelbaan Het teere spruitje vriendlijk aan.
Maar ach — daar nadren vorst en storm, 't Schuilt alles weg; èn mensch èn worm. Maar 't halmpje alleen kan 't niet ontgaan: In weer en wind moet 't blijven staan.
Geen nood; het is niet droef te moe. De hemel dekt met sneeuw het toe. Het ligt daar stil en wel bewaard Door Hem, die 't kiemen deed in de aard.
Voorbij is straks de winternacht. De leeuwrik zingt, de zon krijgt kracht. Het koorn ontwaakt; 't geboomte groeit Gelijk 'tgeblocmt; de lente bloeit.
Nu staan ook de aren slank en schoon Voor aller menschen oog ten toon. En als een groen en zwijgend meer Golft in den wind het heen en weer.
De zon, die 's hemels tent verlicht. Ziet met haar lachend aangezicht Op 't graanveld neer. In schoonen glans Draagt de aard des oogstes gouden krans.
Zie, de oogsttijd naakt; de sikkel klinkt, En wijl de schoven ruischen, dringt Uit 's vromen hart een jubelklank, Den Heer ten prijs en lof en dank.
Voor verwaande menschen.
Een sterke leeuw sloot eens vriendschap mét een blo o haasje, dat, toen de eerste schrik voorbij was, aan den leeuw wende en weldra heel vrij met hem was.
Eens zei de haas tot den leeuw:
»Vertel mij toch eens: Is het waar dat gij leeuwen zoo bang zijt voor een haan, en weg loopt als hij maar begint te kraaien? Ik kan 't haast niet gelooven. Want wat kwaad kan zoo'n haan een sterken leeuw doen ? "
»Toch is het zeker waar, " sprak de leeuw. »Wij beginnen te rillen als we een haan hooren kraaien. Trouwens, de meeste groote, sterke dieren hebben zulk een zwakheid, die zij niet kunnen overwinnen. De olifant b.v. is ook geen kleintje. Toch hebt gij misschien wel eens gehoord hoe hij volstrekt het knorren van een varken niet kan verdragen. Dat maakt hem naar, en dóet hem beven op zijn dikke pooten."
«Wezenlijk ? " sprak de kleine haas. »Ja, dan begrijp ik ook, waarom wij hazen zoo ontzettend bang zijn voor 'de jachthonden."
Het wentelend rad.
_ In het jaar 1400 voor Chr. regeerde de Egyptische koning, Sesostris of Ramses den Groote. Van zijn voorgangers weten we weinig. Zijn dagen waren een tijd van strijd op vele plaatsen. Doch eindelijk had Sesostris 't zwaard ter zijde gelegd om zijn naam te vereeuwigen door reusachtige tempels en paleizen. Hij had zijn land geregeld en verdeeld, en over elk der 36 gewesten een stadhouder aangesteld. Zijn leger telde 600, 000 man; zijn vloot bestond uit 400 schepen, die de Roode Zee doorkruisten. Hij was over de zuidelijke grenzen getrokken en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1891
De Heraut | 4 Pagina's