Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het natuurlijk vermoeden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het natuurlijk vermoeden

8 minuten leestijd

Het natuurlijk vermoeden, dat de zoo zonderlinge houding van vele Synodale predikanten bij de jongste stembus metterdaad haar verklaring vindt in hun afwijking op geestelijk gebied, wordt door de circulaire van Ds. J. Nierstrasz tot waarheid verheven.

In ééne dier circulaires toch lezen we dit:

Welke die eeuwige beginselen zijn .... dat mag noch kan de Staat uitmaken, dat kan noch mag beslist worden door lederen regeeringspersoon voor zich zelven, dat kan en mag alleen de Kerk, aan welke God zijn Woord heeft toevertrouwd en waarin de Heilige Geest voorlichtend arbeidt, uitmaken.

Dit nu is niets minder dan een verlaten van het Gereformeerde standpunt en een overtreden op het standpunt der Roomsche kerk. En bang doet het u aan, in dezen dienaar des Woords, die geheel oprechtelijk waant, beslister dan wij tegen Rome op te treden, een afwijking van de belijdenis te ontdekken, die hem met volle zeilen in de Roomsche wateren doet schieten. Toch is het feit zelf aan geen den minsten twijfel onderhevig.

Rome maakt metterdaad de pretentie, waarmee deze Synodale predikant voor de Nederlandsche Hervormde kerk optreedt.

Rome beweert dat de bisschop van de apostolische kerk van Rome macht en leiding ontving, om in volstrekten zin uit te - maken, wat de wille Gods ook voor den staatsman is.

Nog onlangs kwam dit uit, toen Leo XIII zijn Encycliek over de sociale quaestie rondzond, en daarin de beginselen voorstelde, die, zoo hij beweerde, naar goddelijk recht, de Overheid bij de oplossing dezer quaestie bonden en dus leiden moesten.

In Romes stelsel past deze voorstelling dan ook.

Vooreerst omdat Rome de kerk in tweeën deelt, in geestelijken en leeken, en alleen aan de eersten het licht der waarheid toekent. Ten tweede omdat Rome een onfeilbaar orgaan van den Heiligen Geest in den paus waant te bezitten. En ten derde omdat Rome één over heel de wereld is.

In dat stelsel moet uiteraard de staatsman afzien van eigen oordeel en rest hem niet anders, dan het oordeel der kerk te volgen. Niet in den kring der staatslieden, maar in den kring der geestelijken is het licht. Alleen de paus spreekt ex cathedra op onfeilbare wijze. En wat hij zegt geeft eenheid aan het bedrijf der Overheid in alle landen.

Maar tegen heel dit stelsel staat nu het Calvinisme zoo principieel mogelijk over.

Het Calvinisme verwerpt de afhankelijkheid waarin Luthersche en Erastiaansche juristen en godgeleerden de kerk van den Staat willen plaatsen; maar even beslist de afhankelijkheid, waarin de Roomsche practijk den Staat tegenover de kerk wil doen staan.

Dit was voor het Calvinisme rechtstreeksch gevolg van het leerstuk over de Doorzicht tighcid der Heilige Schrift. Deze loochende Rome, omdat dit leerstuk aan den leek de onafhankelijkheid tegenover zijn pastoor herschonk. Maar onzerzijds hield men die steeds staande, om alle geloof op blind gezag te verwerpen, elk lid der kerk te dwingen tot eigen onderzoek en het winnen van een eigen overtuiging, en alzoo het weer opkomen van een heerschende hiërarchie voor altoos te breken.

Gold nu deze principieel Gereformeerde stelregel op geheel het terrein des levens, met name ook op dat der zedelijkheid, zoodat men wat men liet of deed, niet moest doen of laten, omdat de kerk het zei, maar overmits God het in zijn Woord gebood of verbood, dan ging uiteraard diezelfde regel ook door voor den vader in het bestuur van zijn gezin, voor den fabrikant in het bestuur van zijn werkplaats, voor den schipper in het bestuur van zijn schip, en dus ook voor den staatsman bij zijn actie op staatkundig terrein.

Natuurlijk rekende ook de staatsman met de belijdenis zijner kerk, maar zoo dikwijls hij bij zijn doen en laten op staatkundig gebied inzicht in den wille Gods behoefde, kon hij er niet meê van af met te zeggen : „Aldus leert mijn kerk, " maar moest hij, met Gods Woord voor zich, voor zich zelven weten: Dit is de wille Gods, dit is de waarheid.

Juist zoo als het antirevolutionaire program, dat in dit opzicht stipt Calvinistisch is, het aangeeft.

Maar dit standpunt verlaat Ds. Nierstrasz nu, blijkbaar omdat hij den samenhang van de Calvinistische belijdenis ten deze niet helder genoeg doorzag, en daarvoor in de plaats stelt hij nu de Roomsche theorie, dat de kerk leeraart, en de Staat de leer der kerk te volgen heeft.

Een stelsel dat, gelijk hij het voordraagt, terdege Roomsch, en niet eens Luthersch is.

Want wel heeft ook de Luthersche theologie het denkbeeld verdedigd, dat de kerk leeraart en de magistraat deze leer volgt, I maar op Luthersch standpunt heeft dit stelsel een geheel andere beteekenis, over-' mits de Lutheraan de Overheid zelve in het

kerkelijk organisme opneemt, en den Vorst des lands als oppersten bisschop laat optreden.

Doch niet alleen dat Ds. Nierstrasz, natuurlijk geheel te goeder trouw, de kiezers naar Roomsche paden terugleidt; neen, hij maakt het nog erger.

Wat toch verstaat hij onder »de kerk", die ten deze als docens, d, i. als leeraresse moet optreden, om aan de Overheid voor te schrijven hoe zij zich gedragen zal?

Hij spreekt van > de kerk".

Nu kan hij hiermee natuurlijk niet bedoelen, de „onzichtbare kerk", noch het Lichaam van Christus onder alle natiën. Immers hij spreekt van een leerende kerk, en om te kunnen leeraren, moet die kerk in het zichtbare een orgaan hebben, waardoor ze spreekt.

Hij handelt dus hier van een geïnstitueerde kerk, en overmits hij zelf behoort tot de Nederlandsche Hervormde kerk, zoo is hiermee uitgemaakt, dat z. i. de Nederlandsche Hervormde kerk leeraart, en dat de Overheid de Nederlandsche Hervormde kerk te volgen heeft.

Maar dit nu wordt, hij zal het ons zelf moeten toestemmen, byna potsierlijk.

Er heerscht in de Nederlandsche Hervormde kerk de meest onbeperkte leervrijheid. Leervrijheid nu beduidt, dat de kerk, als geheel, niets leeraart, maar slechts spreekplaatsen opent voor wie iets uit eigen hoofde en naar eigen inzicht leeraren wil.

In theorie heelt ze dus geen beginsel, en in de fr-actijk stalt ze alle denkbare beginselen uit. Haar hoogste Bestuur, alias de Haagsche Synode, erkent noch Gods Woord noch de autoriteit van den Christus; en mannen, die uit de beginselen der Revolutie leven als Ds. Perk, wisselen er een handdruk met mannen, die in het beginsel der Revolutie het verderf der natie zien, gelijk Ds. Segers.

Hier is dus noch leer noch stuur noch leiding. Deze Synode is de incarnatie van de beginselloosheid. Haar uithangbord is: Elk wat wils.

En terwijl dit nu zoo is, komt Ds. Nierstrasz, wederom te goeder trouw, ook al is het wat keel naief, u heusch de stelling verkondigen, dat deze Nederlandsche Hervormde kerk het orgaan is, waardoor God aan de Overheid de beginselen openbaart, waarnaar ze regeeren moet.

Blijkbaar heelt Ds. Nierstrasz hierbij niet nagedacht.

Immers, had hij met eenigen zedelijken ernst de gevolgen berekend, die uit zijn Roomsche stelling voortvloeien, dan had hij' althans de eerste moeten zijn, om met de Haagsche Synode te breken, en een openbaring der kerk van Christus te zoeken, die tot het uitspreken van een geestelijk oordeel op grond van Gods Woord bekwaam maakte.

Want het zou natuurlijk niets baten, of Ds Nierstrasz al tegenwierp: »De Nederlandsche Hervormde kerk heeft toch een belijdenis, en in deze belijdenis staan de beginselen, die de Overheid te volgen heeft."

Of vat Ds. Nierstrasz dan niet, hoe elk staatsman, die niet onder de dommen behoorde, hem terstond zou antwoorden: „Lieve dominee, dat is alles goed en wel. Maar zoolang uw kerk zelve haar belijdenis slapen laat, en vlak te^en haar beginselen in handelt, zult ge van ons als staatslieden toch niet vergen, dat wij op haar autoriteit ons naar die beginselen voegen zullen."

En hiermee lag dan heel dat beweren omver.

Bovendien volgt uit deze theorie, dat Ds. Nierstrasz alle Lutherschen, Remonstranten, Mennonieten, Roomschen en Joden van de regeering wil uitsluiten; van wie niemand immers vergen kan, dat ze de Nederlandsche Hervormde kerk als leeraresse der waarheid zullen erkennen.

Ja, wat nog erger is.

De beginselen van regeering der volken zijn uiteraard algemeen voor alle volken en natiën.

De toepassing er van moge uiteenloopen, de beginselen kunnen niet onderscheiden zijn.

En zoo blijkt dan bij logische gevolgtrekking, dat de czaar van Rusland en de keizers van Oostenrijk en Duitschland en wie niet al, zich tot de Synode der Nederlandsche Hervormde kerk zouden moeten wenden, om te vernemen welke de begin-• !en zijn waarnaar ze hun velken regee-; en moeten.

Maar zoo verzeilt ge in het ongerijmde!

En toch het is op die manier, dat deze dienaar des Woords bij de jongste verkiezingen zijn mede-kiezers heeft voorgelicht.

Is het niet erbarmelijk!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 oktober 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Het natuurlijk vermoeden

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 oktober 1891

De Heraut | 4 Pagina's