Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Wedergeboorte en Bekeering.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wedergeboorte en Bekeering.

15 minuten leestijd

ZONDAGSATDEELING XXXIII.

II.

Ge kunt bij de overdenking van 'smenschen vernieuwing uit den dood in het leven, op tweeërlei wijs te werk gaan. Ge kunt namelijk óf van de vrucht tot de plant, en zoo tot den wortel en de kiem afdalen, óf ook ge kunt van die kiem uitgaan en van daar tot de plant en de vrucht opklimmen. Onder het volk doet men meest het eerste, terwijl omgekeerd de godgeleerden veelal den tweeden weg volgen. Gevolg waarvan is, dat men onder de vromen bijna nooit hoort vragen, of iemand wedergeboren, maar bijna altoos of hij bekeerd is; terwijl omgekeerd in de leerstellinge studiën de wedergeboorte, al' door steeds breeder plaats innam. Dit onderscheid gaat zelfs zóó sterk door, dat men onder het volk, als men dan tot de diepere oorzaak wil doordringen, nog wel zegt: „Hij is veranderd" of „er is iets aan hem gebeurd", maar zoogoed als nooit rechtuit vraagt: Is hij wedergeboren ?

Hierin nu ligt niets vreemds. Het is toch volkomen natuurlijk, dat men in den omgang met zijn broeders en vrienden bijna uitsluitend rekent met wat voor het geestelijk oog waarneembaar is, of althans schijnt te zijn. Wie een boomgaard koopt of huurt, vraagt ook niet, of er allicht in den bodem allerlei zaadjes van vruchtboomen. verscholen liggen, noch zelfs hoe en door wien de vruchtboomen geënt zijn, maar beziet de boomen, of ze nu waarlijk goede vruchtboomen zijn, rekent na wat ze in vijfjaren dooreen opbrachten, en regelt daarnaar zijn koopof huurprijs. Maar zoo gaat een boomkweeker niet tewerk. H^ij toch let wel terdege op den bodem, onderzoekt als kenner de soorten, ziet na, waar de boomen geënt zijn, of ze gedekt of aan den wind bloot staan, en zooveel meer. En komt ge nu tot den boomkweeker, om hem af te vragen, hoe toch eigenlijk zulk een boomgaard is aangelegd en wierd wat die is, dan begint hij niec bij de vrucht, maar bij den akker die eerst braak lag of weiland was, en legt u nu uit, hoe in dezen akker eerst het stekje gepoot werd, hoe later dit stekje, dat wild was, is geënt, en op wat wijs het toen gedekt, gemest, verzorgd en besnoeid Js geworden, om het vruchthout het rijkst te laten uitschieten en den oogst zoo overvloedig te maken.

En ditzelfde onderscheid gaat nu ook hier door. Als ik mij metterwoon in een dorp vestig, en van lieverlee den kring mijner geestelijke broederen wil leeren kennen, dan heb ik niet anders te doen, dan met een geestelijk oog om mij heen te zien, en mijn geestelijk oor te luisteren te leggen, ten einde te ontdekken, welke uitingen en vruchten van „nieuwigheid des levens" er zijn; om dan, daarop afgaande, naar een oordeel der liefde, in al zulke broederen en zusteren waarlijk bekeerde menschen te zien. Maar word ik geroepen, om, gelijk in deze artikelen, de planting en het verloop van den geestelijken boomgaard uit te leggen, dan moet bij het begin begonnen, en op het voetspoor der Heilige Schrift teruggegaan op de wedergeboorte. Zoo kan dan ook in deze toelichting van de Bekeering eerst sprake komen, als eerst het stuk der Wedergeboorte in helder licht is gesteld. Met dit laatste wordt derhalve aangevangen.

Bij deze wedergeboorte nu staan aanstonds twee dingen op te merken, t. w. dat er een geboorte plaats grijpt, en ten andere, dat deze geboorte niet een ander persoon doet uitkomen, maar denselfden persoon op andere wijze. Immers het is niet slechts geboorte^ maar wederg€oooxtQ.

Wat nu het eerste punt aangaat, zoo spreekt ook de Calvinist het duidelijk uit, dat straks in de bekeering een nieuwe mensch naar buiten moet treden. Die nieuwe mensch moge tijdelijk nog schuil zijn geweest en den slaap der onbewusten hebben geslapen, zoodat hij moet opwaken en opstaan, om in de wereld waarneembaar te wezen; maar altoos moet het in de bekeering toch zijn: de opstanding van een nieuwen mensch. Nu kan in de bekeering deze nietiwe mensch niet opstaan, tenzij hij vooraf er zij; en hij kan er niet vooraf zijn, indien hij niet geboren is. En dat geboren zijn kan niet hetzelfde wezen als onze natuurlijke geboorte, want van nature wordt er in geen onzer ooit iets anders geboren dan een oude mensch; en het is er zoo ver vandaan, dat deze oude mensch in de bekeering zou opstaan, dat veeleer de bekeering juist in de eerste plaats daarin bestaat, dat deze oude mensch dood ga. De zaak is dus, dat er, nadat we door den Schepper in den schoot onzer moeder tot aanzijn waren geroepen; en ter oorzake van onze erfschuld uit Adam, de natuur der zonde en des doods hadden ontvangen; in dit ons, aldus ontstane wezen een tweede, een andere, een nieuwe geboorte hebbe plaats gegrepen, en dat hierdoor in ons geboren zij een nieuwe mensch.

Op den „nieuwen" mensch, valt hieral de nadruk. Men spreekt toch ook wel in overdrachtelijken zin van een beteren geest, een reiner neiging, die in iemand geboren is; maar dan is dit oneigenlijk gesproken. In eigenlijken zin kan het product van een wezenlijke geboorte, in ons nooit iets anders zijn, dan dat er een mensch uit voortkome. Met dat spreken van den „nieuwen mensch" snijdt de Heilige Schrift dus alle oppervlakkige voorstelling af, alsof onze zaligheid ooit de vrucht zou kunnen zijn van zekere gedeeltelijke vernieuwing, door zinsverandering of verandering van wilsneiging; en spreekt de Heilige Geest het zoo duidelijk mogelijk uit, dat geheel ons wezen dezen doop der vernieuwing ondergaan moet. Niet slechts een en ander in ons menschelijk wezen moet veranderd en vernieuwd worden, maar heel onze menschelijke persoon. Niet alleen naar de substantie van onze ziel, maar ook naar de substantie van ons lichaam. Immers v< iltooid zal ds werking der wedergeboorte dan eerst in ons zijn, als we van alle smet en rimpel vrij, in ons verheerlijkt lichaam, eens jubelen zullen voor den troon der genade. Dan eerst zal onze ^eheele mensch vernieuwd zijn, en in alles wat daarachter ligt, moge de vernieuwing principieel reeds aanwezig zijn geweest, maar toch zal ze eerst in den staat der htetliïkheid volkomen uitblinken, •< , >

Komt zoo au de uitdrukking geboorte tot haar recht, niet minder nadruk moet gelegd op de bijvoeging wedergeboorte. Er is toch geen sprake van, dat de persoon die er was weggaat, en dat er een geheel andere persoon voor in de plaats trede Het ik dat bestond verdwijnt niet om door een ander ik vervangen te worden. Neen het blijft dezelfde persoon, het blijft hetzelfde ik, maar die persoon en dat ik worden omgezet in een nieuwe gestalte. Ze zijn ook na de wedergeboorte nog hetzelfde wezen als vóór de wedergeboorte, maar de natuur van dit wezen is een andere, is nieuw geworden. Het duidelijkst blijkt dit uit Matth. 19:29, waar Jezus het woord wedergeboorte ook op de wereld en de uitwendige schepping toepast. Hij zegt daar toch tot zijn jongeren, dat „zij die hem gevolgd waren, dan, als het aan de wedergeboorte of palin^enesie toekomt, met hem zitten zullen op twaalf tronen." Er staat dus niet wat velen, over de komma heenlezende, er van maken, dat zijn discipelen „hem gevolgd zijn in de wedergeboorte"; want dit zou reeds daarom geen zin hebben, overmits er bij Jezus nooit van wedergeboorte sprake kan zijn; en bovendien elk zondaar in de wedergeboorte zoo volmaakt lijdelijk is, dat , ., volgen in de wedergeboorte" ondenkbaar is. Van dit alles spreekt Jezus dan ook met geen enkel woord, maar hij zegt, dat zijn jongeren, , die hem gevolgd zijn, d^n, als eenmaal de wedergeboorte van hemel en aarde zal plaats grijpen, in hemelsche glorie met hem schitteren zullen. Vragen we nu voorts, waarin deze wedergeboorte van hemel en aarde bestaan zal, dan geeft ia de Profetie én de apostel Petrus én de Openbaring van Johannes ook hierop een volkomen duidelijk antv/oord. Immers dan vernemen we, dat de hemel en de aarde, gelijk ze nu zijn, zullen woropgelost en dat de elementen brandende zullen versmelten, maar dat alsdan uit die dooreenmenging een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal te voorschijn komen, waarop de heerlijkheid des Heeren uit schitteren zaL Zoo gaat dan deze gedaante dezer wereld voorbij, en een nieinve gedaante der wereld komt. Maar deze ontzettende verandering ontstaat niet hierdoor, dat God den bestaanden hemel en aarde vernietigt en een nieuwen hemel en een nieuwe aarde uit niet schept, doch hierin, dat de oude aarde en de oude hemel in nieuw worden omgezet. Alzoo in eigenlijken zin wedergeboorte. „Zie, ik maak alle dingen nieuw" is de triomf kreet van den Christus over Satan en Dood; niet alsof hij een geheel nieuwe wereld tot aanzijn riep, maar zoo dat hij hetgeen oud en verouderd en nabij der verdwijning was, nieuw maakt. Er was een ondergang in den dood, maar er is ook een weeropkomen uit dien dood in het leven, en datgene nu wat ten leven komt is hetzelfde als wat in den dood wegzonk.

Dit nu is in de wedergeboorte van hemel en aarde die hemel en die aarde, en evenzjo is het in de wedergeboorte van den mensch die mensch. Niet een eigenschap van dien menscb. Niet een deel van dien mensch. Niet iets in of aan dien menscb. Maar die mensch geheel en al gelijk hij als mensch bestaat. Wel blijven de elementen in dien mensch dezelfde, het blijft hetzelfde wezen, hetzelfde ik, en dat ik met zijn eigen menschelijke natuur, maar de bestaanswijze van dezen geheelen mensch wordt veranderd, omgezet en vernieuwd, zoodat ir.etterdaad geheel die persoon als een andere mensch uitkomt. Zoo heeft de wedergeboorte niets te maken met het afleeren van zekere verkeerde hebbelijkheden, of het komen tot beter inzicht of het bestrijden van boezemzonden. Al wat ten deele of voor een deel is wordt door het denkbeeld zelf van wedergeboorte uitgesloten. Er worden niet aan den kwaden boom aadere vruchten gehangen. Er worden niet maar enkele loten of kankerende takken weggesnoeid. Neen, de boom zelf wordt in een anderen boom omgezet. Uit een distel komt een mirt, uit een doorn een denneboom, en het zal den Heere zijn tot een eeuwig teeken.

Is hiermee nu het woord van wedergeboorte, zoowel in den zin van de geboorte van een mensch, als in dien van wedergeboorte van denzelfden mensch, genoegzaam toegelicht, dan ligt hier vanzelf in uitgesproken, dat, wie zich eenigszins nauwkeuriger wil uitdrukken, nooit zeggen kan, dat wedergeboorte en bekeering één en hetzelfde zijn. Integendeel, het zijn twee geheel onderscheidene begrippen, Bekeerin? doet u denken aan een mensch, die op den verkeerden weg wandelt; alsnu zich op dien verkeerden weg omkeert; en, na zich omgekeerd te hebben, nu teruggaat naar het punt van waar hij was afgedoold. Geestelijk toegepasi doelt dus de bekeering op den mensch, gelijk hij wandelt op zijn weg; op dien weg zich van God afkeerde; daarna op dien weg zich omkeerde; en nu ten slotte weer naar zijn God toegaat.

Doch natuurlijk Is dit dan ook iets heel anders dan de Wedergeboorte. Alvorens toch een mensch op zijn weg wandelen zal, dient hij geboren te worden, aan zijn weg te zijn toegekomen, en tot wandelen op dien weg bekwaamd zijn. Wedergeboorte en Bekeering zijn alzoojtwee geheel onderscheidene denkbeelden. De wedergeboorte geeft antwoord op de vraag: Kan de mensch die dood van nature was, omgezet worden in een kind Gods? — en de Bekeering geeft antwooid op de vraag: Kan iemand die God haatte en van God afliep, nu tot staan worden gebracht, zich op zijn weg omkeeren, en weer naar God toegaan.' Wedergeboorte handelt van wat de mensch was, en nu wordt en is. Bekeering daarentegen van wat de mensch deed, hoe hij liep en op wat wijs hij nu tot een geheel ander optreden geraakt. De Wedergeboorte ziet op de verandering in zijn wezen, de Bekeering op de verandering in zijn bestaan. Bij di Wedergeboorte moet van het leven gehandeld, bij de Bekeering van de levensuiting.

Hieruit vloeit dan tevens voort, dat de ' Wedergeboorte altoos aan de Bekeering moet voorafgaan. Althans in de orde der gedachte. Altoos moet ismand eerst geboren zijn, eer hij op zijn weg kan komen, en op dien weg zich bekeeren. Ook al geven we dus volkomen toe, dat God de Heere vrijmachtig is, om ds Wedergeboorte en de Bekeering in éénzelfde oogenblik des tijds te laten saamvallen, toch blijven ook dan nog beide stukken van ons bewustzijn onderscheiden en twee. Wie nog in den dood ligt, kan zich niet bekeeren, en eerst dan kan er van bekeering sprake zijn, als we eerst en vooraf door een wondere daad des Heiligen Geestes uit den dood in het leven zijn overgezet.

Nu zou dit alles ook geen moeilijkheid opleveren, en er zou van verwarring geen sprake zijn, zoo het denkbeeld van ze/^^^rgeboorte niet zoo rekbaar ware. Maar dit is het nu eenmaal wel. Het product van een geboorte is een mensch; maar als de geboorte pas plaats greep is die mensch nog niet meer dan een kindeke; een zeer klein, geheel onontwikkeld hulpeloos wicht; en eerst na verloop van jaren zal uit dat kleine wicht de volle mensch zijn uitgekomen. Toch neemt dit niet weg, dat ook dit kindeke reeds als mensch meetelt. Op uw vraag, hoeveel menschen er in Amsterdam wonen, krijgt ge ten antwoord, ruim 400.000; maar dan is dit zóó te verstaan, dat ook de pas geboren wichtjes daarbij voor menschen meetellen. Ja zelfs gaat men reeds in het burgerlijk leven nog veel verder, en beschouwt zulk een wichtje reeds als mensch, nog eer het den moederschoot verliet. Als een vrouw zwanger is, waakt de Overheid niet alleen over het leven van die vrouw, maar ook over het nog verscholen leven van het kindeke in haar schoot. En a mogen het nu onzeker zijn, op welk qogen blik zulk een wicht begint als bestaande gerekend te worden, toch staat het vast dat het reeds maanden lang vóór de verlossing der moeder als menschelijk wezen meetelt. Zoo leert dan ook de Schrift het, waar David God looft, die reeds zijn ongevormden klomp aanschouwd heeft, toen hij als een borduursel gewrocht werd in den schoot zijner moeder, Ook bij devleeschelijke geboorte is dus het begrip van geboorte, als ontstaan van een mensch, opgevat zeer rekbaar. Die mensch wordt reeds geacht te bestaan nog eer hij geboren is; bij zijn geboorte is er nog slechts een onontwikkeld kindeke; en ten volle is die mensch eerst ontstaan, als hij straks opgegroeid en naar lichaam en geest gerijpt, als mensch in de maatschappij optreedt.

En ditzelfde nu komt ook, en in nog veel sterker zin, in aanmerking als er sprake is van het ontstaan van den nieuwen mensch.

Ook dan toch kan ik dit in tweeërlei zin opvatten. Ik kan óf dezen nieuwen mensch in zijn voltooiing nemen, en zoo opgevat zal deze nieuwe mensch er dan eerst zijn, als hij naar lichaam en ziel geheel nieuw voor zijn God in de heerlijkheid zal staan. Maar ik kan dezen nieuwen mensch ook nemen, zooals hij geboren wordt voor de wereld, en als een nieuw kindeke der melk deelachtig is. Dan valt het saam met de bekeering.

Maar eindelijk kan ik ook nog verder teruggaan, tot in die verborgen diepte des levens, waar God de Heere zijn kunstig borduursel weeft, en dan natuurlijk ligt het ontstaan van den nieuwen mensch nog achter de bekeering, en rekent het van de geestelijke ontvangenis af. Het eerste ont­

staan van den nieuwen mensch ligt in zijn geestelijke ontvangenis. Het verder ontstaan van den nieuwen mensch ligt in zijn uitkomen als kind van God. En het volkomen ontstaan zijn van den nieuwen mensch

zal eerst een feit zijn, als de heerlijkheid is ingegaan.

Dit nu maakt dat ook de Heilige Schriit van de wedergeboorte in velerlei zin spreekt. Als Jezus tot Nicodemuszegt:

„Wie niet wedergeboren is, kan het Koninkrijk van God niet eens sten, " dan blijkt uit dit zeggen, dat Jezus daar wegeboorte bedoelt, als iets dat aan de bekeering voorafgaat; want bekeering is ingaan in het Koninkrijk der hemelen, en wie dit Koninkrijk nog niet eens ziet, kan er zich ook niet naar toekeeren. Spreekt daarentegen de apostel Petrus van een wedergeboren zijn door het levende Woord van God, dan speelt hierin althans de gedachte mede aan die verdere ontplooiing van ons innerlijk wezen, die eerst bewerkt wordt door de prediking van het Woord. Daar nu echter de Heere Jezus zich slechts eenmaal, rechtstreeks, en met name, en dat wel tegenover Nicodemus, over de wedergeboorte heeft uitgelaten, en het woord wedergeboorte toen op Jezus' lippen zeer stellig sloeg op de eerste daad van de inplanting des nieuwen levens, gaan we het veiligst en voorkomen we veel verwarring, zoo we de uitdrukking Wedergeboorte, in onderscheiding van ézBekeerm^, en de Heiligmaking en de Verheerlijking, meer opzettelijk bezigen in den zin, waarin Jezus zelf die uitlegde, toen hij '^sprak van den wind des Geestes, dien ge niet weet van waar hij komt, noch waar hij henengaat, en dat alzoo is degene die uit God geboren wordt. We vergeten dan daarom wel niet, dat deze wedergeboorte zich ook verder uitstrekt en eerst in de eeuwigheid voltooid wordt, maar de nieuwe mensch is er dan toch. Hij is door de wedergeboorte ontstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Wedergeboorte en Bekeering.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1891

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken