Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Wedergeboorte en Bekeering.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wedergeboorte en Bekeering.

18 minuten leestijd

ZODAGSAFDEELING XXXÏIÏ.

Hij zal met den Heiligen CTSC vervuld worden, ook van zijn moeders lijf aan. Luc 1:15.

IV.

Er is maar één we^ tot zaligheid; maar er is tweeërlei manier waarop God de Heere zijn uitverkorenen op dezen weg tot de zaligheid leidt. Prent u dit diep in; want zoo ge u dit niet helder en klaar voor oogen stelt, zult ge nooit den diepen zin onzer Gereformeerde belijdenis verstaan.

Er is maar één weg tot zaligheid. Hiermee is uitgesproken, dat er maar één naam onder den hemel gegeven is, waardoor de menschen kunnen zalig worden, de naam' van Christus Jezus. Dit volgt uit de stellige belijdenis, dat Adams schuld onzer aller erfschuld is, zoodat niemand, wie ook, ontvangen of geboren kan worden, dan onder die erfschuld, en tengevolge van die erfschuld, in onze zondige natuur, die den dood aan zich draagt. Niemand uit een vrouw geboren kan dus, ook al sterft hij als jong f wicht, of zelfs daags na de geboorte, ooit uit zich zelf aan de verdoemenis ontkomen. Uit zich zelf kan hij de zaligheid noch begeeren, noch zien, noch grijpen. Ook voor het kind dat in de geboorte stikt, gaat dus de vaste regel door, dat het in zich zelf verloren is, dat het zijn ziel niet kan verlossen, dat het zijn rantsoen niet kan vinden. Al wat uit een vrouw geboren is, moet dus óf een Middelaar bezitten, óf het derft de zaligheid. Óf men in de wieg gesmoord wordt of stokoud sterft, maakt hierin geen verschil hoegenaamd. Alleen in Christus is zaligheid, en wie niet wedergeboren wordt, en door die wedergeboorte uit den dood in het leven overgaat, heeft geen eeuwig leven en kan het nooit verwerven. Deze weg ter zaligheid, die door den Middelaar is ontsloten, en waar men alleen ten gevolge van wedergeboorte op komt, Is dus in volstrekten zin voor allen dezelfde, en het doet er hierbij niets toe, of men wegsterft als jong kind of pas sterft als grijsaard.

Eén weg dus; maar langs dien éénen weg, laat God de Heere zijn uitverkorenen op tweeërlei manier in het Koninkrijk ingaan. Dit verschil hangt aan den leeftijd, waarop God de Heere zijn uitverkorenen uit dit leven wegroept. Gelijk men weet, sterft bijna de helft van de geboren personen zonder op deze wereld tot rijper bewustzijn gekomen te zijn; en is aan de andere helft de taak opgelegd, om meerdere jaren met bewustheid op deze aarde te blijven voortleven. Omstreeks 50 percent der geboren personen sterft vóór het bewustzijn in hen tot genoegzame klaarheid kwam; en de 50 overige percent sterft pas later, na tot genoegzaam helder bewustzijn gekomen te zijn. Neemt ge nu aan, dat er onder beide soorten van menschen een gelijk aantal uitverkorenen schuilt, zoo is er voor deze beide soorten maar één weg tot zaligheid; maar al naar gelang ze tot de eerste of tot de tweede soort behooren, laat God ze langs dezen éénen weg op geheel andere manier wandelen.

Om dit duidelijk te maken, stellen we voor de eerste soort als type een kind van één jaar en voor de tweede soort als type een man van dertig jaar. Een preciese in-deeling is hier natuurlijk niet te maken. Een wonderkind als Bilderdijk begreep op zijn derd; : jaar reeds eens zooveel als onze meeste kinderen van tien of twaalf jaar. En ook zijn er personen van dertig jaar, ., < 5ic jsi'uc: ontwikkeling van hun bewustzijn , . , , , » . vaak door een knaap van twaalf jaar overtrofifen worden. Zoo vloeien'de grenzen uiteraard ineen, en zullen we ons wel wachten voor de poging, om beide soort menschen door een scherpe grens van het 7de of het i2de jaar van elkaar af te scheiden. Doch al kunnen we geen vaste grenzen trekken, toch is het voor elk lezer volkomen duidelijk, dat een kind in de wieg heel iets anders is, dan een man die zelfstandig in de wereld optreedt. Staat. het nu vast, dat God de Heere onder die kleine kinderen zoowel als onder; die volwassenen zijn uitverkorenen heeftjj en leert de dagelijksche ervaring, dat Godj de Heere zoowel jonge kinderen als vol-f wassen personen uit dit leven wegneemt, dan spreekt het vanzelf, dat God de Heere anders handelen moet met zijn uitverkorenen, die zoo jcmg wegsterven, en anders met zijn uitverkorenen, die opgroeien tot volwassen leeftijd.

De wijze nu waarop God de Heere de geheel volwassen personen ter zaligheid leidt, is de meest bekende, In zulke personen werkt Hij te zijner tijd de wedergeboorte. Hij laat hun het Woord prediken. Aan die uiterlijke roeping voegt Hij te zijner tijd door den Heiligen Geest de innerlijke roeping toe. Zoo brengt Hij ze uit tot geloof en bekeering. En zijn ze bekeerd, dan vervormt Hij ze naar het evenbeeld zijns Zoons, als van heerlijkheid tot heerlijkheid; ten deele reeds vóór hun sterven, maar vooral door de afsnijding van het lichaam der zonde in den dood, om ze alzoo in zijn zaligheid op te nemen.

Maar minder bekend is de wijzs, waarop God de Heere met die andere soort uitverkorenen handelt, die Hij vroegtijdig uit dit leven wegneemt. Deze kunnen het Woord niet lezen en niet hooren, en sterven dus weg zonder dat er ooit een uitwendige roeping tot hen kwam. Ze gaan dus heen zonder ooit tot dadelijk geloof gekomen te zijn, en van bekeering is bij hen geen de minste sprake. En toch gaan ze, zoo ze uitverkoren zijn, bij hun vroegtijdig sterven den hemel binnen en worden evenals de anderen der zaligheid deelachtig. Hieruit blijkt dus, dat God de Heere een andere leiding met de jong stervenden volgt dan met de later stervenden, en dat al wat in de Heilige Schrift voor de later stervenden als eisch gesteld wordt, voor hen niet geldt. Hun is niet gepredikt. Dus hebben ze ook niet gehoord. Dientengevolge is er van een feitelijk geloof bij hen geen sprake geweest. Ze konden zich niet bekeeren voor hun sterven. En toch gaan ze, de eeuwige f zaligheid in.

Aan beide soorten van uitverkorenen is dus gemeen, dat ze onder eenzelfde schuld en in eenzelfden dood liggen, en gemeen ook aan beiden dat hun schuld door eenzelfde o^erande verzoend is, en dat ze door eenzelfde wedergeboorte uit den dpod in het leven zijn overgezet. Maar de wijze waarop ze uit hun Wedergeboorte tot de kennisse van den eenigen waarachtigen God en van zijnen Zoon Jezus Christus geraken, en alzoo het eeuwige leven ontvangen is voor beiden geheel verschillend. De later stervenden verkrijgen die kennisse van den //eenigen waarachtigen God en van zijnen Zoon Jezus Christus" door het Woord; maar de jong stervenden komen met dat Woord zelfs nimmer in aanraking. Een uitverkorene die als kind van drie maanden we^ïijerft, sterft weg zonder te weteiï d., t cv'cciv Woord Gods ook maar bestaat. Voor al zulke uitverkorenen moet de Heere zich dus een heel andere wijze hebben voorbehouden, om hen tot de zaligheid te leiden, . De kennisse van hun Middelaar meet hun op geheel andere manier worden aangebracht. En waar de heilige apostel de tegenstelling maakt, dat we hier wandelen door geloof, maar eens wandelen zullen door aanschouwen, \i^\iG'a. onze oude godgeleerden het vermoeden geuit, dat God Heere deze jong stervende uitverkorenen per visionem, d. i. door onmiddellijke aanschouwing, het heil van den Middelaar kennen leert.

Wij voor ons wensc'nen ons op dit punt niet in ijdele gissingen te verdiepen. Er is ons toch omtrent de wijze waarop God de Heere deze jong stervenden ter zaligheid leidt, volstrekt niets geopenbaard; en wat ons niet geopenbaard is, kan voor ons in geestelijke aangelegenheden geen voorwerp van kennis zijn. Al wat we weten, en zeker weten is: i", dat er zeer velen jong sterven; bijna de helft van de geborenen; 2", dat er ook onder deze jongstervenden uitverkorenen zijn; 3", dat ook deze jongstervende uitverkorenen alleen door Christus zalig kunnen worden, en vódr hun sterven wedergeboren moeten zijn; en 4", dat ze vóór hun sterven geen prediking des Woords vernemen, en dus niet door het Woord geroepen zijn, noch ook vóór hun sterven tot bekeering konden komen. Voorts geven wij onze kinderen, die alzoo vroeg van ons worden weggenomen, getroost en in stil geloof den Heere over. Hij zal het wel maken. Maar ons is *de wijze waarop Hij zulke jonge wichtjes ter zaligheid leidt een volkomene verborgenheid. We v.'cfen er ff ^^^tr-riht : aie*s sraiJirZ-ien wij slechts toe, da't-we ook zulke jonge wichtjes als dood in de zonde beschouwen; dat we van Gods zijde de mogelijkheid erkennen, om ook reeds in zulke jonge wichtjes de wedergeboorte te werken; en dat we alzoo in de onderstelling, dat ook zij den Heiligen Geest hebben, hun geen dag langer dan noodig is, het zegel der wedergeboorte, d. i. den heiligen Dosp onthouden. Maar hier eindigt dan ook onze verplichting ten opzichte van zulke jong stervende wichtjes. Hen onderwijzen kunnen we nog niet.

En vraagt men dan ten slotte, waarom ons in de Heilige Schrift zoo bijna nooit over deze jong stervende uitverkorenen gesproken wordt, en waarom ons zoo niets geopenbaard is over de wijze waarop God de Heere ze tot de zaligheid leidt, dan ligt het antwoord voor de hand. Immers de Heilige Schrift is ons niet gegeven als een middel om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar opdat we leeren zouden, den Heere onzen God te vreezen. En overmits de Heilige Schrift hiertoe alleen dienst kan doen bij hen die tot volwassen leeftijd opgroeien, en geen enkele uitwerking kan hebben op de jong stervende uitverkorenen, is het volkomen natuurlijk, dat de Heilige Schrift geheel is ingericht op de volwassenen, en niet op de kinderen die in de wieg sterven. De Heilige Schrift is aan de Kerk gegeven, en de Kerk heeft bij haar prediking alleen met dezulken te doen, die in staat zijn iets van het Woord te verstaan. Men catechiseert een kind niet, als het nog niet spreken kan. Eerst als het spreken gaat en verstaan leert, telt het voor de catechisatie en de predicatie mede. We zouden er dus niets aan gehad hpbb.en, of we ai allerlei geheimzinnige médedeeling ontvangen hadden omtrent hetgeen de Heere met zulke jong stervende personen doet. Daar heeft de kerk niets aan. Wat zij behoeft is een openbaring Gods voor hen die tot bewustheid komen. Ook op de catechisatie en bij de predicatie heeft de kerk dus alleen met deze laatsten te rekenen, en een prediking, die dit niet deed, maar zich verloor in allerlei bespiegeling over het lot der jong stervende kinderen, zou onnut en tegen de Heilige Schrift zijn. Staat er dus in Rom. lo, „dat men met het hart gelooft ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt ter zaligheid, " dan spreekt het vanzelf dat dit niet op die jong stervenden toepasselijk is. Zij hebben eer ze stierven nooit beleden, en hebben nooit een dadelijk geloof gehad. Toch zijn ze, zoo God ze had uitverkoren, uit de wieg den hemel ingedaan. Maar wie nu in de prediking de strengheid van Paulus' woord verzwakken wilde, en ging zeggen, dat deze eisch om te gelooven en te belijden niet zoo onverbiddelijk doorgaat, zou het Woord weerspreken. Immers voor personen die tot hun bewustheid gekomen zijn, gaat deze regel wel terdege onverbiddelijk door, en alleen tot de zoodanigen wordt in den dienst des Woords gesproken.

Maar wat noch in de prediking noch op de catechisatie gebeuren mag, is dat ge de zaak zoo gaat voorstellen, alsof voor de 50 procent die jong sterft, alle uitzicht op de zaligheid zou zijn uitgesloten. Daar heeft men te Dordrecht reeds tegen gewaakt, toen de Synode in 1619 beleed, dat godzalige ouders het beste van hun jong stervende kinderen hopen mogen. 'ïVfcüt' zondir dti nu al ie isteik te "drukken, spreekt de Synode hiermede toch het stille vertrouwen uit, dat de jonge kinderen der geloovigen, die uit de wieg naar de eeuwigheid worden afgeroepen, zoo al niet allen, dan toch voor verreweg het grooter deel tot Gods uitverkorenen behooren.

Er wordt dan ook in de gansche Heilige Schrift nergens één hard of onbarmhartig woord over zulke jonge kinderen der geloovigen uitgesproken. Eer integendeel wordt ons gezegd, dat God de Heere zich reeds uit den mond der zuigelingen lof heeft bereid, en met name wordt ons van één nog ongeboren kindeke letterlijk gezegd, dat het reeds met den Heiligen Geest vervuld was van sijn moeders lijf aan. Dit nu is een lichtstraal dien we hebben op te vangen. Er volgt toch uit, dat een kindeke, in zonde ontvangen, reeds eer het geboren wordt, den Heiligen Geest kan ontvangen, en heel de Doop der jonge kinderen drukt hier het zegel op.

Dan echter vloeit hieruit ook rechtstreeks voort, dat ge aan de waarheid tekortdoet, zoo ge de wedergeboorte voorstelt als een feit, dat alleen op later leeftijd plaats grijpt, en bij een jong kind niet plaats grijpen kan. Het gaat toch niet aan, te zeggen dat de nog ongeboren vrucht van Elizabeth reeds in baar schoot vervuld was met den Heiligen Geest, en dit nog ongeboren kindeke toch voor te stellen als nog niet wedergeboren. Men kan toch niet tegelijk alzoo den Heiligen Geest hebben, en toch nog onwedergeboren zijn. Het ééne sluit het andere immers uit. Ge loopt dan ook groot gevaar, zoo ge deze daad der wedergeboorte in de kleine kinderen loochent, in de dwaHng der Merjnisten tf vervpÜer, die de jonge kinderen „onnoozel'' noemden, bijna evenals Rome dit doet. En dit nu mag niet, want zoodoende loochent ge alle erfschuld en het geboren zijn in dood en misdaden; iets wat geldt en gelden moet voor eeniegelijkdie uit een vrouwe geboren wordt. En geeft ge nu toe, gelijk ge wel moet, dat God de Heere deze wondere daad der wedergeboorte bij die uitverkorenen, die jong sterven, stellig nog in de wieg volbrengt, of ook reeds in moeders lijf, dan is er geen enkele reden denkbaar, waarom ge deze daad der wedergeboorte bij die andere uitverkorenen, die nog jarenlang op aarde leven blijven, later zoudt stellen. En dat te minder, daar toch een ieder die wedergeboren wordt, bij die wedergeboorte geheel lijdelijk verkeert, er niets van merkt, en er ook aan hem niets is te merken voor anderen. Toen Zacharias zijn kindeke Johannes in de wieg zag liggen, heeft hij niets hoegenaamd aan dit zijn kindeke kunnen ontdekken van de wedergeboorte die had plaats gegrepen. Op dien grond wil dan ook onze kerk, dat de kinderen^ der geloovigen van de kinderen der ongeloovigen door den heiligen Doop zullen worden afgezonderd, en zulks op grond dat hun ds Heilige Geest toekomt zoowel als den volwassenen. Een uitdrukking, die Voetius, onze grootste theoloog, in zijn catechisatie op den Catechismus alzoo verklaart, dat zij ondersteld worden wedergeboren te zijn, en dus nog wel niet het dadelijk geloof, maar wel het geloofswrmogen te bezitten.

Over de wedergeboorte in engeren zin genomen, is hiermee genoeg gezegd; en verreweg belangrijker voor Gods volk Is de vraaj, hoe God de Heere nu dieWtverkorenen, die n^iet vroeg sterven, maar nog eenige jaren op aarde leven blijven, uit deze wedergeboorte tot geloof en bekeering brengt.

Slechts zij men op zijn hoede, dat men nooit deze wedergeboorte opvatte, gelijk de Dooperschen hiertoe neigden, als bestond de wedergeboorte in het inbrengen In de zei van zeker nieuw Iets. Want wel spreekt de Heilige Schrift van een zaad Gods, dat in ons daalt en eeuwiglijk in ons blijft, maar dit is uiteraard een beeldspreukige uitdrukking, om de geestelijke ontvangenis uit te drukken, waarvan de geestelijke geboorte het resultaat Is. Het is en moet aXioos blijven: wedergeboorte, zoodat het dezelfde persoon, hetzelfde ik blijft, maar nu herboren. Wel komt er dan met de wedergeboorte iets in den mensch dat vroeger niet in hem was, maar dat nieuwe is God de Heilige Geest. Een onwedergeboren persoon mist den Heiligen Geest; een wedergeborene heeft den Heiligen Geest. Doch deze Heilige Geest is niet een kracht , niet een levenskorrel, niet een

geestelijke stof, maar God zelf. Was nu de mensch In zijn schepping niet op de inwo« ning van den Heiligen Geest aangelegd, zoo zou in de wedergeboorte zijn wezen moeten veranderd worden, of liever nog hij zou voor alle wedergeboorte onvatbaar zijn. Maar dit is niet zoo. De mensch is in zijn schepping naar den beelde Gods geschapen, en dus zóó geschapen, dat God de Heilige Geest woning bij hem kan maken. Is nu door de zonde deze Heilige Geest van hem gebannen, en ligt een onwedergeboren zondaar daardoor In den dood, dan spreekt

het vanzelf, dat de wedergeboorte in niets minder bestaan kan dan dtórin dat God de Heilige Geest weer tot hem inkeert en woning bij hem maakt.

Nu kan de Heilige Geest intusschen óók op allerlei uitwendige v/ijze met den zondaar in gemeenschap treden. Zoo was het een tijdlang bij Saul. Zoo was het bij de kunstgaven van Ahóliab en Bézaleël. Zoo was het en is het alle eeuwen door met alle ambtelijke gaven en charismata. Dit zijn ook gaven of werkingen van den Heiligen Geest, dia aan een persoon, hij zij dan be-'keerd of onbekeerd, worden meegedeeld niet om hem te zaligen, niet om hem van dood levend te maken, maar om hem te bekwamen voor 'sHeeren dienst en hem tot een instrument in 'sHeeren hand te stellen.

Doch natuurlijk met deze uitwendige gaven en werkingen van den Heiligen Geest heeft de wedergeboorte niets uitstaande. De wedergeboorte is heel iets anders. In de wedergeboorte huwt de Heilige Geest zich voor eeuwig aan de ziel des menschen. De Heilige Geest keert bij haar in om eeuwig bij haar te wonen. En wel niet lijdelijk bij haar in te wonen, maar bij haar in te wonen als haar Schepper en haar God. Vandaar dat de Heilige Geest, waar Hij alzoo wederbarend tot de ziel inkeert, om eeuweglijk bij haar te blijven, die ziel niet aan zichzelf overlaat, maar de teugels aangrijpt on» die ziel te leiden en te beheerschen; en wel haar alzoo aangrijpt, dat er eengeheeleöww^keer tot stand komt in haar neiging en aandrift, in haar innerlijke roerselen, in haar vermogens en eigenschappen. Want wel blijft dit alles in aard en wezen wat het vroeger was, maar de richting waarin ze zich bewegen, wordt in haar tegendeel omgezet. Wat drong, dreef en neigde ten kwade, dringt, drijft eu neigt onder deze inwerking van den Heiligen Geest ten goede. Wat van God afging, neigt nu naar Hem toe. Wat drong naar zonde en Satan, dringt en perst nu van zonde en Satan af. En deze ommekeer grijpt plaats zoowel in den wortel van ons leven, als in onze vermogens, zoodat de werking van den Heiligen Geest tegelijk onze diepste levensvezel raakt, en tegelijk een ommekeer tot stand brengt in het bewustzijn van onze ziel.

Was nu de mensch zoo aangelegd, dat wat in den wortel van zijn wezen plaats grijpt ook terstond volgroeid en rijp naar buiten trad, zoo zou elk wedergeborene op hetzelfde oogenblik gelooven, zich bekeeren en belijden. Maar aldus is de aard des menschen niet. In het kindeke Calvijn scholen reeds toen hij in de wieg lag al de uitmuntende gaven en vermogens, die later in zijn geheiligde denkkracht en onweerstaanbare kracht van wil zijn uitgekomen; maar aan het kindeke Calvijn was van dit alles nog niets te bespeuren. Het kindeke Calvija kon nog niet eens spreken, laat staan denken of wilskracht oefenen. Gods weg met den mensch is dus veeleer alzoo, dat Hij in het ontvangen en geboren kindeke wel de kiem, het zaad of den wottel van al deze gaven en vermogens inlegt, maar dat Hij deze gaven eir vermogens nog lange jaren schuil hat blijven, om eerst later bij het opgroeien te laten uitkomen, wat Hij in het verborgene, in 's moeders schoot, in zulk een kindeke wrocht. En zoo nu ook gaat het bij de wedergeboorte toe. Ook daarbij houdt de Heere zich aan de ordinantie die Hij voor den mensch in de schepping gegeven had. Een ordinantie hierin bestaande, dat Hij eerst in het verborgene de gaven des Heiligen Geestes toebedeelt, en in die gave de kiem van het geloo'; maar dat Hij hetgeen in het verborgene gewrocht werd, eerst nog schuilen laat, om het eerst later te doen uitkomen. Dit is geen afwijking van de Scheppingsordinantie, maar juist in overeenstemming met de ordinantie, die God in de schepping voor zijn menschenkind gaf. Juist dit echter dwingt ons, om ook naar tijdsorde de bekeering van de wedergeboorte af te scheiden. Wie niet wedergeboren is, kan zich niet bekeeren; maar wel kan het zaad der wedergeboorte lange jaren in uw ziel schuilen, zonder dat het in de bekeering opbloeit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Wedergeboorte en Bekeering.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1891

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken