Ons artikel over de predikantstraktemen
Amsterdam^ i Jan. 1892.
ten gaf aan een practische predikantsvrouw een brief in de pen, waaruit het ons wel vergund is, deze volgende zinsnede over te nemen.
Ik begrijp niet goed waarom u een zoo groot verschil stelt tusschen het tractement der kleine steden en dat der dorpen, sedert ook de Ned.
Ger. gemeenten der kleine steden veelal een eigen pastorie bezitten.
Want waarin zou het verschil in uitgaven bestaan. Wij moeten op onze kleine afgelegen dorpjes de levensmiddelen duurder betalen dan in de stad en het verschil in levenswijze ligt, dunkt mij, meer in de kring wa.a.ruit een pre dikant en zijne vrouw afkomstig zijn, dan aan de plaats waar/» ze gesteld worden. Ons huishouden, althans, geloof ik niet dat veranderen zou als we in een stad woonden. En wat het ameublement betreft. Als men, in tegenstelling van den stedeling, op morsige straten en vervallen hutten ziet, dan heeft men dubbel behoefte aan een vriendelijke, gezellige huiskamer en in 't geheel aan een lief ingericht huis.
En de conversatie van onze predikanten uit de kleine steden strekt zich, over het algemeen, ook niet hooger uit dan tot de meest eenvoudige burgers, zoodat zij zich daarvoor niet behoeven in te richten. En dan wat onze kleeding aangaat; daarin bestaat ook geen verschil, want op een dorp zien man en vrouw elkander even gaarne netjes gekleed dan in een stad.
Deze opmerking beamen we volkomen; maar we zien niet in, waarom ze ons beweren weerspreken zou.
weren weerspreken zou. Toen we toch dïif, cijfers noemden: /" 1000 als het allerminste, f 3000 voor de grootere steden, en / 2000 als middelterm, is het natuurlijk niet in ons opgekomen, om drie klassen van predikanten te maken, voor wie nu het traktement juist op die bepaalde cijfers moest vastgesteld; maar noemden we die cijfers uitsluitend als het minste, waarmee een kerkeraad in een klein dorp, in een middelmatige plaats en in een grootere stad volstaan kan.
Het lag dus volstrekt niet in onze bedoeling, alle dorpstraktementen op f 1000 te bepalen, maar aan te duiden, dat, al naar gelang het vermogen van zulk een dorp was, de traktementen tusschen de ƒ 1000 en / 2000 moesten bedragen. Nergens onder de f 1000, maar dan ook voorts van/1000 op ƒ 1200, / 1400, f 1600, t 1800 klimmende, al naar de behoefte en de financieele kracht was.
Evenmin kan men in de middelmatige plaatsen volstaan met op den kop af altoos f 2000 te geven, maar behoort ook daar het traktement tusschen de f 2000 en / 3000 te loopen.
Zelfs komt het ons voor, dat er in een vast traktement altoos iets onbillijks ligt.
Pas getrouwde jongelieden, die met een nieuw huishouden en een goede linnenkast, voorshands nog zonder kinderen leven, staan er heel anders aan toe, dan een predikant op jaren, die voor de opvoeding van zes groote kinderen heeft te zorgen.
Terwijl toch de gewone landbouwer op zijn eigen dorp een school voor zijn kinderen vindt, en zoodra het opgeschoten knapen en meisjes worden, ze zelf in zijn bedrijf opvoedt er er onderwijl voordeel van trekt, zoodat ze al spoedig een knecht of meid uitsparen, is dit bij een predikant heel anders.
Hij moet, als hij op een kleiner dorp leeft, zijn kinderen reeds zeer vroeg elders heenzenden, dure scholen en gymnasia voor ze betalen, en straks zorgen dat ze voor een of andere betrekking aan de hoogeschooi of elders worden opgeleid.
Ze kosten dus aldoor, zonder iets uit te winnen. En reeds twee of drie kinderen kosten veel.
Daar nu de Kerkenordening den eisch stelt, „dat de leeraar zonderzorge•v^n.\is.t Evangelie leven kunne", spreekt het vanzelf, dat dit „zonder zorge" een heel andere beteekenis krijgt voor een huishouden met groote kinderen, dan voor een huisgezin, dat pas is opgezet.
Hiermee echter wordt bij de vaste traktementen niet gerekend. Men wordt beroepen op een vast traktement, en van dat vaste traktement moeten nu eerst twee, en straks allicht acht of neqen personen leven. Iets wat niet overdreven is, daar een zestal kinderen uiterst matig is genomen, en veel kleine kinderen, al spoedig meerder hulp van een dienstbode noodzakelijk maken.
Van tweeën één dus, 6f het traktement is zoo hoog, dat de twee pas getrouwde luidjes jaarlijks opleggen, óf wel ze komen met hun beidjes juist toe. Maar dan wordt het straks ook met zijn achten gebrek lijden.
Er zou daarom veel voor te zeggen zijn, zoo men wel een vast standaardtraktement aannam, maar dit voor elk kind, naar gelang van den leeftijd, met / 50—f 150 verhoogde; zoolang het ten laste van zijn ouders bleef.
Ook kon de vraag in aanmerking komen, of het eigen fortuin van den predikant niet tot op zekere hoogte kon meetellen.
Is er toch een predJkant, die uit eigen middelen zeg ƒ 1500 's j aars bezit, dan kan deze met nog f 500 erbij beter zonder zorge leven, dan een die niets heeft met /looo.
Te ver mag men dit liiet drijven, omdat een predikant met eigen middelen in den regel tot een andere klasse van de maatschappij behoort, en diensvolgens ook meer noodig heeft. Vooral voor de zoodanrgen toch is het wonen op een eenzaam dorp niet zelden een leven van voortdurende opoffering.
Maar toch zal men toegeven, dat er ook in deze opmerking wel eenige waarheid-
JMS Dienaar des Woords arbeidt men niet om loon, maar om Godswil, en de kerkeraad is van Godswege gehouden toe te zien, dat é^'D'i& ia.a.zxs dit zonder zorge doen kun nen. Maar dan spreekt het ook vanzelf, dat die zorge minder zal zijn bij wie eigen middelen heeft, dan bij wie van alle eigen middelen is verstoken.
Slechts één ding moeten we toegeven: Niet in elke kerk is de financieele kracht nu reeds groot genoeg, om zóó voor haar leeraar te zorgen, als verplicht en noodzakelijk.
Sommige kerken zijn nog zoo klein in het cijfer en tellen onder dat kleine cijfer nog zoo weinig Heden van eenige middelen, dat zelfs het saambrengen van een traktement van / 500 nog een volstrekte onmogelijkheid zou zijn. Vooral in die streken van het land, waar men op de dorpen nog uiterst eenvoudig leeft, en bijna geen geld in handen krijgt.
Denk slechts aan Kootwijk, waar het bijeenbrengen zelfs van een paar honderd gulden voor het traktement niet schijnt te gaan.
Nu stelt het onmogelijke altoos een natuurlijke grens. Waar niet is, verliest de keizer zelfs zijn recht.
Wil men nu al die kerken, [die niet behoorlijk zorgen kunnen, „noodlijdende" noemen, ons is dit wel, mits men dan maar wete, dat minstens 30 pCt. der kerken op het lijstje der noodlijdende komt te staan, en dat de jaarlijksche behoefte voor deze kerken minstens een f 50, 000 zal beloopen.
In Schotland heeft men door het General sustentation fund de zaak zoo geregeld, dat aan elk predikant een minimum traktement van pi. m. / 1400 verzekerd is.
Een voorbeeld, dat wel op die wijs niet mag nagevolgd; want nu reeds is de Vrije Schotsche kerk door die ongelukkige fondsen onmachtig om voor de waarheid te waken.
Maar de grondgedachte, dat het predikantentraktement onder zeker minimum niet dalen kan, en dat minvermogende kerken steun behoeven, dient toch ook bij ons meer ingang te vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1892
De Heraut | 4 Pagina's