In sommige kerken wordt weder de vraag
opgeworpen, of het niet beter ware het „eens burgemeester altoos burgemeester" ook op onze ouderlingen toe te passen, en alzoo het ambt van ouderling eerst door eigen gevraagd ontslag, of den dood, te laten eindigen.
Gelijk men weet, was dat werkelijk zoo het geval in de eerste vluchtelingengemeente, die onder a Lasco te Londen uit de Vlaamsche en Nederlandsche ballingen verzameld is, en plachten ook later nog enkele kerken ten onzent, gelijk met name die van Groningen, dezen regel te volgen, terwijl te Leiden de Magistraat dit in 1579 zelfs min of meer poogde door te drijven.
Feitelijk echter bleek dit in de meeste kerken ondoenlijk, en moest men zich aanvankelijk zelfs tevreden stellen met een tweejarigen dienst.Daardoor is dit, (meestmet zekere uitbreiding) allengs regel geworden, en in dien zin ook in onze kerkenordening opgenomen, en zelfs in 1619 bevestigd.
Voetius oordeelde dan ook nog in 1669, dat men het best deed met bij dezen regel te blijven. En dit advies vond te meer ingang, omdat juist de Remonstranten zoo sterk op een „ambt voor het leven" hadden gedrongen.
Dan konden uiteraard slechts enkele der welgestelden zulk een ambt aanvaarden, en dit gaf uitzicht op een minder krachtige Calvinistische ontwikkeling. Welke reden zou er dan zijn, om hierin thans wijüiging te brengen?
Blijkt toch in eenige kerk, dat er ouderlingen zijn, die óp uitstekende wijze dienen, dan worden ze in den regel toch ingekozen, zij het ook soms na een korten rusttijd.
Vooral echter op kleine plaatsen heelt het zijn goede zijde, dat niet aldoor dezeilde personen dienen. Dat toch leidt zoo licht tot familie regcering, en doodt altijd eenigszins het gemeente-initiatief.
Zonder hierin vaste regels te willenstellen, meenen we daarom met Voetius te mogen zeggen, dat benoeming voor een bepaalden tijd het raadzaamst is.
Dit zou natuurlijk niet kunnen, indien voor dit ambt, gelijk voor dat van Dienaar des Woords, een langdurige opleiding en een toewijding van het geheele levensbestaan noodig was; maar nu bijna alle ouderlingen een eigen maatschappelijke positie hebben, en er van ouderlingenscholen nog nooit sprake was, vervalt deze bedenking geheel.
Bezwaren heeft de nu sinds eeuwen bestaande practijk eigenlijk nooit opgeleverd, en waarom zou men dan naar verandering staan.' De eenige vraag die openblijft, en die dan ook meermalen gedaan is, zou deze zijn, of een herbenoemd ouderling opnieuw met stipulatiën moet bevestigd worden.
En aan dit bezwaar was metterdaad tegemoet te komen, indien de stipulatiën de eerste maal werden aangegaan, niet alleen voor de Ijepaalde pesiode die eerst is aangewezen, maar ook voor zoo langen tijd, als de kerkeraad zulk een broeder, naafloop van zijn diensttijd, begeeren mocht, zonder dat hij een rusttijd tusschenbeide ontving.
Er zou dan geen nieuwe dienst geopend, maar een reeds aangegane dienst gecontinueerd worden, en, den herkozen ouderling (ot diaken) zou het altoos eenigszins gemaniëreerde gevoel gespaard worden, alsof hij op een zeker oogenblik zijn ambt verloor, om het soms 24 uren later weer te krijgen.
Voorshands echter torne men liever niet aan al dergelijke quaestiëa. Laat eerst de voorloopige toestand door de vereeniging duurzaamheid erlangen; en dat alles vindt zich later vonzelf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1892
De Heraut | 4 Pagina's