Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Leefden we nog onder eena Christelijke

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leefden we nog onder eena Christelijke

7 minuten leestijd

Overheid, zoo zou het zeker de moeite loonen, nog dieper dan we dusver deden, in te gaan op de vraag, welke de verhouding tusschen zulk een Oi^erheid en de Christelijke kerk zou kunnen en moeten wezen.

Nu echter zulk een Overheid in ons land niet meer aanwezig is, en er geen het allergeringste uitzicht bestaat, dat zulk een Overheid in de eerste honderd jaren weer hier te lande zal optreden, zou zulk een bespreking weinig doel treffen.

Lange eeuwen hebben we hier te lande eene Christelijke Overheid gehad. Eerst eeuwenlang een Roomsch-Christelijke Overheid onder allerlei grafelijke en hertogelijke titels; en daarna drie eeuwen lang een Christelijke Overheid van Gereformeerde confessie. Sinds het laatste der vorige eeuw is echter aan dezen toen almeer onhoudbaar geworden toestand ten einde gemaakt, en thans neemt onze Overheid het standpunt in, dat ze als Overheid voor geen enkele belijdenis en voor geen enkele kerkformatie partij kiest.

Dat ze daarom nog vaak in strijd met dit officieel ingenomen standpunt handelt, en in de provinciën beneden den Moerdijk nog dikwijls de Roomsche, gelijk in de overige provinciën de Synodale kerk begunstigt, verandert aari dit feit niets.

Of toch de Overheid al dan niet een „Christelijke Overheid" is, hangt niet af van wat gij, als burger er over denkt of er van zegt, en nog veel minder van de vraag, of de personen der Overheid zich op Christelijke wijze gedragen; maar zoo iets moet blijken uit een staatsacte, uit een officieel stuk, als oorkonde van een wettig genomen besluit.

Ware onze Ove.heid eene Christelijke, zoo zou dit uit de Grondwet moeten blijken, gelijk dit eertijds bleek uit het accoord der zeven vereenigde Provinciën, en gelijk later het tegendeel bleek uit het officieel besluit der onderscheidene besturen, die in het laatst der vorige eeuw uit de revoluti'ï voortkwamen.

Uit zulk een besluit en zulk een officieel stuk zou dan tevensmoeten blijken, voor welke Christelijke kerkformatie de Overheid zich partij stelt. Of ze dit doet gelijk in Spanje voor de Roomsche, of gelijk in Zweden voor de Luthersche, of gelijk in Rusland voor de Gneksche, of gelijk in Turkije voor de Mahomedaantche religie, of wel gelijk het ten onzent in de l6e—i8e eeuw was, voor de Gereformeerde religie.

Want of er al in ds Grondwet sprake is van de kerkgenootschappen, en aan deze bescherming wordt toegezegd; of al de schoolwet van „Christelijke en maatschappelijke deugden" gewaagt; of al de eed in stand blijft; en de Overheid een beroep doet op God Almachtig in zegenbede en groet; dit alles raakt nog in niets het Christelijk karakter der Overheid.

Uit dit alles zou men tot op zekere hoogte kunnen afleiden, dat onze Overheid tegen den Atheïst en Materialist partij kiest, maar nooit dat ze daarom een, „Christelijk karakter, " draagt. Een Joodsche Overheid zou b.v. precies evenzoo kunnen spreken en doen, en daardoor duidelijk maken, dat in dit alles nog niets hoegenaamd Christelijks ligt.

En zelfs dan nog geldt dit alles slechts tot op zekere hoogte, Mea verlieze toch niet uit het oog: i". dat de Grondwet aan alle burgers, onverschillig of ze athtïsten zijn of niet, volkomen gelijke rechten en gelijke benoembaarheid waarbjrgt. Een wettige etfprins, die ongelukkigerwijs bleek een athtïst te zijn, zou hiermee niet van de erfopvolging zijn uitgesloten; 2". Dat atheïstische personen reeds herhaaldelijk met macht bekleed werden, en dan den dans ontsprongen, door Gods naam weg te laten en te spreken van „hoogeren zegen; " s''. Dat de eed voor den atheïst bijna nimmer bezwaar oplevevt, juibt wijl hij niets gelooft, en dan ook honderden atheïsten den eed hebben afgelegd. En 4». dat de bescherming der kerkgenootschappen, nu deze geheele eeuw, altoos de strekking had, om juist de geloovige Christenheid achteruit te zetten en dubbel, zoo niet driedubbel te laten beta'en.

Een half pakhuis ware te vullen met al de olficieele stukken en de bescheiden van de rechtsprekende Overheid, die alle liepen over allerlei vervolging, boeten en terzijdringing van Gereformeerde Christenen, te! wijl er niet één enkel stuk bekend is, waarin soortgelijke houding werd aangenomen tegenover een Jood of Atheïst.

Want wel heeft een enkel maal iemand gezeten, die den eed weigerde, maar dit was bijna aliijd een geloovig Mennoniet of Baptist of Darbi& t, Men vergisse zich ten deze dus niet, noch late zich door den schijn misleiden.

„Christelijke Overheid" is een uitdrukking, die in zich houdt, dat bij de Grondwet worde uilgesproken, dat de Overheid zich partij stelt voor de Christelijke religie, en dat wel voor de Christelijke religie van een bepaalde kerkformatie.

Zoolang nu zulk een bepaling in onze Grondwet niet is opgenomen, en er geen schijn cf schiduw van kans bestaat, dat een enkel der thans levenden het ooit beleven zal, dat zulks in de Grondwet inkomt, is het schermen met woorden en in de lucht slaan, om de geesten te gaan verdeelen door de vraag, wat de Overheid en wat de Kerk zou moeten doen, als er eens een „Christelijke Overheid" was.

Zelfs mag hierbij gevoegd, dat de Gereformeerde Christenen in den lande zelven allerminst wenschen zouden, dat de Overheid weer officieel de Gereformeerde religie belijden ging.

Want wel zijn er hier en daar nog enkele geloovigen, die, alleen op den klank afgaande en zich in Israels volksstaat onder het Oude Verbond terugdenkende, met zulk een gedachte dwepen kunnen; maar wie op de hoogte der zaak is, en weet hoe onnoemlijk veel kwaad drie eeuwen lang ons dit quasi-Gereformeerd-zijn der Overheid gebrouwen heeft, dankt zijn God voor deze bittere les der historie, en ziet, door deze harde les geleerd, van al zulke illusiën voor altoos af.

Als, ja, heel ons volk uit geloovige Calvinisten bestond, en er op de vier en een half millioen Nederlanders hoogstens een honderd duizend dissenters waren, dan zou er over zulk een da capo althans kunnen gedacht worden; hoewel wij, afgaande op wat we in Spanje en Portugal zien, het ook dan nog zeer beslist ontraden zouden.

Maar nu het feit er toe ligt, en in geen tijden te veranderen is, dat de geloovige Calvinisten nooit de helft van het volk zijn geweest, en thans door de bijvoeging van Noord-Brabant en Limburg, en door het begin van den grooten afval, en door het importeeren der Duitsche Vermittelungstheologie, tot één achtste van het geheele volk zijn ingekrompen, nu is zella het bespreken van deze mogelijkheid weinig beter dan ijdel geklap.

En gaan we achter de Reformatie terug, toen de Overheid hier te lande eveneens officieel het karakter van een „Christelijke Overheid" droeg, dan is de les der historie zeker niet minder overtuigend en welsprekend. Want immers juist uit dal olficieele Christelijke karakter der toenmalige Overheid is geheel de vervolging voortgekomen, en al onze martelaren zijn gevallen als slachtofifsrs van dit onhoudbaar systeem.

In dien vorm kan men dit vraagstuk dus gevoeglijk laten rusten. En neemt men den vorm, waarin onlangs Ds. Eringa de zaak voorstond, om namelijk de Overheid met de Synodale kerk in verband te zetten, dan verloopt men in zulk een potsierlijke voorstelling, dat men zich, zonder het te merken, zelf door zijn pleidooi tot een rise maakt.

Terecht hebben de Gereformeerden dan ook ingezien, dat er volstrekt geen haast bij was, om hetgeen over deze betrekking van Kerk en Overheid in hun Belijdenis en Kerkenordening voorkomt te herzien.

Nu toch onze Overheid zelf officieel, door een Staatsacte, haar confessioneel karakter heeft afgelegd, rust vanzelf als niet langer toepasselijk, al wat eertijds over de actie der „Christelijke Overheid van Gereformeerde religie" in betrekking tot de Gereformeerde kerken bepaald was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Leefden we nog onder eena Christelijke

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's