Vrije Universiteit.
Vrije Universiteit.
Verbaasd moet men vaak staan, indien men zoo eens zijn oor te luisteren legt onder sommige kringen der meer ontwikkelden, hoe gansch verloren geraakt is de opvatting van »de zonde."
Dat er een schenden is van de Majesteit Gods — daaraan wordt niet gedacht. Wanneer men »de liefde'^ maar betracht, is het goed. Maar wee hem, die dit (naar hunne opvatting) niet doet. Hij is een gevaarlijk mensch, die aan den »waren godsdienst" groote afbreuk doet en moet dus bij elke gelegenheid met een zwarte kool worden geteekend. Weinig wordt dan gedacht, of dit «betrachten der liefde'' tegenover zulk eenen misschien ook plicht ware.
Wanneer een man als Ds. Pierson b.v. die met heiligen gloed de schrikkelijkheid der hoererij in het licht stelt, en in den Naam zijns Heeren, die het lichaam des- menschen schiep om te zijn een Tempel van den Heiligen Geest, die zonde bestrijdt als een schending van den TempelGods (r Cor. 6 : i8, 19) — wanneerj zulk een man een enkel hard woord durft te spreken tegen een Burgemeester, begaat hij een misdaad, zóó groot en zóó vreesselijk, dat hij absoluut aan de kaak moet worden gesteld; maar wanneer door zijn tegenstanders leukweg wordt beweerd, dat aan een gehuwd man het recht moet worden betwist, om de hoererg in ongehuwden zoo scherp af te keuren, neemt niemand van die zijde daaraan aanstoot.
Ligt daarin dan geen bedekte vergoelijking van die schrikkelijke zonde ? En is het te veel gezegd door van zulke taal te beweren, dat God de Heere daardoor in het aangezicht wordt weersproken, waar Hij toch gezegd heeft dat »Hij de hoereerders en o verspelers oordeelen zal"?
De discussiën in de Tweede Kamer, naar aanleiding der interpellatie Keuchenius, waren ook in dit opzicht beschamend leerrijk. Aan welke zijde was de heilige gloed van verontwaardiging merkbaar over de ziel en lichaam verwoestende zonde der hoererij ? Was het niet alleen bij de weinigen, die zich buigen voor het Woord des Heeren Heeren, en Zijne oordeelen vreezen ?
Wanneer ik aan deze dingen denk kan mijn ziel zoo treuren over deze toestanden.
Voor eigen eer en de eer van den medemensch wordt fel gestreden; doch waar het de eere Gods geldt, ontmoet men zoo vaak de grootste lauwheid en onverschilligheid. En toch, wanneer wij b. v. Num. 25 lezen, en het getuigenis, dat de Heere omtrent Pinehas geeft (vs. 11) »Pinehas heeft mijn grimmigheid van over de kinderen Israds afgewend, dewijl hij Mijnen ijver geijverd heeft in het midden derzelve, zoodat Ik de kinderen Israels in Mijnen ijver niet vernield heb" — is er dan geen grond om voor die vergoelijking der zonde bevreesd te zijn en integendeel den Heere te bidden, dat Hij ons vele »Pinehassen''schenken moge, die de ooreaak is geweest, dat de Heere het volk Israels nog niet vernielde?
Zulke Pinehassen te kweeken in de mogendheid des Heeren, zij het ideaal, waarnaar ook de Vrije Universiteit moge streven. Welk een zegen zullen zij voor ons volk kunnen zijn!
De jaarlijksche aigemeene vergadering zal, D. V., te Groningen gehouden worden op Don^ derdag 30 Juni en den vorigen avond de bidstond. Omtrent het programma zullen in tijds nadere bijzonderheden worden bekend gemaakt. In ieder geval belooft ook deze vergadering hoogst belangrijk te worden, en mag zeker een talrijke opkomst verwacht worden. W. HOVY.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1892
De Heraut | 4 Pagina's