Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

Uit de poolstreeli.

I.

In de noordelijke zeeën, en ook wel veel zuidelijker, woont een dier dat, al ziet het er niet fraai uit, toch veel begeerd en gejaagd wordt. Ge begrijpt dus al dat die begeerte niet uit liefde voortspruit, maar uit hebzucht, hebzucht bij menschen en bij beesten. Zelfs is dat dier den menschen zooveel waard, dat er onlangs bijna een oorlog scheen te dreigen tusschen twee machtige rijken, om het rechtdat dier te vangen.

Vele knappe jongens en meisjes hebben nu zeker reeds geraden, dat ik den zeehond of den rob bedoel, en dat de twee landen zijn Groot-Brittanje en de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

Een zeehond hebben ongetwijfeld vele lezers wel eens gezien. Hij is trouwens een oude bekende. Want reeds de Grieksche wijsgeer Aristoteles — en diens begrafenis is al vele eeuwen geleden geschied — spreekt over zeehonden en zegt naar waarheid, dat deze dieren als in 't midden staan tusschen de bewoners van het water en die van het land.

Een zeehond vereenigt de eigenschappen van een land-met die van een waterdier en vormt tusschen die beide een overgang. Hij is van 't robbengeslacht. Deze dieren hebben vier pooten en aan eiken voet vindt men duidelijk vijf teenen met klauwen gewapend. Het gebeente gelijkt ook veel op dat der landdieren, en 't lichaam is, even als bij hen, in een warm, haren kleed gehuld. Zij hebben als de landdieren warm, rood bloed en voeden ook hun jongen met de moedermelk. Zelfs gelijken zij door hun flink gebit op de roofdieren.

Toch is hun lichaam veel beter voor 't natte dan voor het droge element geschikt. Naar 't uiterlijk beschouwd, gelijkt de rob zelfs heel veel op een visch; alleen de kop doet denken aan dien van een hond of van een vischotter.

De beenen zijn zeer kort; slechts de uiterste einden komen uit het lichaam te voorschijn. Zij kunnen zich dan ook op het vasteland volstrekt niet voortdurend of snel bewegen. Met moeite slepen zij zich voort, terwijl zij, gelijk sommige rupsen ook doen, op hun borst steunen en door nu eens zich te krommen, dan weer zich uit te rekken, het dikke, spekkige lijf voortslepen. Moet de zeehond tegen een hoogte op, dan gebruikt hij ook zijn voorpooten.

Het zwemvlies, dat de teenen verbindt, maakt de robben tot des te beter zwemmers en duikers. De waterpas uitgestrekte achterpoten dienen dan tot roer.

Heel het lichaam is trouwens voor zulke bewegingen geschikt. De romp ziet er uit als een dikke rol, die echter uitloopt in een korten staart. De ruggestreng is bijzonder buigzaam. Het oog kan door een soort vel gesloten worden; ja ook de ooren en neusgaten kan het dier door beweegbare kleppen afsluiten. Het haar dat het lichaam omgeeft wordt aan den bek zoo lang, dat het een stekeligen, korten baard gelijkt. Verder echter is het kort en ligt glad neer, zoodat het bij 't zwemmen al zeer weinig hindert. Kortom alles is zoo ingericht, dat het dier gemakkelijk in het water kan leven, gelijk het dan ook daarin volkomen zijn voedsel vindt.

Want al wat in het water leeft is de gading van den zeehond: visschen, weekdieren, kwallen die de zee in menigte oplevert, alles gaat naar binnen. Op het groen van den zeebodem vinden maar enkele hun weidegrond.

Als de rob in 't water op buit uitgaat of voor zijn genoegen in het groote zwembad rondplast, dan zou men niet zeggen dat het een plomp dier is. Snel als vleugelen bewegen zich de ledematen door het water. De uitgespreide voorpooten snijden er door terwijl de achterpooten ronddraaien als de schroef van een stoomboot. Zoo zwemt de zeehond vooruit, achteruit, nu eens op den buik, dan op den rug, ja, naar men zegt, zelfs slapend (wat zeker gij hem niet na zult doen). En 't gaat zoo gauw, dat ook de vlugste visch hem niet zal ontkomen.

De robben leven dan ook gewoonlijk in 't water. Als zij aan land gaan is 't meestal alleen om zich eens lekker in de zon te koesteren en te braden. Op het land worden ook de jongen geboren en gezoogd. Veel zijn 't er niet; meest een, soms twee tegelijk. Maar ook de jonge beesten houden het op het droge land niet lang uit. Want na veertien dagen brengt moeder ze al aan den zeekant; want de jongelui moeten spoedig leeren zwemmen en ook hun Vt)edsel zoeken.

De ouders passen bijzonder goed op de kleintjes. Worden deze moe dan nemen vader of moeder hen op den rug. Met groote voorzichtigheid passen de ouders op de nog onervaren kinderen. Vooral de vader zal zich voor hen met moed en zelfopofferende liefde weren. Als de jagers den jongen rob hebben gedood en het lijk mee willen sleepen, zal nog de oude rob, al is hij zelf doodelijk gewond, zich in de zee werpen om den vervolger zijn buit te ontrukken.

„Uitgeleerd."

Bij een groot fabrikant in ijzerwaren en werktuigen kwam eens een jong mensch om werk vragen. De fabrikant sprak een oogenblik met hem en zei toen:

»Ik denk wel dat ik werk voor u zal hebben, maar gij moet zeker nog veel leeren; als gij dit wil kan ik u gebruiken."

»0", antwoordde het jonge mensch trotsch, »dat is niet noodig, ik ben al lang in het vak uitgeleerd."

De heer deed net of hem dit verwaande antwoord niet hinderde en zette den jongeling aan het werk. Het bleek nu weldra dat deze van het. vak nog bitter weinig wist, en eigenlijk nog van onderen op moest beginnen.

Na een week liet de fabrikant den jonkman bij zich komen, betaalde hem zijn loon en spiak;

»Het spijt mij, maar ik kan u niet gebruiken. Ik wil graag gelooven, dat gij uitgeleerd zijt. Maar dan is zeker dat hetgeen gij hebt geleerd er ook heelendal weer uit is." En daarmee kon de verwaande jongeling aftrekken.

Genoeg.

Genoeg. Een hooggeleerd heer, die het opzicht had over een verzameling van bijna 30.000 boeken, reeg eens bezoek van den schipper die geegeld vrachtgoed bij hem leverde. Voor 't gemak werd de man in de groote boekenzaal gelaten, wat anders nooit gebeurde.

De schipper keek zijn oogen uit en toen de professor binnen trad kon de ander niet nalaten te zeggen:

»Verbazend, mijnheer, wat een boeken; ik acht niet dat er zooveel in de heele wereld aren. Daar komen wij menschen toch maar eel bij te kort." i

»Vriend", zei de hoogleeraar ernstig, »leest gij wel eens? "

»0 ja, ik lees eiken dag .den Bijbel." »Welnu", was 't antwoord, »dan hebt ge het Boek en behoeft gij niemand die andere te benijden. Ze zijn heel goed, maar wie den Bijbel leest heeft ten slotte van alle het beste.

HOOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1892

De Heraut | 4 Pagina's