Voor Kinderen.
IN HET P00LLAND.
Is HOETTE EN GEVAAR.
{Slot: )
Zoo staan dan de jagers, onbeschut tegen de felle koude, soms in dichte nevels terwijl de sneeuw om hen heen stuift die, gelijk bijna altijd op zee op de huid bijt, wijl er zoutdeeltjes in die sneeuw gemengd zijn. Een enkele ' rukwind uit de open zee is voldoende om de ! gansche ijsvlakte, waarop de menschen en het ^ jachttuig zich bevinden, te doen overstroomen. i Een tweede windvlaag kan oorzaak zijn dat het ijs luid krakend barst. Overal zijn de jagers dan door rollende baren omgeven; nergens is een vast punt. Zware, zwartgroene golven dringen in de diepten van den ijsheuvel, waarop de mannen zich bevinden. De geheele schots, dusver vast, waggelt nu en trilt zoover het oog reikt. Spleten, die eerst een voet breed waren, hebben nu een wijdte vari ellen. Wat nog pas stil water was, vertoont zich thans als een golvende zee, welker witte oevers; die zoo scherp zijn als een mes, steeds verder van elkaar wijken. Intusschen drijven op de baren de getande, verblindend witte, kleine schotsen rond.
Eindelijk barst soms heel het vlak, dat den jager omgeeft; hij ziet met schrik rond, maar bespeurt enkel schotsen en ijsvelden. Waarheen? Hoe zal hij den weg vinden? Van de citadel van Riga worden op zulke tijden voortdurend kanonschoten gelost, tot een teeken in welke richting het land ligt, maar bij het geweld van wind, ijs en water kan het geluid niet ver zeewaarts dringen en in de verte verneemt het niemand.
De schippers en jagers trachten althans hun scheepjes te bereiken. Zij weten, dat op menschelijke hulp niet valt te rekenen. Zoo wagen zij dan in doodsangst sprongen van de eene wankelende ijsschots op de andere, tot de plaats waar hun zwakke vaartuigen liggen. Maar menigmaal zien zij zich bedrogen en verzinkt er een der jagers in de golven. Ook kan men zeer licht te midden van de jachtsneeuw op het ijs verdwalen, en dan hetzij in een spleet vallen of van honger en koude omkomen. Gij moet echter niet denken dat zij, die de booten bereiken, nu buiten gevaar zijn. Integendeel; de zwakke vaartuigjes worden tusschen het ijs heen en weer geslingerd. Zeil kan men niet opzetten; alleen met het roer valt nog iets uit te richten. Het ijs schuift tot bergen opeen ; de schotsen stooten krakend op elkaar en wee het schip dat er tusschen geraakt. Ook wordt soms de schots, waarop mannen en vaartuig zich bevinden, tegen een ijsberg geslingerd en barst uiteen. De mensch kan dan niets doen. Hij moet slechts den Heere zijn lot en weg toevertrouwen en alles overgeven. Intusschen staan de achtergeblevenen aan den oever. Meestal is de dominee bij hen, De menschen bidden en maken tevens alle toebereidselen om te redden wat nog te redden is. De booten zijn te water gelaten. Roeiriemen, touwen, haken, messen, geweren enz. liggen klaar. Zoodra men te midden van de op en neer gaande ijsbergen de scheepjes der huiswaartskeerenden bespeurt, gaat een gejuich op. De moedigsten aan het strand steken van *• wal en varen den vrienden tegemoet. Zij die dat doen gebruiken eerst het H. Avondmaal, gelijk ook de jagers deden eer zij uitgingen. Zoo gevaarlijk is de jacht op de zeehonden voor de volken, die in hun nabijheid wonen. De Engelschen en Amerikanen loopen natuurlijk in hun grootere schepen veel minder gevaar. Toch blijft de jacht op zeehonden altijd een werk waar kouwelijke of bange menschen maar liever geen deel aan moeten nemen. De aangenaamste jacht op den zeehond maakt de ijsbeer, die er niet ver om behoeft te loopen en in die streken, waar de robben veel voorkomen, thuis is.
AAN VRAOËRS.
Nu vriend A. U. te R. aan ons verzoek voldeed, kunnen we hem het gevraagde antwoord geven.
Het woord »slibberig" komt van slih, d. i. slijk of modder^ waarop iemand bij het loopen licht uitglijdt, waar iets niet vast op ligt. Een slibberig verstand nu is ook zulk een waarop hij, die 't heeft, zich niet vast kan verlaten, zoodat hij nu dit dan dat voor waar houdt, en zeer licht de gevoelens van anderen overneemt, nu naar dezen dan naar dien kant verzeilt, net als iemand die op een slibberigen weg loopt. De beteekenis van den zin uit Groen van Prinsterer zal nu wel duidelijk zijn.
Hoe staat het bij n?
Niet lang geleden kwam ik eens bij een jongen van een jaar of veertien, die bezig was thuis wat schoolwerk te maken. Althans dat vertelde hij. Anders zou men licht gedacht hebben, dat hij, om den kost te verdienen, een uitdragerij was begonnen of handelde in oude boeken. Zulke toch lagen er bij menigte op den grond, gescheurd en bevlekt, terwijl er ook aan losse bladen geen gebrek was. De inktpot was gevaarlijk gebroken ; pennehouders met roestige pennen lagen op tafel. In een kastje, dat voor boeken moest dienen, lag een oude hoed en het heele kamertje was zoo ordeloos en wat er in was zoo haveloos, dat het naar was om aan te zien.
Terwijl ik met den slordigen bewoner sprak, merkte ik op, dat het toch wel anders kon en moest zijn, daar het nu wel leek of men een lading van de vuilniskar had neergeworpen. De jongen echter zei, schoon hij zich schaamde, »Ja ziet u, 't komt er ook niet zoo op aan. Zoo'n paar boeken en pennen, die kosten zooveel niet. En het is zoo'n werk alles netjes te houden."
»Ei zoo", antwoordde ik; »'t is mij dunkt toch te goed om te verslonsen. Wat zoudt gij wel zeggen van iemand die een jaar lang met één pen schreef, en toch haast eiken dag."
»Dat was zeker een gierige man" riep hij. »Neen, volstrekt niet, hij gebruikte alleen niet meer dan noodig was; hij was niet gierig, maar spaarzaam; hij wist dat slordigheid duur is en verkeerd."
»En wie was dat? ", vroeg de jongen.
»Wel, hij heette net als ons land dikwijls genoemd wordt: Holland, maar woonde in Engeland, waar hij voor 2 eeuwen doctor en schoolmeester was. Hij vertaalde een boek Britania geheeten, en schreef heel het groote werk met één pen. Toen 't af was maakte hij dit vers:
»Dit gansche boek, schreef 'k met één pen. Het was een ganzeveer; Het was een pen toen ik haar nam, 'k Leg haar als pen weer neer."
De slordige knaap stond verbaasd. Alleen zei hij : »Maar met een stalen pen zou dat toch niet gaan".
»Niet zoo best misschien", sprak ik. »Maar toch is dat geen ontschuldiging. Want Eén, naar wien wij ons allen hebben te richten, heeft ons geleerd niets te veronachtzamen. Hij zeide na een grooten maaltijd: vergadert de ovei'gesckoten brokken, opdat er niets verloren ga. Dat leert ons hoe wij doen moeten. Weet gij wien Hij was die ik bedoel?
De knaap sloeg toen de oogen neer, en ik hoop, dat hetgeen hij hoorde hem wat geleerd heeft, of 't althans velen doen zal, die net zoo zijn als hij.
CORRESPONDENTIE.
E. J. H. te Z. Met genoegen, als ge uw naam wilt opgeven. W. K. te Z. Als ge ons eerst nader inlicht, dan gaarne.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1892
De Heraut | 4 Pagina's