Ingezonden Stukken.
{Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie)
Aan Prof. Dr. A. KUYPER,
Hooggeachte Heer!
Aangezien het onderwijs, ook vóóraldaXv^rs. onze jongelingschap, geheel de liefde van ons hart moet bezitten en alle brandstof die wij bezitten moet worden aangedragen om die liefde te doen ontbranden, zoo zag ik gaarne dat het hier volgende een plaatsje in uw geacht blad moge erlangen, voor welke opname ik voorloopig dank betuig.
Er zijn vele menschen die Luther »tot in den hemel verheffen" zooals men wel zegt, — in een zekeren zin is dat te prijzen, mits men in Lutber ziet het voorwerp, waarvan de Heere God zich heeft willen bedienen om de glorie van Zijn Woord wederom op den kandelaar te doen plaatsen, en dat heldere licht te doen schijnen hetwelk door het ongeloof en bijgeloof in de midden-eeuwen was uitgebluscht en te loor gegaan; hoewel Lulher zelf er wars van was, om zich eenigen roem hierover te laten toeschrijven dewijl hij zich bewust was, het niet zijn werk maar het werk Gods was, dat hij ten uitvoer moest brengen, gelijk hij zelf getuigde in deze woorden »de waarheid zal alleen staan en zal zegepralen, door haar eigen rechterhand en niet door de mijne, . . . ik vrees dat ik onwaardig ben voor zulk eene zaak te sterven" daarom stuitte het hem tegen de borst dat zijn volgelingen zich naar hem noemden, want de betuiging van d'Apostel Paulus was ook bij hem in het harte »ben ik voor u gekruisigd''.
Hoe treurig is het tegenwoordig gesteld in die kerken, welke zich naar hem noemen het opschrift in een hunner kerken te Amsterdam »Niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus", is meer eene ironie dan eene waarheid voor hen, — helaas men vergood Luther, maar de leer der vrije genade, die de hoofdschotel zijns levens was, hoort men zelden verkondigen. ^Luther's lied is er niet meer.
Nu zijn er nog wel leden in die kerken die ondubbelzinnig de leer die hij heeft verkondigd belijden, en daarvoor strijden — doch ten opzichte van Luther's gevoelens en strijd vóór het onderwijs, — dat schijnen zij niet te willen aanvaarden en zijn hierin zeer dubbelzinnig, — dat zij indien zij jegens zichzelven willen zijn, volkomen moeten toestemmen, wanneer ik hun wil wijzen op hetgeen Luther over dat onderwerp heeft gedacht en ook over de in zijn tijd bestaande Universiteiten. Zoodat wij mogen zeggen ook in dat opzicht »er i niets nieuw onder de zon."
»Ik ducht zeer, (zoo sprak hij) dat de Universiteiten slechts de groote deuren fder hel zijn, zoo men zich daar niet ijverig betoond in de verklaring van de Heilige Schrift, en om die te planten in de harten der jongelingschap. Ik raad niemand dat hij zijn kind ergens plaatse, waar de Schrift niet boven alles gaat. Elke leerinrichting, waar men zich niet gestadig bezig houdt met het Woord van God, xal kwade vruchten dragen." i)
__Dit is gesproken door dezelfde man, die op zijn tocht naar Worms, de stad Frankfort doortrekkende, de school van Wilhelm Nesse bezocht, en tot de leerlingen der school zeide: »legt u toe op de studie van den Bijbel en op het onderzoek der Goddelijke waarheid.
Nu vraag ik aan alle bewonderaars en volgelingen van Luther en die nochtans hunne zonen naar ongeloovige Staatsinstellingen zenden; — zou zijn oordeel over die scholen niet hetzelfde zijn, als te zijner tijd?
Met hoogachting, Uwe toegenegen dienaar,
JOH. F. STIELER.
Amsterdam, den loen van Wijnmaand 1892,
i) Luthers Werken, deel XVII pag, 486.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 23 oktober 1892
De Heraut | 2 Pagina's