Voor Kinderen.
EEN I"iaOUWSl GETUIGE.
IX.
IN DEN KERKER.
Te Venetië, in een van de gevangenissen der Inquisitie, werd den overste der Minder broedera een verblijfplaats aangewezen. Daar zou hij vertoeven tot zijn zaak was beslecht. Wanneer — dat wist hij niet.
Intusschen had zich het gerucht van Baldo's gevangenneming weldra overal verspreid. Waren er vooral onder de priesters niet weinigen die zich verheugden dat de Inquisitie dien gevaarlijken ketter had gegrepen, groot was ook het getal dergenen die ontsteld en bitter bedroefd waren. In Italië zelf vroeg menigeen zich af wat er van de goede zaak worden zou, nu de Inquisitie was ingevoerd en de handen sloeg aan de belijders des Hecren. En daarbuiten onder de vluchtelingen en bij degenen die de nieuwe leer en haar vrienden liefhadden peinsde men over middelen om een zoo vroom en werkzaam man uit de handen zijner vijanden te verlossen.
Schwartze sprak er over met de vrienden in Duitschland en schreef brieven aan Luther en andere hervormers in Saksen die, zooals we weten, Baldo ^kenden. En de Duitschers toonden dat, gelijk de apostel zegt, »als een lid lijdt, alle leden mede lijden". Zij beloofden al het mogelijke voor Lupetino, hun broeder, te zullen doen, al wisten ze ook zeer goed hoe moeilijk 't zijn zou iemand uit de handen van het zoogenaamd Heilig Gerechtshof in Italië te redden.
Nog niet lang had Lupetino in de gevangenis gezeten en onder veel gebed zich voorbereid om te spreken als hij tot verantwoording wierd geroepen, toen de rechters hem lieten ontbieden. Wat hem gevraagd werd en wat hij antwoordde zoudt gij, vrienden die dit leest, zeker graag weten en ik u even gaarne vertellen. Doch ongelukkig is dat althans dusver onbekend.
't Is trouwens pas een twintig jaar geleden, dat de papieren werden ontdekt, waaruit men zooveel kwam te weten omtrent den Provinciaal Baldo, die voor dien tijd bijna nog alleen bij naam bekend was als een strijder voor de waarheid. Bij al wat men gevonden heeft is echter niets over het eerste verhoor van den gevangene, voor het Gerechtshof der Inquisitie. Doch wat we wel weten is dat, gelijk ieder wel verwachtte, de mannen der Inquisitie zich.niet lieten overtuigen en zij Baldo schuldig bevonden, omdat hij de dwalingen der Roomsche kerk zoo krachtig bestreed. Of zij beproefden hem uit Gods Woord te weerleggen, weten we niet; 't zou ook zeker m.oeilijk zijn geweest.H
Gij denkt misschien dat het nu met Baldo spoedig gedaan was, doch dan vergist ge u. Want al maakte men anders met de »ketters" korte metten, nu ging dat niet zoo gemakkelijk.
De oorzaak daarvan lag bij de Duitsche vrienden, waar ik boven van sprak. Zij toch deden wat zij konden, en brachten het eindelijk zoo ver, dat de keurvorst van Saksen, Luther's vriend, met andere Duitsche vorsten besprak wat men voor den gevangen belijder des Heeren doen kon. Ten slotte kwamen de vorsten overeen, dat zij zich zouden wenden tot de regeering van Venetië en vragen dat deze Baldo in vrijheid stelde. Dan kon hij Italië verlaten en was veilig. Geheel vruchteloos waren die pogingen althans vooreerst niet. Wel ging de Inquisitie haar gang en werd Baldo als ketter veroordeeld, maar men waagde het toch niet, het doodvonnis over hem uit te spreken. In plaats daarvan werd hij veroordeeld tot het betalen van een boete van tweehonderd dukaten en — tot gevangenschap, zoolang tot hij zijn dwalingen en ketterijen zou hebben herroepen.
Gij begrijpt, vrienden, wat dat laatste zeggen wilde. Ook beoogden de haters van Baldo en van de waarheid een dubbel doel, door schijnbaar zacht te oordeelen. Vooreerst toch zou men in en buiten Italië nu niet zoo verontwaardigd en verbitterd worden, als wanneer Baldo als ketter ware ter dood gebracht. Ten tweede echter was te voorzien, dat hij lang gevangen zou blijven. En een lange, harde gevangenisstraf zou, dachten de inquisiteurs, den gevaarlijken man wel tam en week maken, zoodat hij ten slotte moedeloos en mat, toegaf. Dan hadden zij 't gewonnen.
Toen Baldo het vonnis werd bekend gemaakt, kwam hij er terecht met alle kracht tegen op. Hij vroeg dat er een algemeene vrije kerkver-i gadering of concilie zou gehouden worden, j Daar kon dan zijn zaak en veel meer worden besproken, en uitgemaakt worden wie gelijk had, de paus en zijn aanhangers of de vrienden der nieuwe leer of liever de oude naar Gods Woord. Doch wat Baldo ook zei, het baatte niet. En de paus met zijn vrienden 1 zorgden wel dat zulk een algemeen, vrij concilie niet gehouden werd. Baldo zou dus in den kerker blijven, zoo lang hij bleef bij hetgeen hij geloofde en beleed.
BE TCINMAK KOMIMG.
Alexander de Groote, de groote veroveraar van wien wij in het boek Daniël lezen, als van den »koning van Griekenland", voerde ook oorlog tegen de stad Sidon, die ons uit de Schrift wel bekend is. Hij overwon haar en zette den koning, die Strato heette, af.
Toch moest de stad een koning hebben, en daarom zei Alexander tot zijn gunsteling Hepha: estion: »Zie eens rond of onder uw vrienden niet een man is, geschikt om over de stad Sidon te regeeren; dan stel ik hem tot koning aan."
Nu had Hephaestion zijn intrek genomen bij twee broeders, die behoorden tot een der aanzienlijkste geslachten van de stad. Zij waren verstandig, bij alle burgers geacht en daarbij vriendelijk en wakker. Zoo sloeg hij hun dan de zaak voor er bijvoegende: »Daar gij broeders zijt, en elkander zeer liefhebt, was het best dat gij samen gingt regeeren. Er kunnen evengoed twee vorsten zijn als één.
De broeders dachten even na, toen sprak een hunner hoofdschuddend:
»Wij kunnen de waardigheid, hoe vriendelijk ook aangeboden, toch onmogelijk aannemen."
»Waarom niet."
»Omdat het een oude wet is in Sidon, dat niemand den koninklijken troon mag beklimmen tenzij hij ook koninklijk bloed in zijn aderen hebbe; en dat is bij ons niet alzoo".
„Nu ja" sprak Hephaestion, »maarmijn koning die uw stad veroverd, haar macht verbroken en den koning afgezet heeft, is ook niet gebonden aan zulke wetten. Als hij u aanstelt kan niemand er iets tegen doen.
De broeders bleven echter bij hun besluit.
»Wij althans" zoo spraken zij, »zullen die oude wet niet breken, door aan te nemen wat gij voorstelt.
Hephaestion stond verbaasd; hij wist niet wat te doen en ging tot Alexander om hem de zaak mede te deelen.
(Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 30 april 1893
De Heraut | 4 Pagina's