Buitenland.
BuitsChlaBd. Een getuigenis tegen het dr ij ven der Ritschliaansche school.
Nog steeds houdt in Duitschland de beweging tegen en voor de Apostolische geloofs belijdenis aan. De drie superintendenten der Hessische landskerk hebben op Goeden Vrijdag 1.1. een herderlijken brief tot de geestelijken onder hun ressort laten uitgaan, om te betoogen dat de aanstaande herders en leeraars niet alleen een levendig geloof in Jezus Christus zullen bezitten, en bij aanvang eene persoonlijke ervaring van de genade Gods in Christus hebben, gelijk de professoren Achelis en Werrmann dit verlangen; maar dat zij den Christus der Schriften, gelijk de Evangeliën en de apostelen Hem verkondigen, in wien de kerk geloofd heeft en nog gelooft, blijkens hare belijdenis, in het bijzonder volgens de XII artikelen, moeten belijden.
In plaats van dien Christus der Schrift zoekt men het beeld van een »historischen" Christus te stellen, voor hetwelk wij geen geschiedkundige bron hebben, - noch in de Evangeliën, noch in de brieven der apostelen. Een Christusbeeld wordt geformeerd, waarbij men alles heeft verwijderd, wat aan de gedachten van het eigen hart aanstootelijk schijnt. Noch van de eeuwige generatie van den Christus, noch van zijne waarachtige opstanding wil men iets weten. Men stelt daarmede op zijde wat de ergernis der Joden is, die zich daaraan stooten, dat Hij zich Gods Zoon genaamd en zich Gode gelijk gemaakt heeft. Men stelt daarmede den Christus ter zijde, in wiens bloed wij verzoening hebben — de spot der Ath'iners over de opstanding uit de dooden is dan niet meer te vreezen. Maar dan is ook het apostolisch evangelie verdwenen, wanneer namelijk het middelpunt daarvan is weggenomen, de om onze zonden gekruisigde en tot onze gerechtigheid opgewekte Christus.
En dit wil dan nog recht evangelisch geloof zijn, dat slechts op den indruk van den menschelijken »historischen" Christus rust, en losgemaakt is van de groote heilsdaden Gods. Het komen van den Zoon Gods op deze wereld, zijn verzoeningsdood, zijne opstanding en verhooging zou voor het geloof geen wezenlyke bcteekenis meer hebben. Men zou dan als predi ker beiden kunnen dienen, dezulken, die aan de oude belijdenis vasthouden, en, dezulken, die »door de door God gewijde geschiedenis des geestelijken levens, van de gewoonte, om aan eene oude belijdenis te hangen, verlost ziJD, " en het zou onverschillig zijn, tot welk soort van lieden de predikant zelf behoort. Hoe men dit moet doen, wordt door de bovengenoemde professoren duidelijk gemaakt.
Zulke raadslagen, zoo vervolgt de herderlijke brief, kunnen wij nooit toestemmen. Wat Evangelisch geloof is, wat de tot zaligheid leidende prediking is, behoeven wij niet eerst van deze theologie te leeren. Wg weten dit al lang door de apostelen, Luther en de evangelische raderen. Wat zou Luther tot predikers zeggen, die met zulk eene verdraaiingstheorie hun ambt wilden bedienen?
Een man, die zulke theoriën huldigt, zoude verzoeking, om een dubbel spel te spelen, en dingen met zijnen mond te zeggen die hij alleen met een reservatie mentalis voor zijn geweten rechtvaardigen kan, niet kunnen wederstaan. Maar de gemeente moet altijd vreezen om bedrogen te worden, wat den inhoud van haar geloof aangaat. Predikanten, wier woorden eene dubbelzinnige beteekenis hebben, kunnen Kerstniis, de lijdensweken. Goede Vrijdag en Paschen niet meer met de gemeente vieren. En de Gemeenten hebben het recht, slechts zulke herders te verlangen, die met hen den Heere in eenigheid des geloofs prijzen.
Tusschen de belijdenissen der kerk en zulke beschouwingen is er ook geen brug. Het is een andere Christus, een ander Evangelie, een ander geloof, dat men ginds leert; De waarheid eischt, dat zij, die bij de feesten der kerk, de groote daden Gods tot ons heil met de gemeente niet vieren kunnen, ook eerlijk van het voornemen, om in onze kerken een geestelijk ambt te bekleeden, afzien.
Laten zij in eene gemeente van gelijkgezinden de kracht van een geloof, dat van de heilsfeiten losgemaakt is, beproeven. De wereld staat hen daarvoor open, maar niet het ambt in onze kerk. Er is in haar voor zulke pogingen geen ruimte. In de kerk moet ieder van het ambt uitgesloten zijn, die het verstaat, de belijdenis der kerk te verstoren en de gemeente door aanslagen op datgene wat hij behoort mede te belijden, in verwarring brengt.
Na eene opwekking tot rechte ambtstrouw en na de bede, om in het gebed ook hen te gedenken, die de aanstaande leeraars der kerk onderwijzen, wordt deze herderlijke brief besloten met het uitspreken van de hoop, dat de kerk des Heeren, die reeds zoovele aanvechtingen overwonnen heeft, ook deze overwinnen, terwijl de zon des Evangelies dês te helderder zal blinken, wanneer wij als trouwe knechten bevonden worden en onze lampen helder branden.
De bazuin van deze herders geeft een duidelijker geluid dan die van den opper-kerkeraad der Pruissische landskerk. Het verheugt ons als Gereformeerden, al keuren wij het bekleeden van een ambt als superintendent in de kerk des Heeren in beginsel niet goed, dat er een krachtig getuigenis van de Hessische opperherders is uitgegaan tegen het drijven der mannen van de Ritschliaansche school.
In Berlijn hield den 6den April de z.g. fractie of partij der positieve unie weder eene vergadering. Sedert Dec. 1891 was er eene scheuring in de rijen van de mannen der positieve unie gekomen, naar aanleiding van het niet verkiezen van den hofprediker Stöcker als lid van het bestuur der Generale Synode, omdat de keizer te kennen gegeven had, dat het verkiezen van zijnen hofprediker hem niet aangenaam was. Men meende op de tegemoetkoming der regeering ten opzichte van de menschen te kunnen rekenen, doch het intrekken van de voorgestelde wet voor het volksonderwijs, en het optreden van den hoogleeraar Harneck tegen de XII artikelen, opende den Optimisten de oogen voor het dreigende gevaar. Daardoor kwamen de uiteengedreven broeders weder tot eenheid. Hofprediker Stöcker zoowel als graaf Ziethen, welke hun lidmaatschap van de Generale Synode van '91 opgezegd hadden, waren weer ter vergadering. Men werd het weder daarover eens, dat men met het streven voor meerdere vrijheid en zelfstandigheid der kerk zou voortzetten. Prof. Cremer hield een referaat over de XII artikelen, die zoozeer de goedkeuring wegdroeg, dat zij besloot het stuk te laten drukken en onder de studenten te verspreiden. Niet een stem om ook maar een stuk van de XII artikelen toe te laten, verhief zich.
Een tweede voordracht werd door den exhofprediker Stöcker gehouden over Frederik Wilhelm IV en de kerkelijke zelfstandigheid. Den isden October zal het honderd jaren geleden zijn, dat deze vrome vorst het licht aanschouwde. Stöcker wees op den opwekkenden invloed, die deze koning op het geloofsleven der kerk uitgeoefend heeft, en zijn verlangen naar eene andere kerkorde voor de Evangelische kerk. Zijne gedachte over eene Presbyteriale kerkorde is niet tot uitvoering gekomen. Maar het ideaal van de vrijheid der kerk, onder den vorst des lands, als opperste regelaar (Ordner) en beschermer der kerk, is als eene kostbare vermaking door hem achtergelaten.
Hoezeer wij het streven van den heer Stöcker ook toejuichen, toch schijnt hij met zijne medestanders niet te kunnen komen tot den eisch van de algeheele vrijheid der kerk. Stöcker wil het sumepiscopaat van den vorst des lands beperkt, maar niet opgeheven hebben.
Fraïïkrijii. Naar aanleiding van het overlijden van Léon Pilatte.
II.
Lèon Pilatte vertoefde langen tijd in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika om aldaar te collecteeren, hetgeen hem wonderwel gelukte, toen hem eenmaal maar den rechten weg gewezen was.
Na zijn terugkeer uit Amerika, werd Ltfon Pilatte predikant bij de vrije kerk te Nice. In 1865 verloor Pilatte zijne echtgenoote, hetgeen eene schaduw wierp op zijn volgend leven, al bleef hij moedig en ijverig werkzaam. Pilatte werkte terwijl een ander sliep, daarom kon hij menschen ontvangen wanneer anderen moesten arbeiden.
Hij, Pilatte, wasaldjd van 9—11 ure te spreken. Wat al menschen ontving hij in die uren. Zoowel Russische edelen, als Piemonteezen, die Protestant wilden worden, en die hij steeds den raad gaf eerst een Nieuw Testament te koopen; groote heeren en bedelaars; artisten die geld kwamen leenen en ministers die alles te Monaco verloren hadden, zij kwamen tot den prediker die voor ieder een goed woord, en voor velen ook geldelijke hulp over had. In dien tijd was zijne kerk altijd zóó bezet, dat men er op moest bedacht zijn om de zitplaatsen te vermeerderen en gaanderijen er bij te bouwen. Ook die gaRuderijcn liepen vol.
Het gehoor bestond toen voor een groot deel uit de badgasten der hooge aristocratie, die toen meer dan tegenwoordig naar Nizza kwam. Pilatte was er de man niet naar om hertogen en prinsen naar den mond te spreken. Naar aanleiding van het plaats gehad hebbende huwelijk van eene prinses van Denemarken, die, om met den zoon van den Czaar van Rusland te kunnen trouwen, de Luthersche kerk verliet ^gjm tot de Grieksch-orthodoxe over te gaan, ''? : J-sprak Pilatte eenmaal de volgende woorden : Gij veroordeelt den werkman, die protestant wordt om eenen nieuwen kiel te krijgen; gij zegt dat hij met zijne conscientie handel drijft; zet in plaats van eenen kiel eene kroon; is dat niet eigenlijk dezelfde handel ? De Prins GIücksburg-Holstein, die aan de prinses Dagmar van Denemarken verwant was, bevond zich ook in de kerk toen Pilatte dit aldus uitsprak; het viel echter bij dien vorst niet in kwade aarde, want in zijne omgeving bekende hij, dat de prediker de waarheid gezegd had.
Eenmaal liet Lodewijk de eerste van Beieren (bekend door de pracht en praal die hij ten toon spreidde, en door zijn minder stichtelijk levensgedrag) door eenen adjudant aan Pilatte vragen, of hij voor hem eene plaats wilde bewaren voor de morgengodsdienstoefening. Het antwoord luidde: »Wil aan Zijne Majesteit mededeelen, dat alle plaatsen vrij zijn; dat wanneer hij vroeg komt, hij de plaats nemen kan die hem 't beste bevalt."
Lodewijk werd er helaas boos om, en kwam niet ter kerk.
Daarentegen kwam Pilatte bij sommige hooge personages zeer in aanzien. Onder anderen waardeerde hem de Groot-Hertogin van Rusland hoog. Waarschijnlijk heeft hij van deze vorsten vernomen, wat Czaar Nicolaas eenmaal uitriep: »Wat is mijn dienst hard!"
Een rijk grondbezitter te Mecklenburg, die te Nice onder het gehoor van Pilatte was, besloot om voortaan van zijn patronaatrecht alleen gebruik te maken, om predikanten te benoemen die rechtzinnig waren.
— Een nieuwe regeeringsmaatregel tegen de kerken.
Den 26sten Juni 1892 werd door de Franschs Kamers eene wet aangenomen, waarbij de kerkvoogdijen {fahriqties noemt men ze in Frankrijk) onder het beheer van den minister van financiën geplaatst werden. Den 29sten Maart van dit jaar heeft de tegenwoordige premier van het ministerie in Frankrijk Dupuy, die in '92 minister van eeredienst was, de uitvoering van bovengenoemde wet geregeld, waardoor nu inspecteurs door de regeering aangesteld zijn. om de administratie van de finantiën der kerken na te gaan.
Alle geldswaardige papieren en de gelden der kerkelijke gemeenten, moeten aan de daartoe aangestelde ambtenaren in handen gesteld worden; de offerblokken mogen alleen in het bijzijn van genoemde ambtenaren geledigd worden. Zelfs de gelden, die voor weldadige doeleinden verzameld worden, zijn aan de controle der inspecteurs onderworpen; a! het kasgeld moet in de staatskas gestort worden. Uit de staatskas mag dat geld niet ter uitbetaling genomen worden, dan met toestemming van de staatsbeambten.
Geen wonder, dat een R. K. priester van de diocese Bensancon in Gazette de France schrijft: »Wat is uit ons geworden? Wij zijn werkelijk rijp voor de slavernij; de Katholieken in Frankrijk hebben geen bloed meer in de aderen. Zal men zich deemoedig onder deze wet buigen, waarvan de bisschop van Angers getuigt, dat zij nog erger is dan de schoolwet? "
De Solei'l voegt er aan toe: »Hoe vriendelijker de kerk voor de republiek is, hoe harder wordt zij door deze behandeld. Op elk woord van de bisschoppen en van de Katholieken ten gunste der republiek, antwoordt de regeering met eenen nieuwen maatregel vauvijandschap.^'
Tot ons leedwezen lazen wij in de Fransche protestantsche bladen niet één woord van protest tegen de nieuwe machtsoverschrijding van de Fransche Regeering tegenover de kerken en kerkelijke instellingen van weldadigheid.
Het schijnt dat men in Frankrijk niets leeren kan, en dat de Fransche Protestanten besloten hebben om met de liberalistisch-radicale regeeringen door dik en dun te gaan. Het Panamaschandaal bracht daarin de verandering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1893
De Heraut | 4 Pagina's