„Indien de Heere wil en wij leven.”
In plaats dat gij zoudt zeggen: ndien de Heere wil en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. - Jac. 4 : 15-
Allicht is er niet ééne zinsnede uit de Heilige Schrift, die zoo talloos dikwijls op de lippen genomen wordt en in schrift of druk herhaald, als Jacobus' vermaan, om niet te hoog en niet te boud te spreken, maar elk voornemen steeds onder het beding te stellen van het: »Zoo de Heere wil en wij leven.^'
In sommige kringen is het gebruik van deze bijvoeging zelfs vaste gewoonte geworden. Tot zelfs op convocatie-biljetten voor vergaderingen placht ze veelszins te worden afgestempeld. En omdat de formule toch wat lang was en zich niet overal liet inlasschen, vond men toen kortheidshalve de gewoonte uit, om eenvoudig: »D. V." te schrijven; twee letters die dan de afkorting zijn voor Yieo Solente, wat in het Latijn weergeeft wat wij zeggen: Zoo God wil.
Nu heerscht hierin ongetwijfeld overdrijving, een overdrijving die ook hier uitliep op noodzakelijk formaUsme, d. i. op het gebruik van woorden zonder zin, of liever nog van woorden, waarbij men niets denkt.
De heilige apostel zegt volstrekt niet, dat men bij elk voornemen deze formule moet bezigen.
Het geval dat hij bespreekt is een voorsfal van breede afmeting, en over langen tijd loopend, en vele gevaren met zich brengende. Zie het maar in vers 13.
Er is daar namelijk sprake van een man, die een groote zaak op touw zet. Die ver van huis wil trekken naar een vreemde'stad. Die in dis vreemde stad een jaar overwinteren en overzomeren wil, om er koopmanschap te drijven. En van een man die nu reeds leeft in de gedachte, hoe hij dan met vollen buidel en rijke winste huiswaarts zal kceren.
Bedenkt men nu, aan wat gevaren men zich in Jacobus' dagen met een reis over zee blootstelde, of ook hoe men te land aan gevaar van roovers blootstond; let men er op, dat er een jaar levens meê gemoeid was, en dat el een jaar verkeer in den vreemde, iets wat destijds vaak slecht afliep; en voegt men hierbij, dat niet geringe verzekerdheid doorschemert van met buit beladen huiswaarts te keeren, — dan verstaat men Jacobus' vermaan, om zich toch aan zulke hoovaardige en vermetele zelfgenoegzaamheid niet te bezondigen.
Wil dit nu zeggen, dat wie voor ééne week of voor éénen dag op reis gaat, en reist op een manier, die bijna geene gevaren oplevert, daarom buiten God zijn reisplan moet maken? Natuurlijk niet.
Elk Christenmensch buigt 's morgens en 's avonds zijn kniëen voor dien God, in wiens m.acht hij leeft en zich beweegt, en vraagt altoos bij al zijn ondernemen en op al zijn wegen, om de hoede, de leiding en den zegen van zijn God.
Maar dit is heel iets anders, dan dat ik iemand uitnoodigende om eene Sabbatsreize van Amsterdam naar Diemerbrug te doen, tot hem zou gaan zeggen: »Indien de Heere wil en ik leve, wilde ik een wandeling naar D. doen. Gaat gij mede? "
Immers acht ik mij op grond van Jac. 4 : 15 en in gehoorzaamheid aan het apostolisch woord geroepen, om telkens juist deze formule te herhalen, dan zou ik dit ook moeten doen, als ik binnen Amsterdam een wandeling onderneem van het ééne uiteinde naar het andere; en met name in een stad als Londen zou dan niemand zijn voornemen mogen uiten, om een bezoek of een inkoop te gaan doen, zonder altoos weer die zelfde formule er bij te voegen. We zijn elk oogenblik in gevaar. Meer dan één heeft op de ellendige huistrappen van een stad als Amsterdam den dood gevonden. Letterlijk geen enkele minuut zijn we van ons leven zeker. Nog onlangs stierf een bekend man plotseling midden onder een vergadering. Nooit hebben we dus ook maar één enkele seconde over ons leven of over onze toekomst te beslissen. En wilde men hier dus uit afleiden, dat we bij alles deze apostolische formule moesten uitspreken, zoo zou niemand van boven naar beneden, of van beneden naar boven in zijn eigen huis kunnen gaan, zonder diezelfde formule altoos weer te herhalen.
Dit nu zou niemand willen, zou zelfs niemand kunnen, daar op die wijs heel ons leven op zou gaan in een altoos weer opzeggen van diezelfde woorden.
En zegt men nu : »Zóó moet het niet genomen, maar wel als het over meerdere dagen loopt", dan slaat ge natuurlijk weer de echte levende vroomheid in het aangezicht, die immers juist daarin bestaat, dat we heel ons leven in diepe afhankelijkheid van het Eeuwige Wezen aanstellen.
Mist men hiervoor nu het vrome oog, dan ontstaat de verzoeking, om door het veelvuldig gebruik van deze formule zekere jacht op vroomheid in het oog der menschen te maken.
Voor zich zelf doet men het dan zoo niet. Ook in den huisiijken kring speent men er zich aan. Maar als er vreemden in betrokken zijn, dan komt die heilige formule stelselmaüg voor den dag.
Dat klinkt dan vromer. Dien vromen indruk wil men wel. En het einde is, dat men deze formule slag op slag bezigt, zonder er waarlijk bij aan God of aan de mogelijkheid van onzen dood te denken, en dus enkel óf uit doode gewoonte óf om zich vromer aan te stellen voor anderen.
Dan evenwel hebt ge, gelijk Jezus het uitsprak, uw loon weg, en beweegt ge u niet meer op de lijn van Gods kinderen, maar op de lijn van de Pharizeën en Schriftgeleerden, wier zonde juist in dat jagen naar vromen schijn en idat doode formalisme bestond.
Al zulk zeggen wordt dan gedachteloos en ten deele zelfs zinneloos.
Er spreekt dan geen vroomheid des harten meer in, maar enkel een vroomheid die geheel veruitwendigd is.
En de stille vromen, die zin en smaak hebben, om schijn van wezen te onderscheiden, worden door zoo uitwendig gebeuzel niet gesticht noch aangetrokken, maar veeleer geërgerd, gehinderd, en soms zelfs gegriefd.
Veiliger gaat men dan ook, zoo men tot den gedachtengang van den heiligen apostel terugkeert, en wel verstaat, dat bij hem alleen sprake is van gewichtige beshssingen of ondernemingen, die zich over een verre toekomst uitstrekken en met ernstige in het oogloopende gevaren zijn verbonden.
In al zulke gevallen is het oirbaar en plicht, om niet alleen zelf doordrongen te zijn van zijn afhankelijkheid van Gods voorzienig bestel, maar om dit ook uit te spreken.
Dan is er ernst in ons denken en peinzen. Wij en anderen met ons verkeeren onder den indruk van het gewicht der onderneming. Alle overleggingen van onze gedachten en alle gewaarwordingen onzer ziel trekken zich op dat ééne punt saam. En juist wijl er dan ernst in onzen zin en den zin der anderen is, stuit het niet, en hindert hef niet, als we ook openlijk den naam des Heeren uitspreken, en doen uitkomen, hoe we onze hulpe alleen in zijn naam stellen.
En dit nu doet de vermetelheid niet. Vermetele zin onderneemt alles, waagt alles, zal dit en zal dat, zonder dat er op iets anders dan op het avontuur, op goed geluk of op eigen kracht vertrouwd wordt.
En dit nu moet bestreden. Moet bestreden bij ons zelven en bij onze kinderen. Moet bestreden ook in onzen levenskring. Bestreden, en hier komt het nu op aan, doordat we in zoo ernstige oogenblikken niet alleen aan Gods gunste voor ons zelven denken, maar dit ook luide, openlijk en onomwonden uitspreken voor anderen.
Het zal ondernomen worden, maar alleen sindien de Heere wil en wij leven".
Bedoelt dit nu, dat ge bij minder gunstige of aangrijpende gebeurtenissen niet aan God denken, of althans van Hem zwijgen zult ? In het minst niet.
Veeleer ware het te wenschen, dat er bij al ons komen en gaan, bij ons wagen en winnen, of ook verhezen, wat meer onder Gods kinderen aan hun Vader in de hemelen gedacht werd. Niet om het leven te drukken of den levenstoon onnatuurlijk te maken, maar juist om dat stil vertrouwen levendig te houden, waaruit de blijdschap van Gods kinderen geboren wordt.
Vrome lieden bestaan dan ook zoo.
Ze dragen eiken morgen en eiken avond al hun ondernemen aan hun God op. Op den dag, onder den arbeid, gaat telkens onwilkeurig hun inroeping om hulpe naar boven uit. Zelfs blijft dit niet bij het stil gebed; maar ook in den huisiijken kring wordt gedurig lot en leven van al wie er toe hooren' aan den God van alle ontferming opgedragen. Men weet zich in Gods hand, en is in die wetenschap zalig. Maar juist omdat het op die wijs een levend geloof en een gemeenschapsoefening van het hart met God is, hecht men er zoo niet aan formules, en denkt men er niet aan, om door Jacobus na te spreken voor vroom bij anderen te boek te staan.
Het wettische is er dan uit, en de innigheid, en met die innigheid de warmte der hefde van Gods kinderen is teruggekeerd.
Want, vergeet niet, er is tweeërlei tale Kanaans. De ééne een geestelijke taal, die uit het geestelijk leven vanzelf voortkomt, en door haar gloed en innigheid boeit en welsprekend maakt. De andere een nagebootste, van buiten geleerde, en, o, zoo koude dorre taal, die er bestudeerd op uit is, om opzettelijk vroom te schijnen.
Nu heeft Jezus die eerste tale Kanaans altoos., die andere nooit gesproken, en wat op den Pinksterdag en na dien dag de apostelen spraken en schreven is alles met een nieuwe tong voortgebracht, om uit de volheid des Geestes de genade Gods te verheerlijken. En zoo nu ook is het hisr.
Dat: sindien de Heere wil en wij leven" doet kwaad als het dood uit onze pen of over onze lippen komt; en de vraag voor Gods kind is maar, of hij in den geest van dat aposto-Hsch woord zelf voor zijn God bestaat en omgaat met menschen.
KUYPER.
Amsterdam, 22 Sept. 1893.
L. S.
Nü het tweede deel van E Vota Dordraceno is rondgezonden, en het derde deel ter perse gaat, wordt hiermede aan de abonnenten op de Heraut nogmaals de gelegenheid aangeboden, om vooreen premieexeroplaar van dit werk tegen de helft van den boekhandelsprijs in Ie teekenen. Zij, die van deze aanbieding gebruik wei^schen te maken, moeten saam f 6.— beta!en voor de twee verschenen deelec, die hun dan franco worden toegezonden; terwijl zij daarna elk kwartaal /"o./s boven den gewonen abaanementsprijs van de Hetaut hebben te voldoen. Deze inteekening geschiedt overigens op dezelfde voorwaarden als vroeger herhaaldelijk zijn bekend gemaakt.
Het derde deel verschijnt D. V. ia Juli 1894, het vierde of laaLste deel in Juli 1895. Ds gelegenheid tot inteekening is opengesteld tot I October a. s.
Binnenkort zal voor de twee reeds verschenea deelen een band verkrijgbaar woï'den gesteld.
De Administratie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 september 1893
De Heraut | 4 Pagina's