Ingezonden Stukken.
(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie)
Stellenhosch, 7 Aug. 1893.
Waarde Broeder!
Aan den goeden dienst van een elders wonenden vriend dank ik het, dat mij eenige dagen geleden ter hand kwam, wat in de Heraut van 28 Mei jongstl. is verschenen, naar aanleiding van de u door 'mij toegezondene briefkaart. Men heeft, ook ten onzent zulk eene uitlegging aan deze briefkaart gegeven, dat ik mij genoopt gevoel, nadrukkelijk te verklaren, dat zij niet is eene belijdenis dat ik in mijne beschouwing over de wedergeboorte heb gedwaald en nu mijne dwaling herroep. Zij is eene erkenning, dat ik de wedergeboorte niet iets godmenschelijks had moeten noemen, omdat deze benaming, opgevat in den gewonen zin, niet past bij de beschrijving die ik zelf van de wedergeboorte heb gegeven. Ik heb het duidelijk laten uukomen, dat men niet de wedergeboorte godmenschelijk heeten kan in den zin, waarin men gerechtigd is, de bekeering of de heiligmaking alzoo te noemen.
Toen ik bekend werd gemaakt met uwe beoordeeling van mijn boekske, besloot ik in de volgende uitgaaf de tot aanstoot gewordene uitdrukking, met opgaaf van redenen, te laten vallen, zonder iets te zeggen over uwe critiek. Een in April ontvangen brief deed mij echter besluiten tot het schrijven der briefkaart. Vandaar hare late dagteekening.
Wil ook aan dezen brief eene plaats gunnen H in de Heraut, en daardoor andermaal verplichten.
Uwen broeder in Christus.,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1893
De Heraut | 4 Pagina's