Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uir de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uir de Pers.

7 minuten leestijd

Over de roeping van den Dienaar des Woords schreef Ds. Renier in zijn asjarige jubelpredikatie, uitgegeven bij H. J. Winter te Amsterdam, onder den titel: tGenade alken'\ dit correcte woord:

Voorzeker, M. H., deze ure dringt mij om tmijtie roeping te gedenken", welke ik van den Heere Jezus ontvangen heb om u het evangelie der genade Gods te betuigen. Evenwel niet om mij met Paulus en andere apostelen op ééne lijn te stellen, en valschelijk te roemen in gelijke roeping. Hoe zou ik het kunnen doen, na hetgeen ik dienaangaande zooeven gezegd heb!

Werden lij onmddellijk door Christus gert.epen, en onfeilbaar geleid door Zijnen Geest tot grondleggers Zijner Kerk, — gansch anders is het bi) ons, die bouwen niogen op het door hen gelegde fundament. Wij worden vtiddellijk geroepen door overbuiging of bekeering des harten, welke de begeerte tot den dienst des Heeren in ons werkt; en door de roepstem van Gods gemeente, welke ons het recht geeft om in haar midden te arbeiden.

Maar ook die middelijke roeping is des Heeren, en haar moeten wij kennen en verstaan om ons aan de gemeente te kunnen voorstellen als dienaars van Christus, door wie het Gode belieft haar toe te spreken. Tot de gaven toch, welke de Heere, nederdalende en opvarende, verworven heeft om ze onder de menschen uit te deelen, behoort ook, dat Hij gegeven heeft •isvmmigen tut Herders en leeraars, tot de vo/making eter Heiligen, tut net werk der bediening, tut optmuwing aes licltaams van-Christus".

De ware evangeliedienaar is alzoo een geroepene des Heeren, een dienaar van Christus. Hij, Wiens naam is boven allen naam; Hij, de Koning der koningen en de Heere der heeren; Hij is zijn Zender, in Wiens naam hij spreekt, in Wiens dienst hij staat, en tot Wiens eere hij werkt. Hem, en Hem alleen moet hij erkennen en gehoorzamen, houdende Hem voor het eenige Hoofd der kerk.

Neen, hij staat niet in den dienst van menschen of van eenige partij. Hij dient niet degenen, die van Cefas of ApoUos of Paulus zijn, maar den levenden Christus. Hem lief te hebben en te dienen met het gansche hart en de gansche ziel moet dus zijn eenigst streven zijn. Kn arbeiden moet liij, dat Christus een gestalte bekome in arme zondaren, opdat steeds meerderen dien Heiland kennen en Zijnen naam belijden mogen.

Maar daarom ook een dienaar van Christus kunnen wij alleen duor Christus worden. Niet dat wij, gelijk een Paulus, Hem moeten zien met de oogen, maar toch moeten wij in waarachtige gemeenschap met Hem staan door het gelooi, en Hem het)ben leeren kennen om van Hem te kunnen getuigen. Ja, door eigen vlijt en inspanning, door wetenschappelijke vorming en opleiding kunnen wij '^godgeleerden' worden, maar die nog niets kennen en verstaan van hetgeen noodig is om zielen te weiden en te leiden.

Daartoe moeten wij < !.van God geleerd" zijn, en dus ook op die hoogeschool verkeerd hebben, alwaar de Bijbel het eenigste leerboek en de Heilige Geest de eenigste Hoogleeraar is, die ons daaruit zonder prijs en geld uit enkele genade in de binnenkant van de waarheid onderwijst. Voor dat wij ons in den dienst van Christus Kunnen begeven, moeten wij weten, hoe Hij zich ons ten dienste gesteld heeft. Door het pijnlijkst zelfgericht henen moet Hij ons eerst leiden tot de kennis, de kracht en den troost Zijner verlossende liefde. Hem moeten wij dienen, omdat Hij ons eerst gediend heeft. De liefde, waarmee Hij Zijn volk lief heeft, moet leven en werken in ons hart; zij moet ons dringen om Zijnen naam in woord en daad bij anderen aan te prijzen.

Aldus vormt en bekwaamt de Heere Zijne knechten, die Hij roept en zendt om te arbeiden in Zijnen wijngaard. Én al wat zij bij en tot dien arbeid behoeven, hetzij verstand om Zijn Woord te verklaren, of wijsheid om de zielen te bestieren, of vrijmoedigheid om Zijnen naam te belijden, of getrouwheid om voor tegenstand niet te wijken, en liever alleen te staan met Hem, dan Zijne hoogheid te verloochenen, — het is en wordt alles door Hem in ons gewerkt, zoodat wij deswege geen lof verdienen, maar alle eere en dankzegging Hem toekomt, die Zijne kracht in onze zwakheid wil volbrengen.

En nu, M. H., ook mij heeft de Heere willen roepen en zenden tot dien tretfelijken arbeid om Zijnen naam uit te roepen en te verkondigen als den eenigen naam, die tot zaligheid gegeven is. Ook in mijn hart heeft Hij de begeerte daartoe gewerkt. OOK mij heeft Hij, zelfs van mijne vroegste jeugd, daartoe gezocht en getrokken, zoodat geen tegenstand of moeite of bezwaar mij in deze keuze deed wankelen of bezwijken. Ook mij heeft Hij over alles heen geholpen en gegeven, wat ik met het gansche hart begeeren mocht. Ook mij heeft Hij bewaard, niettegenstaande ik eene opleiding ontving, welke met Zijn Woord niet rekende en het zaligmakende doel Zijner verschijning niet erkende. Ook mij heeft Hij iets van Zijne heilgeheimen leeren verstaan, en steeds meer willen inleiden in de wegen, welke Hij met zijn volk houdt. Ook mij heeft Hij gesterkt en bekrachtigd om aan Heiri vast te houden, en te staan en te strijden voor Zijne hoogheid, hoeveel daartegen opkwam, en hoe velerlei zelfs tot ontrouw en verloochening mij prikkelde. Kortom, ook mij heeft Hij tot op dezen dag gesteund en gesterkt, zoodat ik nog ben, die ik ben.

Dit is juist.

Het apostolisch woord is uitgangspunt, maar scherp en duidelijk wordt de eigen roeping van die der apostelen onderscheiden. »-

Ds. Gispen schrijft in de Bazuin over Keuchenius o. a.:

Wat ik altijd ondersteld heb, is geschied. Nu Keitclienius dood is, zijn alle bladen eenstemmig in het branden van wierook. Ieder ottert den grooten doode een kaarsje. Ook het Handelsblad en de N. Ruiter dammer. Het Dagblad van Z. Hulland zoowel als het Vaderland. Het ongekunsteldst en oprechtst is echter de radicale Amsterdammer. Men voelt, dat die keurig gevormde volzinnen uit het hart zijn geschreven, dat ze oprecht gemeend zijn.

Het is een zonderling verschijnsel in het leven, dat menschen, in weerwil van verschil in diepgaande godsdienstige overtuigingen, zich toch tot eUander aangetrokken gevoelen door zekere natuurlijke overeenstemming, door een gevoel voor waarheid en recht en eerlijkheid, gelijk dat ook bij edele Heidenen wordt aangetronen, en dat wij erkennen en waardeeren als overblijfsels of sporen van het beeld Gods in den mensch.

Keuclunius .was een zeldzame verschijning onder de menschen, niet het minst door die aangeboren eigenschappen van het karakter-zelf. Wat we bij sommige menschen als caricatuur vinden, en wat ook voor hen een bron van leed en teleurstelling in het leven is, dat was bij Keiicheniiis natuur. Niemand heeft, in den grond, zeggenschap over zijn karakter. We zijn die we zijn, en daarmede is alles gezegd. Ook die men karakterloos noemt, zijn zoo; dat is hun karakter, het eigenaardige van hun zelfheid, datgene waardoor zij iemand of niemand zijn.

Aan een gewoon karakter is meestal nog wel iets te doen. Opvoeding, levenservaring en andere omstandigheden kunnen kleine verbeteringen aanbrengen. Maar groote en sterk sprekende karakters zijn ongezeggelijk als rotsen, en ontembaar als de wateren der zee, onweerstaanbaar als de stormwind.

Het sterke van dit karakter was echter niet het onstuimige, het woeste, maar het rotsachtige, het vaste, het eerlijke, de sterke zin voor gerechtigheid en waarheid, en dat verbonden met eenvoudigheid, minzaamheid, beminnelijkheid. Scherp kon Keuchenhis den tegenstander te woord staan. En als hij dan van achteren vernam, dat zijne woorden zoo diep gewond hadden, deed hem dit oprecht leed. Want dat had hij niet bedoeld. Hij had eenvoudig bedoeld de waarheid te zeggen. Stervend heeft hij God gesmeekt om vergeving voor het leed, dat hij, vroeg of laat, zijn tegenstanders had aangedaan.

Juist dit, dat ons Christenvolk in Keuchenius een karakter bezat, is onze roem en onze eere.

Moge het echte, diepe karakter, ook nu hij heenging, niet onder ons die achterblijven, ontbreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 januari 1894

De Heraut | 4 Pagina's

Uir de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 januari 1894

De Heraut | 4 Pagina's