Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Verlaat mij niet al te zeer.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Verlaat mij niet al te zeer.”

10 minuten leestijd

Ik zal uwc inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer. Psalm 119:8.

Ge leert uwe ellende kennen uit de Wet Gods, indien ge althans «tot een merken op Gods geboden" gekomen zijt.

De psalmist klaagt het zbo schoon, als hij spreekt van »de beschaamdheid zijner ziele, wanneer hij merken zal op al 's Heeren geboden."

Want wel is beschaamdheid zijner ziele iets anders dan de kennisse van die ellende, maar toch komen ze uit één wortel, t. w. uit hetgeen opdoemt uit uw binnenste, zoodra ge dit uit uw hart opstijgende geritsel vergelijkt met de klare Goddelijke zuiverheid van 's Heeren Wet.

Er is verschil, want tot de kennisse zijner ellende moet de onbekeerde zondaar gebracht, en de beschaamdheid der ziele is eigen aan wie waarachtiglijk bekeerd is, en in dien bekeerden staat helaas nog gedurig zoo vlek op vlek en rimpel op rimpel, in het leven zijner ziel ontdekt.

Maar dit is toch aan beide gemeen, dat én die kennisse onzer ellende, én die beschaamdheid onzer ziele een gevolg zijn van de ongaafheid, de onreinheid, de innerlijke verdorvenheid onzer natuur; en ook dat beide ons ontdekt worden door den gloed van heiligheid die uit Gods Wet ons tegenblinkt.

Toch is dat verkeeren bij de Wet Gods zoo heel anders bij hem, die nog in den arbeid zijner bekeering is, en bij hem, die het onderpand des Geestes in zijn ziel reeds weet te hebben.

Wie, van den breeden weg komend, nog pas het smalle zijpad naar de enge poorte inslaat, kent nog de liefde voor Gods Wet niet. Eer is die Wet Gods hem een ontzettende noodzakelijkheid, een op hem aandringen van de majesteit des Heeren HEEREN; en dat hij er zich aan onderwerpt, en er onder bezwijkt, is hem nog een heilig moeten.

Maar zoo is het bij wie de enge poorte reeds doorging niet meer.

Voor hem schittert de Wet des Heeren in de liefde Christi.

Hem boeit, hem trekt die Wet, en het is hem een smart der ziele, als hij nog telkens bespeurt, niet hoe die Wet hem veroordeelt; want dat kan ze in Christus niet meer; maar hoe ze hem beschaamt.

Beschaamt, omdat ze. hem telkens zijn achterlijkheid ontdekt; beschaamt, omdat ze gedurig hem zijn ondank-leert kennen; beschaamt, omdat de liefde Gods en de ontferming in Christus Jezus zich naar zulk eenen, als hij zichzelf weet te zijn, blijft uitstrekken.

Deze beschaamdheid der ziele maakt in heiligen zin jaloersch.

Immers denkt ge dan aan die Wet Gods, en stelt ge u andere kinderen Gods voor, die met vaste schreden in deze Wet des Heeren gaan, dan benijdt ge hun dit rijke leven in Gods genade, en roept bij u zelven uit: »o, Hoe welgelukzalig zijn ze toch, die oprechten van wandel, die in de Wet des Heeren gaan. Hoe welgelukzalig zijn ze toch, die zijn getuigenissen onderhouden, en Hem van ganscher harte zoeken!"

Uit die heilige jaloerschheid komt dan de bede voort: »Och, dat ook mijne wegen gericht werden, om uwe inzettingen te bewaren." En uit die bede rijst dan de stille zoete hope: nDan zou ik niet meer beschaamd worden, als ik merken zou op al uwe geboden."

En zoo worstelt dan de knecht des Heeren. Telkens merkt hij het contrast weer op: Zóó staat het kind Gods in 's Heeren Wet geteekend, en zoo heel anders bestaat datzelfde kind van God nog in zijn eigen binnenste.

En dat contrast doet hem pijn.

Hij loopt er niet over heen. Hij berust er niet in met zondige lijdelijkheid. Hij denkt geen oogenbiik, dat het zoo nu eenmaal is, en niet anders kan.

Neen, neen, ook al belijdt hij ootraoediglijk, dat hij tot aan zijn dood toe, dat contrast zal blijven voelen, ja, dat het nooit verder op aarde dan tot een klein beginsel der echte, ware zuivere gehoorzaamheid komen kan, toch \it^{i hij met dat contrast geen vrede, toch stuit het hem tegen de borst, en toch worstelt al wat in hem is, om dat contrast minder scherp te doen zijn, en, kan het bestaan, de gelijkenis op die Wet Gods iets sterker in zijn ziel, in de uiting zijner lippen, en in den uitgang zijner daden te doen spreken.

En hoe worstelt nu Gods kind tegen dat pijnlijke, beschamende contrast in ?

Stelt hij zich buiten den Heere zijn God, om in eigen kracht dat contrast te doen minderen, ten einde daarna in minder onheilige gestalte voor zijn God te verschijnen ?

Integendeel, ai zijn worstelen is om de leiding, de sturing, de ondersteuning zijns Gods te erlangen.

Zooals een moeder haar kindeke leert loopen, zoo leert God hem in zijn Wet gaan.

Kan zulk een moeder nu haar kindeke altoos in den loopband houden, en van oogenbiik tot oogenbiik met beide handen vasthouden ? o. Natuurlijk, dan zou er van vallen nooit sprake zijn, maar ook, dan zou het kindeke nooit loopen leeren, nooit zijn enkels voelen vaster worden, en nooit verstaan wat het is, zich in evenwicht te houden bij zijn gang.

En zoo nu weet ook Gods kind wel, dat zijn trouwe Vader hem niet van oogenbiik tot oogenbiik in den leiband zijner genade kan houden, en hem niet aldoor met zijn trouwe hand kan ondersteunen en vrijhouden.

En als de Heere hem dan ook maar even aan zich zelf overlaat, dan waggelt hij en wankelt hij als het kindeke, dat, van stoel naar stoel, meer slingert dan gaat, en is het gedurig en telkens vallen ook zijn droeve, pijnlijke ervaring.

Toch helpt het zulk een kindeke reeds als moeder er dan maar bij blijft, er maar op toeziet, en den arm uitgestrekt houdt om het kindeke in zijn eersten proeftocht op te vangen, of zoo het vallen mocht weer op te richten.

Moeder bij zich te weten, en te voelen hoe moeders oog het gadeslaat, verzelt, - en als ophoudt, is de macht der liefde, waardoor het, al wankelende, er ten slotte toch komt.

En zoo nu ook, merkt Gods kind het wel, hoe niets zijn wankelende schreden zoozeer steunt, als de nabijheid van zijn God, als de wetenschap dat zijn trouwe Vader in de hemelen het zorgend oog op hem gevestigd houdt.

En in dien zin nu bidt hij, ook al voelt hij dat hij een oogenbiik wordt losgelaten, teneinde zelf te leeren loopen: ȣ> , Mijn Lrod.^ verlaat mi niet al te zeer."

Er is en blijft in die worsteling altoos een tweeheid.

Het is God, Gods genade, Gods ontferming alleen, waardoor we er komen; en toch gaat het niet werktuiglijk toe, toch zijn we geen stokken en blokken, en blijft er altoos te rekenen met ons eigen ik.

Wij^ zijn het, die in Gods wegen wandelen moeten; wij zijn het, die onze schreden richten moeten in het spoor zijner geboden; het is onze voet, die op dien weg van Gods getuigenis eerst staan en dan gaan moet.

Niet zooals de stormwind de bladeren voortstuwt, of de wolken voortdrijft, of de golven opzweept, leidt God zijn kinderen.

Het blad, de wolk, de golf worden van buiten aangegrepen. Ze v/erken zelven niet mede. Ze zijn stil als de wind stil blijft, en jagen slechts zoolang als de wind ze aanblaast.

Maar Gods kind wordt van binnen aangegrepen. De drijving des Geestes dringt tot in de kern van zijn wezen door.

Zijn zin, zijn neiging, zijn denken, zijn wil, kortom heel dat wonderlijk samenstel van zijn innerlijk wezen wordt door de drijving des Geestes omgezet en in spanning gebracht.

God die in u werkt al uw wülen en al uw werken ten goede. Niets uit u. Uit Hem alles. En toch is de uitkomst, dat uw //t, dat eerst niet wilde, nu wel wil, en dat uw w//, die eerst zich verzette, nu, zachtkens omgebogen, willende ten goede is geworden.

En het eind is: Voor uw God al de glorie, en toch waart gij het ten slotte, die het in de kracht uws Gods deedt.

En daarom nu komt het voor een kind van God altoos weer op Gods heilige nabijheid aan.

Hij weet dat hij soms ? noet Verlaten, moet losgelaten worden. En dat dan het gevaar van wankelen en van vallen terstond aanwezig is.

En nu is er in zijn ziel een heilige berekening. Als zijn God hem zóó ver en niet verder loslaat, dan is het te halen, en kan hij, eens losgelaten uit de ééne hand zijns Gods in zijn andere hand vluchten. Maar ook, als zijn God hem iets verder loslaat, dan gaat het niet-^ dan kan hij het niet halen; dan weet hij zeker dat hij vallen moet.

En daarom bidt hij telkens weer: c, Mijn God., verlaat mij niet al te zeer. Laat mij geen oogenbiik langer los, dan ik het uit kan houden. Verlaat mij geen stroobreed verder, dan mijn waggelende knieën mij dragen kunnen. Laat mij, als het zijn moet, los, opdat ik staan, en gaan, en loopen leere op het pad uwer geboden, maar geen oogenbiik langer, geen stroobreed verder, dan Gij, o mijn God, weet, en ik het aan mijn ziel gevoel, dat ik het kan uithouden. ' -

o. Mijn God, verlaat mij niet al te zeer !

Wat Jezus ons leerde bidden: ^Leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den booze", is een bede uit dien zelfden drang, uit dien zelfden angst van het hart.

Het kan niet buiten verzoeking omgaan. Het is noodzakelijk, dat we telkens, doordat God ons een oogenbiik loslaat, leeren hoe we buiten Hem niets kunnen; afwerpen alle inbeelding alsof wij zelf iets vermochten; en zoo te vaster en te inniger leeren klemmen aan Hem, die ons riep en uitredde.

Wat een Job overkomen is, overkomt, zij het ook in mindere mate, aan elk kind van God. Maar de ziel, die teeder voor haar God staat, schrikt toch telkens weer voor zulk een beproeving terug. Haar beknelt de angst der onzekerheid, of ze overwinnen, of ze het uithouden zal.

En daarom bidt, en daarom smeekt ze eiken dag de verzoeking af: Heere, leid mij niet in verzoeking, o. Mijn God, verlaat mij niet al te zeer.

Nabij God, en zelf in Gods nabijheid, is deswege zijn eenige gerustheid.

Al wat van God hem scheidt, en vervreemdt en afhoudt, verzwakt en breekt zijn geestelijke veerkracht.

En zoo blijft ook tot u de roepstem uitgaan, om toch eiken morgen en eiken avond diep en ernstig uw hart te onderzoeken, of uw gebed niet verhinderd wordt, of er geen stofwolken tusschen uw hart en uw God zijn opgerezen, of ge u niet verwijderd hebt, verwijderd door eigen schuld en zonde van uw God. n m e

Want, ja, het is zoo, dat God zich soms een oogenbiik van u terugtrekt, maar veel meer ligt het er gemeenlijk aan, dat wij goddelooslijk van onzen God afgaan. e t

En natuurlijk, alleen wie zelf nabij God poogt te leven, kan, als de ure der verlatenheid zijn ziel benauwt, in oprechtheid bidden: > c> , xMijn God., verlaat mij niet al te zeer." h d d h

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 januari 1894

De Heraut | 4 Pagina's

„Verlaat mij niet al te zeer.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 januari 1894

De Heraut | 4 Pagina's