Doopsbeschouwing.
Amsterdam, 12 Januari 1894.
Nog altijd schuilen er hier en daar enkele predikanten, die er nog niet in slaagden, zich in de Gereformeerde Doopsbeschouwing weer thuis te gaan gevoelen.
De Methodistische Doopsbeschouwing, waarin ze opgevoed zijn; die ze lange jaren voor de eenig ware hielden; die ze te goeder trouw zelven predikten; en die aldus schier met hen is saamgegroeid, kunnen ze niet zoo snel afschudden, om er de oude, echt Gereformeerde voor in de plaats te nemen.
Dit is nu volstrekt niet altijd, omdat ze niet uit het Gereformeerde beginsel leven; alleen maar dat beginsel werkte nog niet door op hun belijdenis omtrent den heiligen Doop.
En het is ook niet in den regel, omdat zekere koppigheid hen terughoudt, maar ze zijn nog zoover niet. Omzetting van inzicht gaat vooral, als men zekeren leeftijd bereikt heeft, niet zoo snel.
Juist met het oog op deze niet wel te loochenen ongereformeerde nawerkingen op het Gereformeerde erf, had Ds. Sikkel zich in de Zuidhollandsche Kerkbode onlangs de moeite gegeven, om uit twee, hoogst belangrijke geschriften, uit den bloeitijd der Reformatie, waarvan het eene zelfs uitdrukkelijk uitvloeisel was van Synodale lastgeving, met zeer breede, haast zeiden we, al te breede citaten aan té toonen, hoe metterdaad in die schoone, rijke dagen van het Gereformeerde leven de ook door ons gele\'erde Doopsbeschouwing, de vastelijk aangenomene en eenig erkende was.
Toch hebben die stukken geen doel getroffen, omdat men ze óf ongelezen liet óf er de strekking niet van begreep.
1 lij klaagt hierover in dezer voege:
Met droefheid ontwaarden wij, dat velen onze stukken over den kinderdoop óf niet lezen, óf althans van geene bijzondere beteekenis achten; alsof ze daar reeds genoeg van wisten, — er reeds genoeg gezicht in hadden, of wel dit stuk van bijkomstig belang hadden te rekenen.
Wij bidden hun, hiervan terug te komen en aan die stukken alle aandacht te wijden.
Herstelling van het zuivere van God gewilde, en met heel de Heilige Schrift overeenkomende kerkelijk leven is niet mogelijk en zal ook niet kome? i^ zoolang de gemeenten en bepa'ald ook de opzieners, in dit stuk niet tot klaarheid, tot arbeid, tot fundeering, tot aanbidding komen; en van daar uit den weg zoeken en gaan, die dan pas in Gods Woord te zien en aan te wijzen js, en waardoor het oog voor het bestek van het kerkelijk letten, gelijk dat Woord het ons geeft, pas geopend wordt.
Dit geven wij aan degenen, die in dit stuk van de oude gereformeerde kerken afwijken, aanstonds toe, dat met verwerping van dit stuk of met zijn aanvaarding geheel de praktijk van bediening anders wordt, en dus een geheel ander kerkelijk leven moet volgen; geheel de gestalte van het kerkelijk leven wordt hierdoor bepaald.
Het onderscheid tusschen het kerkelijk leven van doèperschen en labadisten eenerzijds (die twee behooren bijeen!) en gerejormeerden anderzijds heeft dit genoeg bewezen; wie het eene wil, moet het andere verwerpen.
De gestalte, die uit de verwerping van dit stuk opkomt, aan welke wij een nobeler tolk gunden dan irde Wekker" yi'^ zijn, maar^^die overigens in vele »vrije kerkjes» en bij velen, die het nooit met den kinderdoop hebben kunnen vinden, of uit het onderwerp willen opgebouwd worden, aantrekking vindt, — die gestalte is een geheel andere dan die uit de erkenning van dit stuk volgt.
Wij verwerpen dan ook de gestalte der kerk, die uit de ontkenning der verbondsgenade ook in het zaad volgt, van ganscher harte als ongeestelijk, onschrijiuurl/jk, eigemvillig, zondig.
Die twee willen wij niet tot eenheid brengen. Ze zijn niet te vereenigen.
Maar gelijk wij de verbondsgenade belijden, en dienovereenkomstig naar Gods Woord het kerkelijk leven tot zijne zuivere gestalte volgens Gods ordinantie zoeken te brengen, zoo erkennen wij, - mits ons beginsel ongedeerd blijve! — van ganscher harte allen in de gereformeerde kerken, in wie deze twee nog als in Rebekka worstelen, Aan hen hebben wij juist naar ons verbondsbeginsel te arbeiden.
Ook in de reformatie der i6e eeuw worstelden deze twee in één schoot, totdat zeelk, hun eigen beginsel grijpend, in dooperschen en gereformeerden uiteengingen.
Zoo ook nu, — sinds ze in de 18e eeuw weer in de Gereformeerde kerken werden vermengd en Menno Simons met De Labadie (en Arminius in hun schaduw!) die de voordeur uitgedreven waren, de achterdeur der Gereformeerde kerken en wel ook door vele vromen zelven weer werden ingehaald, — sinds worstelen die twee. Tot ze bij de opening des Woords door de geloovigen genoegzaam onderscheiden worden. Dan gaan deze twee uiteen. De in zichzelf gehouden geesten trekken met de doopersche vaantjes in hun schuitjes, om straks naar ouden trant elkaar te verbijten en te vereten, gelijk alle goede dooperschen en labadisten.
En de gereformeerden — God geve het onzen kinderen om zijns verbondswille I — trekken dan na pijnlijken strijd, na bange vreeze, op onze graven, de gestalte en praktijk der kerk van Christus naar de verbondsbelijdenis op, gelijk in de i6e eeuw tegen Menno en in de 17e tegen Arminius.
De i8e eeuw Het den geest der kerkverwoesting, toen in De Labadie belichaamd, leven binnen de grenzen der Gereformeerde kerk, al trok ook zijn naam die grenzen over.
Daarvoor heeft de 19e eeuw geboet en ons tot de vermenging der beginselen in den eigen kring der geloovigen terug gebracht.
Brenge de 20ste eeuw ons uit die vermenging uit.
En zij de les, die wij in deze eeuw gehad hebben, dan genoeg, om degenen, die 's Heeren Woord verstaan, voortaan te bewaren voor deze zonde, waaraan de dagen onzer martelarenkerk hun hadden moeten ontdekken, maar tot welke velen, onder den schijn van »geestelijkheid" ter kwader ure zijn teruggekeerd.
Bij deze klacht sluit ook onze redactii. zich geheel aan.
Slechts zij het ons vergund, toch een iegelijk te vermanen, dat hij zich door zulke teleurstellende ervaringen den fakkel der hope niet uit 5e hand late slaan.
Er is voor moedeloosheid en teleurstelling onzerzijds geen de minste aanleiding.
Wie in de historie, die achter ons ligt, opmerkt, wat een Bilderdijk, een Da Costa, een Groen geleden hebben, eer het hun gelukte aan hun denkbeelden ook maar in zeer kleinen kring zekeren ingang te schenken, staat schier verbaasd over de snelheid waarmee in de periode, die na hen gevolgd is, de denkbeelden hebben doorgewerkt.
Laat ons toch nooit vergeten, hoe kort het nog geleden is, dat wij zelven in soortgelijke dwahngen verstrikt lagen.
Het eenig ware, echte standpunt in zake den heiligen Doop was ook voor onze redactie, nu tien jaren geleden, een wezenlijke ontdekking.
En zie nu eens, hoe ongelooflijk ver de juister beschouwing nu reeds is doorgedrongen.
Indien ons standpunt nog aan twijfel onderhevig was; indien het feit, dat de Gereformeerde theologen uit het schoone tijdperk onzer belijdenis, er zoo en niet anders over gedacht en gesproken hebben, niet over en te over met de stukken te bewijzen viel, dan zou allicht vreeze ons hart kunnen bevangen.
Nu daarentegen zien we al zulk tegenstribbelen kalm en rustig aan. De tijd komt, en nadert reeds, dat algemeen en door een ieder zal ingezien, erkend en met blijdschap beleden worden, dat zóó en niet anders de Gereformeerde Doopsbeschouwing is.
Maar gunnen we ook aan wie nu nog tegenstaan tijd. Tijd om zelf te gaan onderzoeken. Tijd om rustig de «aak in te denken. Tijd vooral om ook zelf dien ommekeer te maken, dien dat stuk onzer belijdenis eischt.
Want al schijnt het ongelooflijk, dat niet ieder terstond zelf inziet, wat wij zien, toch is dat feitelijk zoo.
Voor alles is tijd noodig.
En voor een iegelijk koiyt de ure, dat hij eindelijk zegt: Nu zie ik het.
'Wetenschappelijke opleiding.
II.
Voor zooveel de wetenschappelijke opleiding betreft, die de Gereformeerde kerken voor haar aanstaande leeraren als eisch stellen, spreekt het vanzelf, dat ze deze afdwingen uitsluitend door haar examens.
De kerken zijn onderling overeengekomen, niet maar den eersten den besten vromen jongen man tot den predikdienst toe te laten, maar over die toelating te beslissen door twee ernstig bedoelde examina.
Al naar gelang ze nu bij die examina haar eischen stellen, naar die mate zullen ze toonen met de wetenschappelijke opleiding meer of minder ernst te maken.
Op dit oogenblik kan men niet zeggen, dat de examina door de kerken in strengen geest worden afgenomen. Althans, dat iemand, die zich aanbiedt, bezwijkt, is een hoog zeldzame uitzondering, en het is bijna regel, dat een ieder die voorkomt, ook doorgaat.
Dat dit niet buiten bedenking is, blijkt, zoodra men de uitkomsten van deze examina vergelijkt met de uitkomsten van alle overige examina. Bij alle overige examina is het vaste regel, dat een zeker percentage het diploma niet ontvangt. Hier daarentegen ontvangen ze het bijna allen.
Dit nu ligt ten deele hieraan, dat bijna niemand zich aanmeldt, dan die óf candidaat in de Theologie is, óf te Kampen eindexamen deed; maar todh ook zeker voor een deel aan de examinatoren.
Het spreekt toch vanzelf, dat verreweg de meeste ouderlingen, die op de classis verschijnen, niet in staat zijn iemands wetenschappclijk gehalte te beoordeelen, terwijl er onder de predikanten eveneens zijn, die zelven niet dan met moeite den doornigen weg afliepen, en stellig wetenschappelijk niet hoog genoeg staan, om iemand uit wetenschappelijk oogpunt te keuren en te beoordeelen.
Nu weegt dit bezwaar niet zoo sterk, in dien de classis groot en compleet bezet is, omdat er dan toch altoos in elke classe enkele degelijk onderleide en wetenschappelijk gevormde mannen onder zijn zullen, op wier oordeel de anderen kunnen afgaan. Is daarentegen een classe zeer klein, en voor weinig meer dan de helft bezet, dan zijn soms de beschikbare krachten voor het onderzoek zoo weinige, dat het niet anders kan, of van een wetenschappelijk oordeel kan nauwlijks geen sprake zijn.
Het schijnt dan ook wel geraden, op dit punt eenigszins nader de aandacht te vestigen. Het examen moet bij de classis blijven. Daarover bestaat ook bij ons geen zweem van onzekerheid. Niet het wetenschappelijk, maar het kerkelijk belang moet op den voorgrond blijven staan, en de vrijheid der kerken eischt, dat zij zelve beoordeelen, wie al dan niet voor haar dienst geschikt is.
Maar met dat al, dient er dan toch ook in deze examina zvaarheid te heerschen. Hoe kan nu iemand, die geen Grieksch of Hebreeuwsch verstaat, over iemands vorderingen in de kennis dezer talen een oordeel vellen ? Denk u dat in uw tegenwoordigheid iemand geëxamineerd werd in het Chineesch of in het Zoeloêsch, zoudt gij dan in staat zijn te beoordeelen, of de candidaat van deze talen wist, wat hij er van weten moest?
Zeker, gij kondt er dan op letten, of hij zweeg ot antwoordde, en ook, of de man, die examineerde, zijn antwoorden goed-of afkeurde. Maar welken waarborg hadt ge, dat de vragen, die hem gedaan werden, niet zóó onnoozel waren, dat er niets voor zijn wezenlijke kennis uit bleek; of ook, dat ze niet zóó zwaar waren, dat ze eenvoudig niet waren te beantwoorden?
Nu zeggen we natuurlijk volstrekt niet, dat het wetenschappelijk karakter van een candidaat in de kennis van die vreemde talen zit. Iemand kan integendeel het zeer ver hebben gebracht in de kennis van het Hebreeuwsch of Grieksch, en toch alle wetenschappelijk inzicht • missen. Wetenschappelijke zin is heel iets anders dan geleerdheid. Er zijn, o, zoo geleerde mannen, die toch nog het abc der wetenschap niet verstaan. Personen, die er, o, zooveel inpompten, maar niets verwerkten, en daardoor geheel buiten staat waren om de vrucht te verklaren uit den wortel.
Op het Hebreeuwsch en Grieksch wezen we dan ooic alleen, omdat het ongereede van onze examina op dit punt het sterkst uitkomt, en menig ouderling meer dan eens bij zich zeil moet gedacht hebben, dat het toch eigenlijk vreemd stond, dat hij hierover meè moest oordeelen, en dat menig exariiinator zijn hart wel eens heeft voelen beven, als hij een candidaat van den eersten rang examineeren moest.
Ons komt het daarom voor, dat de kerken in sommige gevallen wel góéd zouden doen, met voor zulke examina hulp van buiten te zoeken.
Steeds stond dit vrij.
Nooit hebben onze kerken gezegd, dat de classis al haar examinatoren 'in eigen boezem moet vinden. Ze kon evengoed voor bepaalde vakken, waarvoor men in eigen boezem geen degelijke examinatoren beschikbaar had, een deskundige van buiten uitnoodigen, die dan natuurlijk geen stemrecht had, maar waarborg bood, dat het examen van zulke vakken aan zijn doel beantwoordde.
Te zeggen, dat dit voor de predikanten in zulk een classe wel wat stuitend is, snijdt geen hout.
Een serieus man, die zichzelf kent, en die overtuigd is van zijn eigen onbekwaamheid, om in zulk een vak degelijk te examineeren, zal wat blij zijn, als men hem ten deze ontlast. En is iemand niet serieus, en zou hij het welbegrepen belang der kerken liever aan eigen eerzucht opofiferen, dan ligt het toch niet op den weg der kerken, om dit kwaad te voeden.
Ook tegenover de candidaten zou hierdoor billijker gehandeld worden. Word ik toch geëxamineerd door een man, die in zulk een vak werkelijk bekwaam is, dan zal, zoo het hokt op eenig bepaald punt, het onderzoek op een ander punt worden overgebracht, en daarop allicht slagen. Onderzoekt mij daarentegen iemand die er zelf thuis een bepaald punt voor nazag, dan antwoord ik allicht slecht, als ik ook-zelf niet dat bepaalde boek raadpleegde, dat hij inzag.
Natuurlijk is het niet onze bedoeling, dit als regel te willen stellen. We wenschen alleen op de noodzakelijkheid te wijzen, om de oude usantie, dat men krachten van elders te hulp riep, niet zoo geheel uit het oog te verliezen.
Examineeren is een hoogst moeilijke arbeid, en men mag er zich wel op spitsen, om ook onze kerkelijke examina steeds meer aan de eischen van een degelijk examen te doen beantwoorden.
Ook het schrifteliJR examen zal hierbij overwogen dienen te worden.
De bezwaren aan een mondeling examen verbonden zijn zoo vele, dat men er schier op elk terrein almeer toe komt, een schriftelijk examen aan het mondelinge te verbinden ; en ook wij hebben met deze nadere inzichten der paedagogiek te rekenen.
Natuurlijk moet dit schriftelijk werk dan onder toezicht verricht, maar voor dit toezicht kan de classis enkele leden committeeren, en de mondelinge examens zouden de classis zelve veel minder behoeven op te houden.
Houdt men hierbij nu in het oog, dat het onderzoek naar het wetenschappelijk gehalte der jonge mannen toch niet van de competentie van elk lid der classis is, dan laat het zich toch denken, dat men, door vooral het wetenschappelijk examen meer schriftelijk te maken, tegelijk én aan dat examen een degelijker gehalte, én aan het oordeel over het examen meer juistheid gaf.
Stel toch dat de classis voor dit schriftelijk examen enkelen uit haar midden committeerde, en des noodig voor het stellen der problema's en voor het beoordeelen der uitkomsten hulp van buiten zocht, dan kon op de classis zelve een deskundig advies over de uitgewerkte antwoorden, bij manier van rapport, met redenen omkleed, worden ingediend, en op de classis zelve kon het mondeling examen dan in hoogstens twee uren afloopen.
En waarlijk langer dan twee uren achtereen iemand mondeling te examineeren, gaat toch niet aan.
JDe "Vrije Kerk.
Het maandschrift de Vrije Kerk ontvange, bij zijn vernieuwd optreden onder redactie van Ds. Bos en Ds. Dijkstra, ook onzen broedergroet.
Wij voor ons zouden nog geen kans zien zulk een maandschrift in het leven te roepen, indien althans een maandschrift, gelijk de nieuwe redactie een vorig maal schreef, zich van een weekblad daarin onderscheiden zal, dat het weekblad de dingen meer terloops bespreekt, maar het maandschrift ze van uit den wortel ophaalt.
O. i. kan van een wetenschappelijk theologisch tijdschrift in dien zin dan eerst sprake komen, wanneer althans onder zekere groep van theologen overeenstemming over de encyclopaedische beginselen is verkregen.
Toch achten we daarom het optreden van dit maandschrift nog niet ongemotiveerd.
Het heeft van meet af nooit bedoeld een wetenschappelijke theologische publicatie in den hoogeren zin van het woord te zijn; maar meer gestrekt, om aan enkele studiën de gelegenheid van publicatie te bieden, en enkele gezichtspunten nader toe te lichten.
In dien zin gaf eerst Ds. Beuker het uit, en in dien zin wordt het nu door Ds. Bos voortgezet.
En hierin nu verheugen we ons, vooral om den nieuwen hoofdredacteur.
We hebben op de Synode te Dordrecht Ds. Bos liefgekregen, ontwaard waarin zijn kracht lag, en zijn optreden leeren waardeeren.
Daarom hindert noch prikkelt het ons, dat hij reeds in dit eerste nummer ons enkele leelijke dingen naar het hoofd werpt, zooals advocaterij, en sophisterij, en laster.
Immers we nemen aan, dat hij dit zóó en niet anders ziet, en het daarom platweg zegt, gelijk hij het meent.
Slechts over zijn stukje Critiek 34—6 ditmaal een kort woord. op blz.
Onzerzijds is indertijd de opmerking gemaakt, dat de saamstelling der Dordsche Synode niet geschied was, met het oog op een generale constitueering van den nieuwen toestand, maar meer uitsluitend met het oog op het behoud der Theologische School, en dat hierin de oorzaak school, waarom deze Synode bijna alles wat de generale constitueering der kerken betrof aan haar opvolgster heeft moeten endosseeren.
In deze overtuiging staan we nog. Volkomen ongeschokt. We zijn voor het aangezicht des Heeren overtuigd dat het zóó en niet anders was.
Over deze critiek is toentertijd menig hard woord gevallen, zoodat het soms den indruk maakte, als achtte men critiek op een Synodale vergadering eenvoudig ongeoorloofd.
Gelukkig blijkt nu dat althans Ds.. Bos fer zoo niet over denkt.
Hij schrijft toch:
Dat er critiek uitgebracht wordt over kerke lijke handelingen en vergaderingen, zal niemand afkeuren. Goede critiek bevordert, een gezond kerkelijk leven. Doch dan moet men niet met vermoedens komen aandragen, zooals 'de Heraut dat onmiddellijk na de Synode te.Dordt deed. »Zonder al te keurig te zijn, " zoo las men toen, «heeft men al zijne macht en al zijn invloed aangewend, om toch maar broeders naar de Synode te deputeeren, die gekozen werden, niet hoofdzakelijk om hun kerkregeerend talent, maar om hun verkleefdheid aan de Theol. School. Dit nu wreekte zich, en brak de kracht dezer vergadering." — Dat is geen critiek. Wie toch zijn die »raen"? dan konden zij zich verantwoorden.
Men ziet nu tevens waar het bezwaar van Ds. Bos schuilt.
Wel is critiek geoorloofd, maar ons oordeel was z. i. geen critiek, omdat ze niet kon bewezen worden.
Men gevoelt, we hebben hier precies hetzelfde als bij de kazernequaestie. Ieder onzer weet en voelt, en is er ten volle van overtuigd, dat in de kazerne het zielsleven der jongelui aan allerlei gevaar bloot staat.
Maar als men dit nu zegt, komen de miütaire gi'ootheden, en zeggen ons: Bewijs dit.
En als het dan uiteraard. onmogelijk is om dit bewijs individueel te leveren, wanen ze dat dus het kazerneleven gerehabiliteerd is.
En toch, ook natdat ze dit hebben uitgesproken, blijft allerwegen de overtuiging bestaan, dat het toch zóó is.
Ditzelfde nu grijpt telkens plaats, waar men algemeem historische verschijnselen beoordeelt, die voor publiek individueel bewijs eenvoudig onvatbaar zijn.
Met de lagere school stuitte men jarenlang op dezelfde moeilijkheid.
W'e wisten allen zeer wel, dat dé openbare school van den Christus afvoerde, maar als het bewijs gevraagd werd, was het natuurlijk niet te leveren.
Het is er wel.
Het is er voor onze eigene overtuiging volkomen zeker en afdoende, maar het kan niet gegoten worden in den vorm van een individueele aanklacht.
Elk oordeel dat in de historie over algemeette toestanden wordt geveld, en zoo ook over de algemeene stemming van een parlement, een volksvergadering, of een Synode, valt onder dezelfde categorie.
Wie ooit werk maakte van methodologie, weet dit. historische
Ter voorkoming van misverstand zij hier echter bijgevoegd, dat door ons aan de Provinciale Synoden hiermede niets kwaads is verweten.
Integendeel, voor zoover deze Synoden saamkwamen onder den indruk, zij het ook den geheel valschen indruk, dat er zeker complot bestond, om de Theologische School op te ruimen, was het volkomen begrijpelijk, en op dat standpunt zeik plichtmatig, om geen ander man ter Generale Synode af te vaardigen, dan van wien men wist, dat hij allereerst voor de Theologische School in de bres zou springen.
Zoo doet men bij elke verkiezing, en zoo moest men op dit standpunt, ook hier doen.
Dat men het deed, is voor ons dan ook aan geen den minsten twijfel onderhevig.
Alleen maar, hiermede was niets hoegenaamd ten nadeele van wie alzoo deden gezegd.
Of het moest dit zijn, dat ze ten onrechte zich door een valsch gerucht hadden laten beangstigen."
Seltrespeot onzer F*era.
Tot ons leedwezen stuiten we in enkele Synodale organen, keer op keer, op persoonlijke bestrijdingen van onzen hoofdredacteur, die alle nobel karakter i^missen, en allengs zóó laag zinken, dat wie er zich aan schuldig maakt, alle selfrespect als Christelijk persorgaan blijkt verloren te hebben.
Zoo n#* weer in twee stukjes van de Nieuwe Sprokkelaar.
We hadden voor drie weken een schrijven van den heer Ottevanger te Rotterdam opgenomen, en dit kalm beantwoord.
Dit antwoord nu drukt de Nieuwe Sprokkelaar over, en voegt er dan dit bij:
Over twee dingen hebben we ons bij 't lezen van het bovenstaande verwonderd; vooreerst hierover, dat de heer Ottevanger den moed had om zich regelrecht tot De Heraut te wenden, daar hij toch ook wel weet, hoe de redacteur ieder die van hem verschilt, behandelt, vaak verplettert zonder echter te overtuigen. En de heer O. had alle reden om een afstraffing te duchten. Dr. Kuyper kan in hem toch niets anders zien dan een renegaat!
Maar wat ons in de tweede plaats verwonderde, is dat de ZT^rawAredacteur in zijn schrijven zijne natuur zoo verloochent en den heer O. zoo ongewoon zacht behandelt. Dit buitengewone verschijnsel zou haast de vraag doen rijzen of De Heraut het ook in het belang der partij noodig achtte om hier zoo tam te zijn. De heer O. heeft ruim zes jaar onder de doleantie geleefd en misschien was de vrees niet ongegrond, dat hij bij onheusche bejegening wel eens lust kon gevoelen om mededeelingefi te doen. welke juist niet streelend zouden wezen voor de partij.
't Moet aan De Heraut zelfverloochening gekost hebben, dunkt ons, om zoodanig de s liefde" te betrachten.
Evenzoo drukt de Nieuwe Sprokkelaar over wat we schreven over het verschijnen van enkele Synodale predikanten bij Keuchenius' graf, en hiervan zegt ze dit:
De Heraut-K^Az.QX< t\a heeft allen lof voor «synodale" predikanten, wanneer ze iets doen, dat zijn eigen Ik streelt. Men denke o, a. maar aan het sociale congres, en zoo is 't ook nu weer. Anders zijn er geen namen leelijk genoeg om hen te stigmatiseeren.
Zulken lof achten wij veeleer eene beleediging. Nu zullen we ons wel wachten, om aan zoo laag gezonken taal ook maar één woord te verspillen.
Maar het kon toch zijn nut hebben, ook zonder commentaar, nu en 'dan eens nota te nemen, van het dalen op de zedelijke peilschaal, dat bij al zulke bestrijding valt te betreuren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 januari 1894
De Heraut | 4 Pagina's