Koloniën.
Van geachte zijde ontvingen we dit schrijven ter plaatsing:
Wanneer wij in onze gedachten een 15 c\ 20 jaren teruggaan en de werkzaamheid vergelijken, die zich toen op Christelijk gebied in Nederlandsch-Indië openbaarde, met hetgeen thans op dat terrein aldaar geschiedt, dan moet met dankbaarheid worden erkend, dat er op vele plaatsen een ontwaken uit den geestelijken doodslaap valt waar te nemen. Met die werkzaamheid op Christelijk gebied bedoel ik niet den arbeid der zending, want die werd toen nagenoeg uitsluitend van Europa uit ter hand genomen, en grootendeels is dit nu nóg het geval; maar wél heb ik het oog gevestigd op dien anderen tak van Christelijke werkzaamheid, die men sevangeliesatiewe'rk" zou kunnen noemen. Nederlandsch-Indië was een 15 i 20 jaar geleden geestelijk dood. God heeft overal Zijn volk, en Hij had het ook tóen in Indië; maar de belijders van den naam onzes Heeren waren toen zóó verspreid, zóó geïsoleerd, zóó gering in getal, zóó overtuigd dat 'é'.inne stem, die eens roepende in de woestijn was, dat van goed georganiseerde uitingen van geestelijk leven, slechts weinig sprake kon zijn. Gedurende de laatste jaren is dat door Gods genade anders geworden. Gaandeweg is bij de Christenen in Indië het besel ontwaakt, dat zij aan de eer huns Gods verplicht zijn hun licht te laten schijnen: dat het hun een heilige taak is om, zwak in eigen kracht doch steunend op de mogendheid des Heeren, de hand aan den ploeg te slaan.
Uitingen van dit ontwakend leven in Indië vindt men in Zondag-en Fröbelscholen, in Christelijke liefdadigheidsvereenigingen, in Christelijke jongelingsvereenigingen, ook Militaire; men vindt ze in het verrijzen van Militaire Tehuizen en van Christelijke scholen, in vrouwenbond en matigheidsvereenigingen en in tal van andere corporaties, die, elk in eene bepaalde richting, trachten de uitbreiding van Gods Koninkrijk te bevorderen.
Wanneer men als in vogelvlucht overziet wat op veel en velerlei gebied geschiedt, dan - is het werkelijk duidelijk, dat betere tijden voor Indië in aantocht zijn.
Bezien wij echter al dien arbeid meer van dichtbij, dan valt aan het slot van schier elke nadere beschouwing het Woord des Heeren' te herhalen: »De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige, ". en volgt het gebed : «Heere, stoot arbeiders in uwen wijngaard uit." Want waarlijk, veel meer nog dan in Europa zijn onze krachten hier zwak — zwak zoowel in aantal als in vermogen — en zeker niet minder schreeuwend dan ddar, zijn de behoeften hier.
Zien wij op onze ongenoegzame krachten, op onze ontoereikende middelen, ' op zoo velerlei teleurstelling als wij reeds ondervonden, dan zouden wij drijgen moedeloos te worden, 'dan zouden wij geneigd zijn de handen, zooal niet in den schoot te leggen, dan toch krampachtig te klemmen om hetgeen ze reeds omvatten, om te voorkomen, dat zij zich tot meer zouden uitstrekken, daar wij overtuigd zijn dat reeds nu de arbeid de krachten ver te boven gaat. Echter, naar mate er meer gedaan wordt, wordt het ook steeds duidelijker hoe veel er nog te doen is. Elke nieuwe ontginning op den grooten akker brengt aan het licht dat er nog zoo vele terreinen geheel braak liggen, en zien wij daarop, o dan gevoelen wij het dat niet achterwaarts, doch voorwaarts onze blik moet gericht zijn; niet benedenwaarts op onze tekortkomingen, doch opwaarts tot Hem van wien onze hulpe is. En wanneer wij dan stilstaande elkander vragen: »is niet reeds genoeg ter hand genomen : mogen wij wel meer van onze krachten vergen", dan hooren wij in ons geestesoor het geroep van zooveel, dat op hulpe wacht, en dan is het ons, als vernemen wij hetzelfde woord, dat eertijds onder moeielijke omstandigheden op Gods bevel door Mozes tot Israël werd gericht: Zeg den kinderen Israels dat zij voorttrekken. Ja voorwaarts streven is onze plicht: voorwaarts, totdat de aarde vol zij van de kennis des Heeren.
De overtuiging dat ons het voorwaarts gaan als plicht is opgelegd en de verzekerheid dat God de Heere het ons niet aan Zijnen bijstand zal doen ontbreken, waar die ootmoedig wordt afgesmeekt, geven ons den moed om thans een nieuwen arbeid ter hand te nemen: een arbeid, die nieuw is in Indië, doch niet in Europa.
Wij herdachten in het vorig nummer (hierboven) met dankbaarheid hoe in de stichting van Militaire Tehuizen, zoo te Batavia als elders eene groote schrede in de goede richting is gedaan en • een krachtigen steun wordt verleend aan den Evangelisatiearbeid onder de Europeesche militairen van Netlerlands Koloniale Leger. Daar, onder het bereik des Evangelies, ademen zij in letterlijken en in figuurlijken zin, een zuiverder atmosfeer in, dan hen uit cantines en drankhuizen — om niet van nog erger te spreken — tegenwaait. Het is eene goede, en waarlijk christelijke gedachte geweest, om de hand der Christelijke liefde te reiken aan die zonen van ons volk, die hier, ver van betrekkingen en geboortegrond meer dan in het vaderland aan gevaren bloot staan, en meer nog dan daar steun behoeven. Die gevaren gelden het aardsche, maar vooral niet minder, het geestelijk leven. Al is de voorstelling, alsof Indië een pestoord zou zijn, waar dood en verderf bij iedere schrede ons aangrijnzen, eene onjuiste, en al bewijzen tal van Europeanen, die jaren en jaren lang in de Tropen eene goede gezondheid genoten, dat het , klimaat lang niet altijd noodlottig is voor den Westerling, toch mag niet worden ontkend, dat hier met meer voorzichtigheid dan in het vaderland moet worden geleefd, terwijl de hier voorkomende ziekten over het algemeen zooveel sneller verloopen en zoo veel ernstiger zijn; en daardoor dus het gevoel doen ontstaan, dat de dood ons meer nabij is. Voegt men bij die minder gunstige klimaatsinvloeden, de vermoeienissen te velde en de kansen om door 's vijands lood of zwaard te worden getroffen, dan is het duidelijk, dat met reden mag worden gesproken de van sgevaren, die het leven van den militair bedreigen."
Het zijn echter in hoofdzaak niet deze gevaren, waarop ik hier boven doelde. Eensdeels wordt van Regeeringswege zooveel als mogelijk is gedaan om de hygiënische omstandigheden, waaronder de mindere miütair leeft, te verbeteren, anderzijds moeten, naar ons oordeel, die gevaren ondergeschikt worden geacht aan die andere, die het zieleleven bedreigen. Evenveel als de ziel hooger staat dan het lichaam, even zooveel zijn deze gevaren ernstiger dan genen. En het is eene eere voor de Militaire Tehuizen, dat zij er naar streven den militair in dit opzicht bescherming en steun te bieden. Gij, die in het vaderland het voorrecht geniet van uit Christenouders geboren eene Christelijke opvoeding te hebben genoten, die later de betrekking Uwer keuze hebt kunnert aanvaarden en U een eigen huisgezin hebt kunnen stichten, gij die vrij zijt in het zoeken van Uwe geestverwanten — gij kunt U nauwelijks voorstellen, hoe hier in Indië verleiding en zonde van alle kanten den militair omringen. Het is niet mogelijk in een blad, dat door allerlei personen gelezen wordt, in deze richting meer te doen dan aan te duiden. Doch ieder, die slechts iets van de leefwijze der ongehuwden in Indië in 't algemeen vernam, een ieder die slechts iets meer van nabij bekend is met het leven van de militairen in deze kolonie, weet hoe openlijk en schaamteloos tegen het zevende gebod wordt gezondigd en hoe het, onder hetmotto shygiënne, " toegelaten wordt, dat vrouwen, die voor het meerendeel alle eer-en schaamtegevoel hebben verloren, en die slechts door een zeer lossen band tijdelijk aan een of ander militair zijn verbonden, in de kampementen verblijf houden.
Hoe vTeeselijk htt onder die omstandigheden den jongeling, wien, |[om zoo te zeggen, de zonde reeds thuis opzoekt, *; ^moet vallen om »zijn pad rein te bewaren", behoeft geen betoog. En verlaat hij het kampement, dan wachten reeds andere verleidingen hem. Elke garnizoensplaats heeft hare reeks: «verboden huizen", dat wil zeggen, huizen, waartoe de toegang door de militaire overheid aan het garnizoen is verboden, omdat daar claudestien drank wordt verkocht, militaire goederen worden ojigekocht of andere oiigerechtigheden worden bedreven. Ieder militair weet echter, dat naast die sverlxjden huizen" tal van andere huizen staan, die officieel niet verboden zijn, omdat van het kwaad officieel nog niets bleek, doch, waarvan invloed en streven even verlagend is, als dat der «verboden" huizen. En dan de cantines! Men heeft tegen de reglementeering der prostitutie aangevoerd dat de overheid «het kwaad" reglementeerde en daardoor zelfs in bescherming nam. Maar zou hetzelfde niet aan de cantines in Nederlandsch-Indië min of meer kunnen worden verweten? Ongetwijfeld is de bedoeling met de oprichting goed geweest en ook nu nog ken ik hun het voordeel toe, dat de didr gekochte dranken voor de gezondheid minder schadelijk zijn, dan wat door gewetenlooze drankvervalschers claudestien aan militairen wordt gesleten. — Maar, is het niet algemeen bekend, hoe het toezicht, dat naar het heet, in de cantines wordt gehouden, voor een groot, zeer groot deel fictief is; is het niet waar, dat minstens evenveel-neen meer, militairen zich bedrinken iti als buiten de cantines. Als officier voel ik beter dan misschien menigeen de moeielijkheid om het drankmisbruik in cantines tegen te gaan, ik maak er dan ook niemand een verwijt van dat de toestand daar is, zooals hij is omdat ik besef, dat waar bij de toezicht oefenenden het hooger beginsel der christelijke liefde ontbreekt, waar zij bovendien zoude geen zonde noemen, hun strijd tegen dergelijke misbruiken eigenlijk een hopelooze is.
Ik verwijt niets, want verwijten brengt niets verder: — ik wil zelfs het goede erkennen, dat daar te vinden is: — doch ik constateer toestanden, en ik vlei mij, dat ik zonder te veel in détails af te dalen de overtuiging heb gevestigd, dat het noodig, zéér noodig was, dat de Christelijke liefde zich uitstrekte tot den Indischen militair en dat het bestaan en het uitbreiden van de Militaire Tehuizen ons tot dankbaarheid mogen stemmen.
Christenen wier hart warm klopt, voor de eere Uws Gods en die in dat hart ook liefde voelt voor den Indischen militair, steunt dezen arbeid, die zooveel steun behoeft, ook geldelijk. De Militaire Tehuizen in Indië loopen niet erg te koop met hunne financieele nooden, doch ik weet het-althans voor Batavia-van nabij, hun nood is groot, hunne behoeften zijn vele. i)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 januari 1894
De Heraut | 4 Pagina's